Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6264

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
HV 103.009.120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behandeling van kosten van afschrijvingen op een bedrijfspand in het kader van een vaststelling van de draagkracht van een alimentatieplichtige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 96
JPF 2009/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

17 juni 2008

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV 103.009.120

Zaaknummer eerste aanleg 98848/ S RK 05-90

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna: de man,

procureur: mr. N.J.W.M de Leeuw,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. P.L.M.F. Roosendaal.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 9 mei 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2007, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door hem te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 9 mei 2007 vast te stellen op nihil althans op een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 september 2007, heeft de vrouw de grieven van de man bestreden. Tevens heeft zij daarbij hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking en verzocht die beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 9 mei 2007 vast te stellen op

€ 14.000,-- bruto per maand, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag. Kosten rechtens.

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ter griffie ingekomen op 18 oktober 2007, heeft de man verzocht de door de vrouw opgeworpen grief als ongegrond c.q. niet bewezen af te wijzen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het incidenteel beroepschrift;

- de processen-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 13 december 2005 en 31 oktober 2006;

- de brief d.d. 3 december 2007 met bijlage van de advocaat van de vrouw;

- de brieven d.d. 4 december 2007 en d.d. 6 december 2007 met bijlage van de advocaat van de man;

- de met instemming van de advocaat van de vrouw aan het hof toegezonden brief d.d. 19 februari 2008 met bijlagen van de advocaat van de man.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het incidenteel beroepschrift.

4. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

4.1. Partijen zijn op 12 augustus 1982 met elkaar gehuwd.

4.2. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 29 maart 2006 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud

op € 14.000,-- per maand aangehouden.

4.3. Bij de beschikking, waarvan beroep, is de man veroordeeld om met ingang van 9 mei 2007 met een bedrag van

€ 5.000,-- per maand bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

4.4. De echtscheidingsbeschikking is op 14 juli 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.5. De grieven van de man hebben betrekking op de vaststelling van de (huwelijksgerelateerde) behoefte, de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. De grief van de vrouw heeft betrekking op de vaststelling van de (huwelijksgerelateerde) behoefte.

De huwelijksgerelateerde behoefte

4.6. Bij gebreke van een gespecificeerde en huwelijksgerelateerde opgave van de behoefte heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw bepaald aan de hand van het gezinsinkomen over 2004.

4.7. De man heeft daartegen aangevoerd dat in de onderhavige situatie niet dient te worden uitgegaan van de gebruikelijke rekenmethodiek, waarbij 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen na aftrek van de kosten van de kinderen aan de vrouw wordt toegerekend, en dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij haar behoefte inzichtelijk maakt. In dit verband heeft de man erop gewezen dat de behoefte van de vrouw aan woonruimte op stand ook kan worden ingevuld door middel van een luxere huurwoning en dat de vrouw ten tijde van het huwelijk van partijen voor de uitgaven ten behoeve van de huishouding en luxe zaken over een vast maandelijks bedrag beschikte.

4.8. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de vrouw de door haar gestelde behoefte aan partner¬alimentatie tot een bedrag van € 14.000,-- bruto per maand, tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de man, niet nader heeft onderbouwd. Ter toelichting hierop heeft de vrouw aangevoerd dat de man in zijn verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen het door de vrouw overgelegde gespecificeerde overzicht, maar dat zij nadien niet meer de gelegenheid heeft gekregen om schriftelijk op dit verweer van de man in te gaan. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat in de onderhavige situatie niet uitgegaan kan worden van de vuistregel aangaande de bepaling van de behoefte, te weten dat de behoefte kan worden gesteld op een bedrag gelijk aan 60% van het gezinsinkomen, verminderd met de kosten van de kinderen.

4.9. Het hof overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de (huwelijksgerelateerde) behoefte. Bij haar verweerschrift in eerste aanleg, tevens inhoudende (onder meer) het zelfstandig verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, heeft de vrouw onder overlegging van een gespecificeerd overzicht gesteld ter bestrijding van haar uitgaven inclusief de kosten van huisvesting, behoefte te hebben aan een bedrag van € 14.000,-- bruto per maand. De man heeft in zijn daartegen ingediende verweerschrift uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden dat de door de vrouw gestelde behoefte huwelijksgerelateerd is.

De vrouw stelt in hoger beroep wel dat zij niet meer de gelegenheid heeft gekregen om schriftelijk op dit verweer van de man in te gaan, maar zij gaat er daarbij aan voorbij dat de verzoekschriftenprocedure geen dupliek kent en dat zij bovendien tijdens de mondelinge behandelingen van 13 december 2005 en 31 oktober 2006 de mogelijkheid heeft gehad haar stellingen met betrekking tot haar behoefte nader te onderbouwen en het door de man gestelde te weerleggen, van welke gelegenheid zij geen of nauwelijks gebruik heeft gemaakt. Ook in hoger beroep heeft de vrouw haar stelling dat zij behoefte heeft aan een alimentatie van € 14.000,-- bruto per maand, niet nader onderbouwd.

4.10. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de behoefte van de vrouw heeft bepaald aan de hand van het gezins-inkomen dat partijen over 2004 hebben genoten. De man heeft er in hoger beroep wel op gewezen dat daarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de vrouw ten tijde van de huwelijkse samenwoning een bedrag van € 816,-- per maand opnam en dat zij daarvan de uitgaven ten behoeve van de huishouding en luxe zaken bekostigde, maar hij gaat er daarbij aan voorbij dat de mate van welstand waarin partijen hebben geleefd, mede wordt bepaald aan de hand van het inkomen waarover partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk konden beschikken.

4.11. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat het gezinsinkomen in 2004 neerkwam op een bedrag van

€ 128.760,-- bruto en dat de man daarover een bedrag van in totaal € 48.252,-- aan belastingen betaalde, zodat een bedrag van circa € 80.500,-- resteerde.

Ten tijde van de verbreking van de samenwoning woonde de zoon van partijen, [Z.], die op dat moment al jong-meerderjarig was, niet meer thuis. Hij studeerde en had daarnaast een bescheiden inkomen uit arbeid in het bedrijf van de man. Rekening houdende met de kosten voor [A.], de dochter van partijen, tot een bedrag van € 790,-- per maand (dit is € 9.480,-- per jaar) resteerde voor partijen ter besteding een bedrag van € 71.020,--, zodat de behoefte van de vrouw conform de thans gebruikelijke methodiek (60% van € 71.020,--) en geïndexeerd naar 2008 kan worden becijferd op € 3.683,-- netto per maand. Bruto komt dat neer op afgerond € 6.116,-- per maand. In hetgeen partijen voor het overige met betrekking tot de wijze van vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte hebben aangevoerd, vindt het hof geen aanleiding af te wijken van de daartoe gebruikelijke methodiek als hiervoor vermeld. De man heeft in dat verband met name aangevoerd dat de vrouw haar behoefte aan woonruimte op stand ook kan invullen door middel van een luxere huurwoning en dat zij haar autokosten kan beperken door gebruik te maken van een auto in dezelfde prijsklasse als ten tijde van het huwelijk, maar het is aan de vrouw om te bepalen op welke wijze zij het aan haar terzake van partneralimentatie toegekende bedrag wenst te besteden.

De behoeftigheid

4.12. De man betwist niet dat de vrouw sinds de geboorte van het eerste kind van partijen in 1984 niet meer buitenshuis heeft gewerkt en dat zij zich vanaf dat moment alleen met het huishouden en de verzorging van de kinderen heeft beziggehouden, almede dat de vrouw met psychische problemen kampt. De man heeft erkend dat het, gezien haar leeftijd en het feit dat zij tijdens het huwelijk van partijen niet buitenshuis heeft gewerkt, voor de vrouw moeilijk is om zelf inkomen uit arbeid te verwerven en dat de vrouw in dit kader allereerst aan haar alcoholprobleem dient te werken.

De man betwist echter dat de vrouw aan haar alcoholprobleem werkt door therapieën daarvoor te ondergaan. Hij is van mening dat de vrouw - anders dan de rechtbank kennelijk als vaststaand aanneemt - geen enkele verantwoordelijk¬heid toont om haar leefsituatie te verbeteren en dat er geen enkel bewijs is dat zij in de afgelopen twee jaar zou hebben deelgenomen aan een ontwenningsprogramma en dat dit voor rekening van de vrouw moet blijven. De vrouw heeft het door de man gestelde uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en ter onderbouwing van haar betwisting een brief d.d. 3 september 2007 van de Mondriaan Zorggroep overgelegd. In deze brief verklaart de psycholoog-psychotherapeut drs. Korthof dat de vrouw zowel binnen de divisie Verslavingszorg als binnen de divisie Kortdurende Zorg Volwassen contacten heeft met de Mondriaan Zorggroep.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw vooralsnog niet in staat is geheel of ten dele in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

4.13. De man heeft verder aangevoerd dat de gedragingen van de vrouw jegens hem en de beide kinderen van partijen, zoals in het beroepschrift nader omschreven, zodanig grievend voor hem zijn dat iedere grondslag voor een onderhoudsverplichting is komen te vervallen.

Nog daargelaten dat de vrouw de door de man gestelde gedragingen jegens hem en de kinderen uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft weersproken, kan bovendien, gelet op de psychische problemen waarmee de vrouw zich geconfronteerd ziet, niet uitgesloten worden geacht dat deze gedragingen, zo al juist, mede een gevolg zijn van de al jaren voortdurende strijd tussen partijen. Bovendien zijn de door de man gestelde, doch niet althans onvoldoende onderbouwde gedragingen, naar het oordeel van het hof niet van dien aard, dat op grond daarvan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw gematigd dient te worden.

De draagkracht

4.14. Voor de vaststelling van de draagkracht is de rechtbank kennelijk uitgegaan van de door de man bij brief van diens procureur van 30 oktober 2006 in het geding gebrachte draagkrachtberekening, welke berekening de rechtbank heeft gecorrigeerd in die zin dat de rechtbank rekening heeft gehouden met het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden ten bedrage van € 41.715,--, maar de door de man gestelde aflossingen van ruim € 50.000,-- (€ 4.254,17 per maand) terzake de op de showroom rustende hypotheken buiten beschouwing heeft gelaten. Verder heeft de rechtbank ook de door de man in bedoelde draagkracht¬berekening opgenomen uitgaven van € 261,67 terzake van premie levensverzekering en van

€ 87,79 terzake van “overige kosten” buiten beschouwing gelaten.

zijn beroepschrift heeft de man ook een draagkrachtberekening overgelegd (prod. 2).

In beide berekeningen is de man uitgegaan van een loon volgens de jaaropgaaf van € 98.740,-- en van een belastbare winst uit onderneming van € 880,--. Over deze bedragen bestaat tussen partijen geen verschil van mening.

4.15. Partijen zijn het echter niet eens over het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. De man is eigenaar van een showroom, die hij verhuurt aan zijn bedrijf Automobielbedrijf [X.] BV.

4.16. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft de rechtbank rekening gehouden met een bedrag van € 41.715,--, het inkomen uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen. De man erkent als juist dat in de door hem aan de rechtbank overgelegde draagkrachtberekening sprake is van een dubbeltelling daar waar hij zowel de afschrijving op de showroom, als de aflossing op de op die showroom rustende hypotheek in mindering brengt op zijn draagkracht, maar hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat van de man verwacht kan worden dat hij de aflossingen op de hypotheek financiert uit de afschrijvingen op de showroom. Hij stelt zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van een inkomen van € 77.063,-- per jaar uit het ter beschikking stellen van vermogen. Ter toelichting hierop heeft hij aangevoerd dat de showroom wordt afgeboekt in 30 jaar, terwijl de hypothecaire schuld in 20 jaar moet worden afgelost. De man heeft daarbij opgemerkt hij aan deze aflossingsverplichting is gebonden sinds het aangaan van de hypothecaire geldlening in 1999 en dat, nu de verplichting werd aangegaan tijdens het huwelijk van partijen, de vrouw deze gebondenheid ook tegen zich heeft te laten gelden. Daarnaast heeft de man erop gewezen dat een aflossing op bedrijfsonroerend goed gebruikelijkerwijze in 20 jaar tijd moet geschieden. In verband met het vorenstaande heeft de man de uit de fiscale jaaropgave blijkende inkomsten uit verhuur ad € 41.715,-- gecorrigeerd met de afschrijvingen ten bedrage van € 59.348,-- en verminderd met een bedrag van € 24.000,-- als reservering voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, welk bedrag de man, gelet op de grootte van het pand en de noodzaak om de showroom in goede conditie te houden redelijk acht.

In zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening heeft de man vervolgens een bedrag van € 4.254,17 per maand terzake van de financiering van de showroom en garage in mindering gebracht.

4.17. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met het uiteindelijke resultaat van het ter beschikking stellen van de showroom aan de bv van de man en terecht de aflossingen op de leningen, afgesloten ter financiering van de showroom, buiten beschouwing heeft gelaten.

4.18. Het hof oordeelt als volgt. In zijn aan het hof overgelegde draagkracht-berekening gaat de man uit van een resultaat uit overige werkzaamheden (verhuur van de showroom) tot een bedrag van € 77.603,--, hetgeen de uitkomst vormt van het hiervoor onder 4.16 reeds genoemde inkomen uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen ad € 41.715,--, vermeerderd met € 59.348,-- ter zake van afschrijvingen en verminderd met € 24.000,-- aan reservering voor onderhoud.

Naar bedrijfseconomische maatstaven is het correct om ter bepaling van de winst uit verhuur op de inkomsten uit verhuur mede kosten van afschrijving op de verhuurde onroerende zaak in mindering te brengen. Ook is zulks fiscaal toegestaan, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Afschrijvingskosten gaan evenwel niet gepaard met daadwerkelijke uitgaven. Tegenover die kosten staat immers slechts een reservering ten behoeve van de vervanging van het bedrijfsactivum op - in het geval van een bedrijfsgebouw - zeer lange termijn (tenminste 20 jaar na de datum van de verwerving of oprichting van een dergelijk gebouw en in dit geval, zoals de man onweersproken heeft gesteld, 30 jaar). Nog daargelaten dat die termijn aanzienlijk langer is dat de maximale wettelijke periode ex artikel 1:157 BW waarover partneralimentatie verschuldigd is, is het in het algemeen zeer onzeker of na ommekomst van die (lange) termijn de noodzaak tot vervanging van het bedrijfspand nog immer actueel zal zijn.

Onder genoemde omstandigheden acht het hof de dwingende verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie van een hogere orde dan het in aanmerking nemen van de kosten van afschrijving op een bedrijfspand bij het vaststellen van de omvang van bedoelde verplichting.

Het hof zal dan ook met die afschrijvingskosten ad € 59.348,-- per jaar geen rekening houden en beschouwt deze dan ook als netto inkomsten boven de (bruto) inkomsten uit verhuur ad € 41.715,-- per jaar.

Anderzijds zal het hof wel rekening houden met de verplichte betalingen in verband met de op de op de verhuurde showroom rustende hypothecaire leningen ad in totaal € 4.254,-- per maand, nu deze betalingen, anders dan bij de afschrijvingskosten, ten koste gaan van de voor het betalen van partneralimentatie beschikbare liquiditeit.

De man heeft ter zitting van het hof verklaard dat een deel van de in het kader van onderhoud te verrichten werkzaamheden wordt uitgevoerd om tegemoet te komen aan eisen die de huurder aan de showroom stelt en die dan ook gedragen dienen te worden door de huurder zelf. Hieruit volgt dat (ook) de man van oordeel is dat bedoeld gedeelte van het onderhoud van de showroom niet voor zijn rekening dient te komen, welke opvatting overigens in overeenstemming is met de gangbare praktijk. Mede gelet op de uit de verlies- en winstrekeningen van [X.] Beheer BV over de jaren 2003 tot en met 2005 blijkende gemiddelde jaarlijkse hoogte van de aan onderhoud van het bedrijfspand bestede bedragen, zal het hof in het kader van de bepaling van de draagkracht van de man ex aequo et bono rekening houden met een bedrag van € 12.000 per jaar

(€ 1.000,-- per maand) in verband met (de reservering voor) voor rekening van de man als verhuurder komend groot onderhoud aan de showroom.

4.19. Vast staat dat de dochter van partijen, [A.], bij de man woont. Daarom houdt het hof rekening met het Wwb-normbedrag voor een eenoudergezin.

4.20. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de premie ad € 261,67 per maand van de aan de hypotheek op de voormalige echtelijke woning gekoppelde levensverzekering. Het hof houdt met deze premie wel rekening nu de totale woonlast van de man in verhouding tot zijn inkomen redelijk is.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat de man met een ander samenwoont en dat zijn partner over eigen inkomen beschikt en dus in ieder geval voor de helft kan bijdragen in de woonlasten. De man heeft echter uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist samen te wonen, zodat het hof verder aan deze stelling van de vrouw. voorbijgaat.

4.21. Het hof houdt - evenals de rechtbank - geen rekening met de door de man gestelde uitgave van € 87,79 per maand. Deze uitgave is door de vrouw betwist en door de man niet met bescheiden onderbouwd.

4.22. Uitgaande van het vorenstaande en rekening houdende met de overige door de man in zijn voormelde draagkrachtberekening vermelde lasten, welke lasten door de vrouw niet zijn weersproken, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man toelaat dat hij met een bedrag van € 5.138,-- per maand, welk bedrag voor hem fiscaal aftrekbaar is, bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw.

Laatstgenoemd bedrag dient evenwel te worden gecorrigeerd tot € 4.925,-- per maand, zodat aldus aan ieder van partijen een nagenoeg even hoog bedrag ter vrije besteding ter beschikking staat. Nu concrete gegevens met betrekking tot de uitgaven van de vrouw ontbreken, is het hof bij de berekening van de zogenaamde vrije ruimte van ieder van partijen uitgegaan van een door de vrouw te betalen huur van € 500,-- per maand en van een door haar te betalen premie Zorgverzekeringswet van in totaal € 200,-- per maand.

4.23. De beschikking waarvan beroep dient dus voor wat betreft de vaststelling van de partneralimentatie te worden vernietigd.

5. De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 9 mei 2007 voorzover daarbij is beslist met betrekking tot de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om met ingang van 9 mei 2007 met een bedrag van € 4.925,-- per maand, voor wat de niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen, bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gründemann, Bijleveld-van der Slikke en Raab, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.