Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6235

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
HV 200.002.551-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van het appel na toewijzing van een gemeenschappelijk verzoek in eerste aanleg op basis van het echtscheidingsconvenant.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 262
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/118
EB 2008, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

22 mei 2008

Sector Civiel Recht

Zaaknummer HV 200.002.551/01

Zaaknummer eerste aanleg 166788/FA RK 07- 4635

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de moeder,

procureur: mr. M.W.M.J. van Rooij,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vader,

procureur: mr. Y.Th.J.G.M. Poulussen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 30 november 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2008, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder en dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan de moeder toekomt. Kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 maart 2008, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen af te wijzen en zijn huurrecht met betrekking tot de voormalige echtelijke woning in stand te laten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Rooij;

- de vader, bijgestaan door mr. Poulussen;

- mr. H. Werger, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de producties, overgelegd bij het verweerschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit de affectieve (voorhuwelijkse) relatie van de vader en de moeder is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] de, thans nog minderjarige, [zoon Z.] (hierna: [Z.]) geboren. De vader heeft [Z.] voor zijn geboorte door middel van een akte van erkenning op 12 december 2002 erkend.

Partijen zijn op vervolgens op 14 augustus 2003 te Uden met elkaar gehuwd.

Uit dit huwelijk is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] de, thans nog minderjarige, [dochter A.] (hierna: [A.]) geboren.

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [Z.] en [A.].

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken (deze beschikking is op 2 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand). Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de getroffen onderlinge regelingen met betrekking tot [Z.] en [A.] en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zoals vermeld in het bij het verzoekschrift overlegde convenant, in de beschikking opgenomen onder verwijzing naar de aan de beschikking gehechte kopie van voormeld convenant. De moeder kan zich met de beslissingen ten aanzien van [Z.] en [A.] alsmede terzake het huurrecht van de voormalige echtelijke woning niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.3. De moeder stelt in haar beroepschrift - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader heeft bepaald en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan de vader heeft toegekend.

De moeder acht het in het belang van de kinderen dat zij het hoofdverblijf bij haar zullen hebben. Tevens stelt zij dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan haar dient te worden toegekend. De moeder stelt daartoe ten tijde van het opstellen van het convenant depressieve klachten te hebben gehad. Tevens heeft zij zich door, onder andere, de vader onder druk laten zetten. Hierdoor heeft zij beslissingen genomen waarvan zij de consequenties niet goed heeft kunnen overzien, aldus de moeder.

De vader stelt daarentegen dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben en dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning terecht aan hem is toegekend.

Ontvankelijkheid

4.4. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt.

4.4.1. Partijen hebben zich in het kader van de echtscheiding laten begeleiden door een scheidingsbemiddelaar. Door partijen is vervolgens een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend nadat zij bij echtscheidingsconvenant afspraken hadden gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding waaronder een regeling met betrekking tot de kinderen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.

4.4.2. Uit de heersende jurisprudentie (o.a. HR 4 juni 1999, NJ 1999/535) volgt dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om een partij van wie het verzoek door de rechtbank is toegewezen, gelegenheid te geven die beslissing ongedaan te maken omdat die partij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien.

Vaststaat dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen na een daartoe strekkend gemeenschappelijk verzoek van de vrouw en de man. De vrouw heeft derhalve gekregen wat zij in eerste aanleg heeft verzocht. Gelet op vorenstaande jurisprudentie zal het hof derhalve de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.

4.4.3. In zoverre de moeder zich in hoger beroep beroept op een wilsgebrek ten aanzien van de totstandkoming van het convenant, hetzij op een wijziging van omstandigheden, overweegt het hof dat het hoger beroep zich daar niet voor leent. Daartoe zal de moeder zich opnieuw tot de rechtbank dienen te wenden. Het hof komt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep derhalve niet toe.

4.5. Het hof zal de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen compenseren, nu zij gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2007;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.