Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06/00117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft gesteld dat hij zijn handelwijze met betrekking tot de toerekening van een deel van de WAO-uitkering heeft gebaseerd op een advies dat hij heeft verkregen van de helpdesk van de Belastingdienst. Verder stelt belanghebbende dat met het volgen van de aangifte over het jaar 2001 door de Inspecteur bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zijn handelwijze als juist is aanvaard door de Inspecteur.

Voor het door de helpdesk - waarmee klaarblijkelijk de Belastingtelefoon wordt bedoeld - telefonisch verstrekte advies, dat is aan te merken als een inlichting, geldt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als is voldaan aan drie eisen:

- de eis van de juiste voorinformatie;

- de dispositie- of nadeeleis en

- de eis van niet-kenbare strijd met de wet.

Het Hof verwijst in deze naar HR 26 september 1979, nummer 19 250 (onder meer gepubliceerd in BNB 1979/311), HR 3 januari 1990, nummer 26 325 (onder meer gepubliceerd in BNB 1990/148) en HR 14 juni 2000, nummer 35 725 (onder meer gepubliceerd in BNB 2000/330).

Zoal voldaan zou zijn aan het vereiste van het verstrekken van juiste (voor)informatie, dan stuit het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel af op de dispositie- of nadeeleis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00117

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 februari 2006, nummer AWB 05/3572 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur

met betrekking tot de hierna te noemen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.975 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.636, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard en gelast dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 december 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft in 2002 een WAO-uitkering van € 21.787 genoten. Zijn echtgenote heeft in 2002 geen inkomen genoten.

2.2. Belanghebbende bewoont tezamen met zijn echtgenote het pand A-straat 6 te Y krachtens het in 1981 gevestigd zakelijk recht van gebruik van de gehele woning. Daartoe is de blote eigendom van de woning, onder voorbehoud van dit zakelijk recht, verkocht aan de kinderen van belanghebbende.

2.3. In zijn aangifte over het jaar 2002 heeft belanghebbende een gedeelte van zijn inkomen uit de WAO-uitkering, ter grootte van € 10.000, aangemerkt als negatief loon en vervolgens dit bedrag toegedeeld aan zijn echtgenote en aldus aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.668 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.636. In zijn aangifte over 2001 heeft belanghebbende op dezelfde wijze gehandeld, waarbij het aan zijn echtgenote toegerekende deel van het inkomen uit de WAO-uitkering € 8.375 bedroeg.

2.4. De Inspecteur heeft bij aanslagregeling voor het jaar 2002 het belastbaar inkomen vastgesteld met correctie van het in 2.3 weergegeven aan de echtgenote toegedeelde bedrag van € 10.000. Het verzamelinkomen is vastgesteld als volgt:

Aangegeven verzamelinkomen € 10.668

correctie aan echtgenote toebedeeld inkomen € 10.000

Meer aftrek buitengewone lasten € 1.693

€ 8.307

Vastgesteld verzamelinkomen € 18.975

Tevens heeft de Inspecteur het bedrag aan te verrekenen dividendbelasting verlaagd van € 977 naar € 666.

2.5. Bij de behandeling van het bezwaar heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de gerechtigdheid tot de woning van belanghebbende niet in box 1, doch in box 3 dient te worden aangegeven. Redengevend daartoe achtte de Inspecteur de in 2.2 vermelde gerechtigdheid tot de eigen woning. Het voordeel uit sparen en beleggen werd dientengevolge vastgesteld op € 1.636. Tevens werd de te verrekenen dividendbelasting gesteld op het aangegeven bedrag van € 977. Een en ander resulteerde voor het jaar 2002 per saldo in een hoger verzamelinkomen als vastgesteld bij aanslagregeling. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Om doelmatigheidsredenen heeft de Inspecteur afgezien van het opleggen van een navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag zou bij oplegging € 179 (30% van € 1.636,04 minus € 311 dividendbelasting) bedragen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Kan belanghebbende zijn WAO-uitkering aanmerken als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel als genoemd in artikel 2.17, lid 5, van de Wet IB 2001, tekst 2002, (hierna: de Wet) en overeenkomstig artikel 2.17, lid 2, van de Wet een deel van die WAO-uitkering toerekenen aan zijn echtgenote?

b. Bij een ontkennend antwoord op vraag a; is bij belanghebbende een rechtens te honoreren vertrouwen gewekt door de behandeling van de aangifte 2001 en de door de Belastingtelefoon gegeven inlichtingen?

c. Is de woning gelegen aan het A-straat 6 te Y voor belanghebbende aan te merken als eigen woning als genoemd in artikel 3.111 van de Wet?

d. Dient de aanslag op grond van onbehoorlijk bestuur van de Inspecteur te worden verminderd naar het door belanghebbende aangegeven inkomen?

e. Is met het geven van inlichtingen door de Belastingtelefoon, de invulling van de aangifte 2001 en het overeenkomstig die aangifte vaststellen van de aanslag over 2001 een bindende overeenkomst tot stand gekomen tussen belanghebbende en de Inspecteur waaraan de Inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 2002 gehouden is?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Mijn aangifte over 2001 is volledig gevolgd. Ik neem aan dat dit bewust is gebeurd, zodat ik voldoe aan de door de Inspecteur aangehaalde jurisprudentie;

- Voor wat betreft de door mij gestelde mondelinge overeenkomst merk ik het volgende op. Ik heb gebeld met de helpdesk van de Belastingdienst. Ik heb daarvan een advies gekregen en ik heb dat advies opgevolgd in mijn aangifte 2001. Deze aangifte is door de Inspecteur gevolgd. Hiermee is naar mijn mening een overeenkomst tot stand gekomen tussen mij en de Inspecteur. Er is naar mijn mening sprake van een rechtmatige overeenkomst;

- Ik ben misleid, indien blijkt dat de zaken anders zijn dan gepresenteerd. Ik had recht om te worden gehoord vóór het opleggen van de aanslag;

- De door de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek in hoger beroep in de slotalinea genoemde data zijn naar mijn mening fout.

De Inspecteur

- Ik persisteer volledig bij hetgeen ik reeds naar voren heb gebracht;

- De in mijn conclusie van dupliek genoemde datum van 19 oktober 2006, moet 19 oktober 2004 zijn.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van het onderdeel voor wat betreft de vergoeding van het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.668, resulterend in een teruggave van € 311.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

Nu de Inspecteur eerst in de bezwaarfase de gerechtigdheid tot de eigen woning als bestanddeel van box 1 - dan wel van box 3 - inkomen aan de orde heeft gesteld en de aanslag in de visie van de Inspecteur eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, komt de vraag op of belanghebbende belang heeft bij het onder 3.1., letter c, geformuleerde geschilpunt. Zoals hiervoor in onderdeel 2.5 is weergegeven, zou de uitspraak op bezwaar zonder deze heretikettering van de gerechtigdheid tot de eigen woning tot een teruggave hebben geleid van € 311. Belanghebbende heeft ter zake derhalve een belang.

4.1. Met betrekking tot het antwoord op de onder 3.1., letter a, genoemde vraag overweegt het Hof het volgende. Artikel 2.17, lid 1, van de Wet bepaalt dat de inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking worden genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie zij drukken. Een uitzondering op deze regel wordt in artikel 2.17, lid 2, van de Wet gemaakt voor de zogenoemde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Deze gemeenschappelijke inkomensbestanddelen worden geacht bij de belastingplichtige en zijn partner op te komen in de verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van de aangifte kiezen.

4.2. Artikel 2.17, lid 5, van de Wet somt de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen limitatief op. Tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen worden aldus gerekend:

a. belastbare inkomsten uit eigen woning;

b. de uitgaven voor kinderopvang;

c. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;

d. de persoonsgebonden aftrek.

4.3. De door belanghebbende genoten WAO-uitkering behoort tot het belastbaar loon en maakt daarmee geen onderdeel uit van de in artikel 2.17, lid 5, van de Wet genoemde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. De WAO-uitkering komt daarmee niet in aanmerking voor de vrije inkomenstoerekening als genoemd in artikel 2.17, lid 2, van de Wet.

4.4. Op grond van het vorenstaande moet de onder 3.1., letter a, genoemde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.5. Met betrekking tot het antwoord op de onder 3.1., letter b, genoemde vraag overweegt het Hof het volgende.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij zijn handelwijze met betrekking tot de toerekening van een deel van de WAO-uitkering heeft gebaseerd op een advies dat hij heeft verkregen van de helpdesk van de Belastingdienst. Verder stelt belanghebbende dat met het volgen van de aangifte over het jaar 2001 door de Inspecteur bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zijn handelwijze als juist is aanvaard door de Inspecteur.

Voor het door de helpdesk - waarmee klaarblijkelijk de Belastingtelefoon wordt bedoeld - telefonisch verstrekte advies, dat is aan te merken als een inlichting, geldt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als is voldaan aan drie eisen:

- de eis van de juiste voorinformatie;

- de dispositie- of nadeeleis en

- de eis van niet-kenbare strijd met de wet.

Het Hof verwijst in deze naar HR 26 september 1979, nummer 19 250 (onder meer gepubliceerd in BNB 1979/311), HR 3 januari 1990, nummer 26 325 (onder meer gepubliceerd in BNB 1990/148) en HR 14 juni 2000, nummer 35 725 (onder meer gepubliceerd in BNB 2000/330).

Zoal voldaan zou zijn aan het vereiste van het verstrekken van juiste (voor)informatie, dan stuit het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel af op de dispositie- of nadeeleis.

Bij deze eis is het van belang vast te stellen of belanghebbende de onjuistheid van de inlichting niet had behoeven te beseffen en tevens dat hij geconfronteerd wordt met het feit, dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting en heffingsrente heeft te betalen, maar daarenboven schade leidt, doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij schade heeft geleden door de door hem geleden ellende en slapeloze nachten. Met deze stelling heeft belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, niet aannemelijk gemaakt dat hij - naast de wettelijk verschuldigde belasting en heffingsrente - schade of nadeel heeft geleden in de zin van het hier gebezigde dispositie- of nadeelvereiste.

Voor wat betreft het antwoord op de vraag of aan de eis van niet-kenbare strijd met de wet is voldaan, is het Hof van oordeel dat de wettelijke regeling ter zake van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de toerekening daarvan overzichtelijk is. Het Hof is daarom van oordeel dat de aan belanghebbende verstrekte inlichtingen zodanig in strijd zijn met de wet dat belanghebbende niet op de verstrekte inlichtingen mocht vertrouwen.

4.6. Door belanghebbende is gesteld dat met het volgen van zijn aangifte over het jaar 2001 bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zijn handelwijze door de Inspecteur expliciet is goedgekeurd.

De Inspecteur heeft, onweersproken, gesteld dat de aangifte 2001 van belanghebbende een verzorgde aangifte betrof, waaraan de Inspecteur in redelijkheid niet behoefde te twijfelen. Belanghebbende had de vraag ter zake van de toerekening van de WAO-uitkering niet op een bijlage gesteld en ook vooraf niet schriftelijk gevraagd naar een standpuntbepaling in deze. Het door belanghebbende in de aangifte vermelden als negatief loon van het aan zijn echtgenote toegerekende deel van de WAO-uitkering, kan niet als zodanig worden opgevat. Op grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de aanslag over het jaar 2001 berustte op een weloverwogen standpuntbepaling door de Inspecteur en dat bij belanghebbende sprake is van een in rechte te honoreren vertrouwen.

4.7. Op grond van het vorenstaande moet de onder 3.1., letter b, genoemde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.8. Met betrekking tot het antwoord op de onder 3.1., letter c, genoemde vraag overweegt het Hof het volgende. Vaststaat dat de woning gelegen aan het A-straat 6 te Y belanghebbende ter beschikking staat krachtens een zakelijk recht van gebruik, welk recht niet krachtens erfrecht is verkregen. Gelet op het bepaalde in artikel 3.111, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet is derhalve geen sprake van een eigen woning als bedoeld in afdeling 3.6 van de Wet. Op grond hiervan moet de onder 3.1., letter c, genoemde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.9. Met betrekking tot het antwoord op de onder 3.1., letter d, genoemde vraag overweegt het Hof het volgende.

Belanghebbende klaagt er over dat de Inspecteur zijn bezwaarschrift slordig heeft behandeld, door hem - op verzoek van de Inspecteur - overgelegde stukken heeft zoekgemaakt zodat belanghebbende dezelfde stukken nogmaals moest overleggen, de lange termijn van afhandeling van het bezwaarschrift en belanghebbende voor het opleggen van de aanslag niet is gehoord. Belanghebbende is van mening dat op grond hiervan sprake is van onbehoorlijk bestuur van de Inspecteur. Belanghebbende verbindt hieraan het gevolg dat de aanslag moet worden verminderd naar het door hem in de aangifte opgegeven inkomen.

Deze grieven kunnen belanghebbende niet baten aangezien de door belanghebbende gestelde omstandigheden - wat daar ook van zij - niet kunnen leiden tot het door belanghebbende gewenste gevolg.

Op grond hiervan moet de onder 3.1., letter d, genoemde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.10. Met betrekking tot het antwoord op de onder 3.1., letter e, genoemde vraag overweegt het Hof het volgende.

Voor het bestaan van een overeenkomst moet sprake zijn van een aanbod en aanvaarding van dat aanbod. Het indienen van een aangifte inkomstenbelasting kan niet worden aangemerkt als een aanbod in deze zin. Het indienen van een aangifte is het voldoen aan een wettelijke verplichting. Om deze reden is het Hof van oordeel dat met het doen van de aangifte 2001 en het opleggen van de aanslag over 2001 geen overeenkomst tussen belanghebbende en de Inspecteur tot stand is gekomen.

Op grond hiervan moet de onder 3.1., letter e, genoemde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard, en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem voor dit hoger beroep betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 mei 2008 door J.W.J. Huige, voorzitter, G.J. van Muijen en J.G. Verseput, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.