Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5804

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
HD 103.003.321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is voorshands van oordeel dat een aanvullende expertise van Van Eyk en/of Frenken, aan de hand van de door [geïntimeerde] te verstrekken nadere inlichtingen, noodzakelijk zal zijn. Voordat daartoe kan worden overgegaan dient [geïntimeerde] die nadere inlichtingen echter te verschaffen, zodat de vraagstelling aan de deskundigen daarop kan worden toegespitst. Het hof zal bepalen dat [geïntimeerde] alle beschikbare medische informatie over de tien jaren voorafgaand aan het ongeval in deze procedure bekend dient te maken. In overeenstemming met hetgeen omtrent het verstrekken van medische gegevens in een gerechtelijke procedure is overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (R06/166HR, LJN: BB3676) zal het hof bepalen dat [geïntimeerde] deze medische informatie dient te verstrekken aan de medisch adviseur van Fortis. De omstandigheid dat haar huidige en vorige huisartsen hun informatie kennelijk niet meer beschikbaar hebben - zoals blijkt uit producties 129 en 131 bij mva/incidenteel appel - staat er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] bij andere behandelaars en instanties waarmee zij in die jaren te maken heeft gehad, informatie opvraagt. Het betreft, voor de duidelijkheid, in elk geval informatie over haar heroïneverslaving, eetstoornis, longaandoening, en de achtergrond van haar verblijf in een opvanghuis. Over haar jeugd zal [geïntimeerde] te zijner tijd de medische deskundigen op hun verzoek volledig moeten inlichten.

Het hof zal thans eerst aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekken zoals in r.o. 6.1.4 en 6.1.5 aangegeven. Bij memorie na enquête kan [geïntimeerde] vervolgens mededelen of zij medische inlichtingen aan de medisch adviseur van Fortis heeft verstrekt, zoals in r.o. 6.4.5 overwogen.

Nadat [appellante] daarop bij antwoordmemorie heeft kunnen reageren zal het hof in een volgende uitspraak beoordelen of [geïntimeerde] in haar bewijsopdracht omtrent de toedracht is geslaagd, waarna het hof zal kunnen beoordelen of het inderdaad zinvol is een nadere medische expertise te vragen aan de hand van de nieuwe informatie over de medische voorgeschiedenis van [geïntimeerde] (zie ook r.o. 6.4.5 van dit arrest). De deskundige(n) kunnen dan tevens rekening houden met hetgeen het hof over de toedracht van het ongeval zal hebben vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. RS

rolnr. HD 103.003.321

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 13 mei 2008,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE],

gevestigd te [plaats],

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 6 december 2005,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. T.P.M. Kouwenaar,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 7 september 2005 tussen principaal appellante - [appellante] - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 134214/HA ZA 04-1079)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij exploot van 23 maart 2006 heeft de procureur van [geïntimeerde] de procureur van [appellante] opgeroepen om bij vervroeging te verschijnen ter zitting van het hof van 4 april 2006.

2.2. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van twee producties negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde].

2.3. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van 50 producties de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd kort gezegd, tot bevestiging van het vonnis voor wat betreft de veroordeling van [appellante] om aan [geïntimeerde] alle schade als gevolg van het ongeval van 14 januari 1999 te vergoeden, op te maken bij staat, en tot vernietiging van het vonnis terzake de afwijzing van de provisionele vordering en, opnieuw rechtdoende, [appellante] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen de som van EUR 20.000,-- terzake van een voorschot op de door [geïntimeerde] tengevolge van het ongeval geleden immateriële schade, alsmede te betalen een bedrag van EUR 6.979,95 wegens buitengerechtelijke kosten met rente, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.

2.3. [appellante] heeft in incidenteel appel geantwoord, drie producties overgelegd en een akte uitlating producties genomen.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

3.1. Grief I van [appellante] betreft de toedracht van het ongeval. Grief II betreft het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van de deskundigen Van Eyk en Frenken tot uitgangspunt worden genomen en de grieven III, IV, V en VI betreffen de klachten en beperkingen van [geïntimeerde] en het causaal verband tussen het ongeval en de klachten. In de grieven VII en VIII stelt [appellante] de psychische predispositie van [geïntimeerde] en het tweede ongeval aan de orde.

Met grief IX doet [appellante] een beroep op art. 612 Rv met een verzoek aan het hof om de schade zelf vast te stellen.

3.2. De eerste incidentele grief heeft betrekking op de afwijzing van de provisionele vordering van [geïntimeerde] voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schadevergoeding en de tweede op de afwijzing van de provisionele vordering die betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten over de periode 18 december 2001 tot 11 december 2002 alsmede de kosten betreffende het kort geding.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.2. [appellante] exploiteert een filiaal van Karwei, een handel in bouwmaterialen, te [plaats].

4.1.3. Op 14 januari 1999 is [geïntimeerde], geboren op [1963], in dat filiaal een ongeval overkomen, waarbij een of meerdere houten balken of balkjes op haar hoofd, nek en schouders zijn gevallen. [appellante] heeft aansprakelijkheid voor de (eventuele) gevolgen van dit ongeval erkend.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van [appellante] is Fortis Corperate Insurance N.V. (verder: Fortis).

4.1.4. Op 26 augustus 1999 is [geïntimeerde] opnieuw een ongeval overkomen, doordat zij bij het verlaten van een parkeervak met haar auto in botsing is gekomen met een andere auto.

4.1.5. In het kader van de aansprakelijkstelling zijn omtrent [geïntimeerde] de navolgende medische rapporten opgemaakt:

- op gemeenschappelijk initiatief van partijen heeft B.J. van Eyk, psychiater (verder: Van Eyk), [geïntimeerde] op 13 februari 2002 onderzocht. Van Eyk heeft daarvan een rapport d.d. 10 maart 2002 opgemaakt.

- eveneens op gemeenschappelijk initiatief is [geïntimeerde] onderzocht door dr. C.W.G.M. Frenken, neuroloog (verder: Frenken) op 21 mei 2002. Het daarvan opgemaakte rapport dateert van 30 mei 2002.

- op verzoek van Van Eyk heeft drs. M.A.P. De Jong, psycholoog (verder: De Jong), [geïntimeerde] op 29 april 2003 onderzocht en daarvan op diezelfde datum een rapport opgemaakt.

- wederom op gemeenschappelijk initiatief heeft Van Eyk [geïntimeerde] op 20 juni 2003 aanvullend onderzocht en daarvan een rapport gemaakt d.d. 20 juni 2003.

4.1.6. Fortis stelt dat zij aan [geïntimeerde] in totaal een bedrag van EUR 40.362,70 aan voorschotten heeft betaald (mva in incidenteel appel sub 21).

4.1.7. In juni 2002 heeft [geïntimeerde] in kort geding van [appellante] een voorschot op de kosten van huishoudelijke hulp en smartengeld gevorderd. Deze procedure is geëindigd met een dading ter zitting van 25 juni 2002, waarbij [appellante] tot het einde van dat jaar de huishoudelijke hulp zou bevoorschotten en een voorschot terzake kosten van rechtsbijstand zou betalen, waartegenover [geïntimeerde] de mogelijkheden zou onderzoeken van een persoonsgebonden budget en huishoudelijke hulp via thuiszorg. Fortis is na het tweede kwartaal van 2002 gestopt met de bevoorschotting onder meer omdat [geïntimeerde] de gemaakte afspraken niet nakwam.

5.1. [geïntimeerde] heeft [appellante] bij exploot van 8 juni 2004 gedagvaard en gevorderd

I bij wege van provisionele voorziening [appellante] te veroordelen tot betaling van

- een voorschot van EUR 5000,-- wegens materiële schade (huishoudelijke hulp),

- een voorschot van EUR 20.000,-- wegens immateriële schade,

- een bedrag van EUR 6.979,95 wegens buitengerechtelijke kosten terzake rechtsbijstand, medische expertise en advisering,

alles vermeerderd met wettelijke rente,en

II [appellante] te veroordelen tot betaling van alle schade die [geïntimeerde] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 14 januari 1999, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5.2. De rechtbank heeft, ondanks verweer van [appellante] dat er slechts een kort balkje van 4 bij 7 cm is gevonden op de plaats van het ongeval, aangenomen dat [geïntimeerde] in het filiaal van [appellante] is getroffen door op haar hoofd, nek en schouders vallend zwaar houten materiaal.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de door [geïntimeerde] gestelde klachten en beperkingen - een chronisch geworden pijnsyndroom, waarvan de klachten haar hele leven beïnvloeden - de bevindingen van Van Eyk en Frenken tot uitgangspunt genomen. Verder heeft de rechtbank aangenomen dat de klachten van [geïntimeerde] reëel en niet voorgewend of overdreven zijn. Dat brengt mee, aldus de rechtbank, dat niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het door [geïntimeerde] te leveren bewijs van het causale verband tussen het ongeval en de klachten. Het bewijs van het causale verband is volgens de rechtbank door de oordelen van de deskundigen Van Eyk en Frenken geleverd. Een (eventueel) vóór het ongeval bij [geïntimeerde] al bestaand psychisch conflict speelt geen rol aangezien in geval van letsel aan de aansprakelijke partij geen beroep toekomt op een bepaalde predispositie van het slachtoffer. Het standpunt omtrent de gevolgen van het tweede ongeval van [geïntimeerde] heeft [appellante] volgens de rechtbank niet gehandhaafd zodat de rechtbank daaraan voorbij is gegaan. De vraag of er bij [geïntimeerde] ook al preëxistente klachten waren heeft de rechtbank in het midden gelaten nu verwijzing naar de schadestaatprocedure was gevorderd en de mogelijkheid van schade door het ongeval van 14 januari 1999 voldoende aannemelijk was.

De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld tot vergoeding aan [geïntimeerde] van alle schade die [geïntimeerde] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden door het ongeval van 14 januari 1999, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De provisionele vordering is afgewezen omdat de rechtbank onvoldoende aannemelijk achtte dat de totale schade van [geïntimeerde] door het ongeval hoger zou zijn dan hetgeen reeds aan voorschotten was betaald.

6.1.1. In de eerste grief bestrijdt [appellante] de aanname van de rechtbank dat [geïntimeerde] is getroffen door een zwaar pakket houten tuinmateriaal.

Het hof overweegt daarover het volgende.

6.1.2. In de aansprakelijkstelling van 18 februari 1999 en in de inleidende dagvaarding stelt [geïntimeerde] dat zij is getroffen door (een pakket) zwaar houten tuinmateriaal. Bij brief van 11 maart 1999 heeft Fortis erkend dat er "iets van hout" op [geïntimeerde] is terechtgekomen, maar dat er nog enige onduidelijkheid bestaat over de vraag of het slechts een balkje of een groter, zwaarder pakket betrof.

In de dagvaarding en de pleitnota van het kort geding in juni 2002 stelt [geïntimeerde] opnieuw dat zij getroffen is door een pakket zwaar houten tuinmateriaal, vanaf een hoogte van 2 tot 2 1/2 meter. [appellante] heeft van haar kant toen gesteld dat [geïntimeerde] op 14 januari 1999 "iets op haar hoofd/schouders" heeft gekregen op het terrein van Karwei.

[persoon 1], directeur van [appellante] (ten tijde van het ongeval vestigingsmanager van het betreffende filiaal van Karwei) stelt in zijn schriftelijke verklaring van 10 juli 2002 (prod. 1 mvgr) dat hij het ongeval niet heeft gezien, maar met zekerheid kan verklaren dat [geïntimeerde] géén zwaar pakket hout op haar hoofd/nek heeft gekregen en als zij al iets op het hoofd heeft gehad, dat dat dan een balkje is geweest van 4x7 cm, maximaal 200 cm lang.

Bij brief van 18 december 2003 heeft Andriessen en Geurst expertises B.V. (verder: Andriessen en Geurst) namens Fortis aan de advocaat van [geïntimeerde] bericht dat [geïntimeerde] volgens [appellante] niet is getroffen door een pakket balkhout maar door een kort balkje.

[appellante] heeft in hoger beroep gesteld (mvgr 9-12) dat er geen getuigen zijn van het ongeval, dat een medewerker van Karwei op de betreffende plek op de grond een balkje van 4x7 cm heeft gevonden, en dat bij de betreffende plek stellingen stonden waarin de balken los van elkaar in verschillende lengtes van maximaal 200 cm werden aangeboden.

6.1.3. Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat [appellante] haar recht zou hebben verwerkt om de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval te betwisten, dan wel van dat recht afstand zou hebben gedaan. Zoals uit de vorige rechtsoverweging blijkt heeft [appellante] immers een aantal malen laten blijken dat zij de door [geïntimeerde] gestelde toedracht niet onderschrijft. [geïntimeerde] heeft verder niets gesteld, en er is niets gebleken, waaruit rechtsverwerking of afstand van recht door [appellante] zou kunnen worden afgeleid. Er is evenmin aanleiding af te wijken van de hoofdregel, dat de bewijslast omtrent de toedracht rust op [geïntimeerde].

6.1.4. Bij conclusie van repliek (sub 3) heeft [geïntimeerde] omtrent de toedracht van het ongeval gesteld, dat het ging om een bouwpakket voor een pergola of rozenboog/hekwerk op in de buitenlucht geplaatste stellingen. Zij stelt dat zij werd geassisteerd door een medewerker van Karwei die op een stelling stond en een pakket van de eerste of tweede schap of etage pakte. [geïntimeerde] pakte het pakket aan van de medewerker en hoorde nog roepen: "kijk uit, er valt wat naar beneden". Dat was een pakket van de naastgelegen schap of etage. Het zware langwerpige pakket hout kwam op het bovenlichaam van [geïntimeerde] terecht. Zij viel tegen de grond en kon aanvankelijk niet lopen, niet goed meer zien, ze moest veel huilen en had meteen veel pijn. Ze kon slechts moeizaam praten, was duizelig en misselijk en kreeg een dik/opgezet gezicht. Na even te hebben gerust is [geïntimeerde] met behulp van haar echtgenoot naar de eerste hulpafdeling van het Twee Stedenziekenhuis gereden.

6.1.5. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] deze lezing in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Nu [appellante] deze toedracht echter gemotiveerd betwist rust op [geïntimeerde] de last de door haar gestelde toedracht te bewijzen. Het hof zal haar daartoe overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten.

In afwachting van het resultaat daarvan wordt de verdere behandeling van grief I in het principaal hoger beroep aangehouden.

6.2. De tweede grief in het principaal hoger beroep slaagt in zoverre dat uit inmiddels nader gebleken medische informatie is gebleken dat Van Eyk en Frenken bij hun onderzoek niet over volledige gegevens beschikten, aangezien [geïntimeerde] over een aantal relevante aspecten in de anamnese daarover heeft gezwegen. Na het vonnis heeft [geïntimeerde] op verzoek van [appellante] alsnog enige informatie over haar medische en psychosociale situatie van vóór het ongeval verstrekt, die tevoren niet bekend was. Zo hebben Van Eyk en Frenken geen rekening kunnen houden met, en dus geen navraag gedaan naar, aspecten als (mogelijk) misbruik, heroïneverslaving, anorexia nervosa en CARA. Dat brengt mee dat de antwoorden van Van Eyk en Frenken op vragen naar het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [geïntimeerde], en causaal verband met mogelijke andere omstandigheden, in een ander licht komen te staan.

De bevindingen van Van Eyk en Frenken, die op gezamenlijk initiatief van partijen tot stand zijn gekomen, zijn dus zeker nog van belang, maar zijn onvolledig gebleken.

6.3. Het hof zal nu eerst grief IX behandelen.

Daaromtrent oordeelt het hof dat deze grief in zoverre slaagt dat het hof de vordering tot het opmaken van schade bij staat niet zal toewijzen, aangezien de schade in de onderhavige procedure kan worden vastgesteld. In het rapport van Van Eyk van 20 juni 2003 wordt immers vermeld dat de eindtoestand tengevolge van het ongeval is bereikt. Er is dan geen aanleiding partijen te verwijzen naar nog weer een nieuwe procedure.

6.4.1. Met betrekking tot het causale verband tussen de klachten van [geïntimeerde] en het ongeval overweegt het hof het navolgende.

[geïntimeerde] heeft onder meer met een beroep op HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433 betoogt dat (ook) in het onderhavige geval geen al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijke verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten mogen worden gesteld. De rechtbank heeft deze stelling in r.o. 3.11 t/m 3.16 van het bestreden vonnis overgenomen en overwogen dat het er om gaat of de klachten reëel en niet voorgewend of overdreven zijn.

6.4.2. Het hof deelt die opvatting evenwel niet.

In de eerste plaats gaat het hier niet in de eerste plaats, zoals in de zaak HR 8 juni 2001, om de realiteit van de klachten van [geïntimeerde] - die Fortis overigens niet zonder meer aanvaardt. Het gaat er hier om dat het causale verband tussen die klachten en het ongeval in discussie is, gelet op het medische en psychosociale verleden van [geïntimeerde] en gelet op een tweede ongeval in augustus 1999.

In de tweede plaats is niet onbelangrijk dat het in de zaak HR 8 juni 2001 ging om een (post)whiplashletsel, een aandoening waarvoor strikt medisch niet altijd een volledige verklaring aanwezig is maar waarvan wel bekend is dat het met bepaalde verschijnselen gepaard pleegt te gaan. In een zodanig geval mogen de eisen die aan het bewijs van oorzakelijk verband gesteld worden niet al te hoog zijn, zo overwoog het hof in die zaak.

In het onderhavige geval is echter geen sprake van een (post)whiplashletsel of van een andere aandoening met een redelijk bekend aantal verschijnselen, maar van een hoeveelheid specifieke klachten van [geïntimeerde] waarover Van Eyk en Frenken hebben geoordeeld dat zij dat vanuit hun vakgebied niet helemaal kunnen verklaren. In zo'n geval is er geen aanleiding om niet de normale eisen te stellen aan het bewijs van het causaal verband van de klachten met het ongeval.

6.4.3. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat is gebleken dat [geïntimeerde] de, door partijen gezamenlijk aangezochte, medisch deskundigen onjuist en onvolledig heeft ingelicht. Los van de vraag of, en welk, gevolg dat heeft voor de huidige situatie van [geïntimeerde] had zij de deskundigen behoren in te lichten over haar (vroegere) heroïneverslaving, haar (vroegere) eetstoornissen, het verloop van haar longaandoening, de achtergrond van haar verblijf in een opvanghuis na haar echtscheiding, en de situatie in haar jeugd waarover de huisarts op een gegeven moment heeft genoteerd dat [geïntimeerde] als kind was misbruikt door haar vader, die gokverslaafd was. Ook als [geïntimeerde] zich thans op het standpunt stelt dat deze vermeldingen feitelijk onjuist zijn is zij gehouden toe te lichten hoe deze gegevens op de kaart van de huisarts zijn terechtgekomen.

Deze omstandigheden zijn immers relevant voor de vraag of en in welke mate de huidige klachten van [geïntimeerde] zijn toe te schrijven aan het ongeval van 14 januari 1999. De thans gebleken omstandigheden uit het verleden van [geïntimeerde] kunnen hebben bijgedragen tot het huidige klachtenpatroon van [geïntimeerde]. Die mogelijkheid dient door de deskundigen te worden onderzocht. [appellante] kan niet (volledig) aansprakelijk gehouden worden voor gevolgen die niet kunnen worden toegeschreven aan het ongeval van 14 januari 1999 maar ook zonder dat ongeval zouden zijn ontstaan (of in een bepaalde mate zouden zijn ontstaan). Het feit dat rekening wordt gehouden met omstandigheden van [geïntimeerde] van vóór het ongeval betekent niet dat miskend zou worden dat [appellante] haar slachtoffer "moet nemen zoals hij/zij is". Dat gaat op als door een bepaalde (extra kwetsbare) gesteldheid van [geïntimeerde] de gevolgen van het ongeval bij haar zwaarder aankomen dan bij een gemiddeld slachtoffer, maar niet als zich in het leven van [geïntimeerde] situaties hebben voorgedaan die de klachten van [geïntimeerde], ook los van het ongeval, hebben veroorzaakt.

6.4.4. [geïntimeerde] dient derhalve te bewijzen dat haar huidige klachten het gevolg zijn van het ongeval op 14 januari 1999. Het hof ziet geen aanleiding de vordering van [geïntimeerde] thans direct af te wijzen op grond dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met art. 21 Rv. Evenmin kan thans reeds met zekerheid worden gezegd dat [geïntimeerde] in elk geval niet méér schade heeft dan met het bedrag dat als bevoorschotting is uitgekeerd, al is vergoed. Het hof zal [geïntimeerde] nog een keer de gelegenheid geven de ontbrekende inlichtingen en gegevens aan te vullen. Zou de alsnog te verstrekken informatie wederom onjuist of onvolledig blijken te zijn, dan kan het hof daaraan zo nodig in een later stadium alsnog consequenties verbinden.

6.4.5. Het hof is voorshands van oordeel dat een aanvullende expertise van Van Eyk en/of Frenken, aan de hand van de door [geïntimeerde] te verstrekken nadere inlichtingen, noodzakelijk zal zijn. Voordat daartoe kan worden overgegaan dient [geïntimeerde] die nadere inlichtingen echter te verschaffen, zodat de vraagstelling aan de deskundigen daarop kan worden toegespitst. Het hof zal bepalen dat [geïntimeerde] alle beschikbare medische informatie over de tien jaren voorafgaand aan het ongeval in deze procedure bekend dient te maken. In overeenstemming met hetgeen omtrent het verstrekken van medische gegevens in een gerechtelijke procedure is overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (R06/166HR, LJN: BB3676) zal het hof bepalen dat [geïntimeerde] deze medische informatie dient te verstrekken aan de medisch adviseur van Fortis. De omstandigheid dat haar huidige en vorige huisartsen hun informatie kennelijk niet meer beschikbaar hebben - zoals blijkt uit producties 129 en 131 bij mva/incidenteel appel - staat er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] bij andere behandelaars en instanties waarmee zij in die jaren te maken heeft gehad, informatie opvraagt. Het betreft, voor de duidelijkheid, in elk geval informatie over haar heroïneverslaving, eetstoornis, longaandoening, en de achtergrond van haar verblijf in een opvanghuis. Over haar jeugd zal [geïntimeerde] te zijner tijd de medische deskundigen op hun verzoek volledig moeten inlichten.

6.4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven III en VII slagen.

De grieven IV, V en VI worden voorlopig aangehouden.

Het hof merkt met betrekking tot de grieven V en VI nog op dat het feit dat Van Eyk in zijn rapport van 20 juni 2003 geen beperkingen en geen blijvende functionele invaliditeit als ongevalgevolg noemt, nog niet zonder meer nu reeds kan leiden tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde]. Naast materiële schade is immers ook immateriële schade gevorderd, terwijl bovendien de medische expertise nog zal moeten worden aangevuld aan de hand van de nieuwe gegevens zodat deze rapportages nog niet als definitief beschouwd kunnen worden.

6.5.1. [appellante] heeft verder aangevoerd dat het ongeval dat [geïntimeerde] op 26 augustus 1999 is overkomen de klachten van [geïntimeerde] zelfstandig kan hebben veroorzaakt, althans heeft verergerd, zodat het causale verband tussen de klachten en het ongeval van 14 januari 1999 is doorbroken.

Omtrent dit ongeval staat vast dat [geïntimeerde] bij het achteruitrijden uit een parkeervak op een parkeerterrein tegen een stilstaande auto is gebotst.

De behandelend neuroloog van [geïntimeerde], dr. E.A.C.M. Sanders (verder: Sanders) heeft hierover in zijn brief van 22 maart 2001 aan de medisch adviseur van de raadsman van [geïntimeerde] bericht dat het klachtenpatroon op dat moment niet veel anders is dan in de periode tussen 14 januari 1999 en 26 augustus 1999, zodat het merendeel van het huidige klachtenpatroon gerelateerd moet worden aan het ongeval van 14 januari 1999. Sanders signaleert alleen een verergering van klachten na 26 augustus 1999.

6.5.2. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanwijzingen dat dit tweede ongeval tot (blijvende) extra klachten of tot een (blijvende) verergering van bestaande klachten bij [geïntimeerde] heeft geleid. Van Eyk, die blijkens zijn eerste rapport van 10 maart 2002 bekend was met het ongeval van 26 augustus 1999 (blz. 1), beantwoordt in zijn rapport van 20 juni 2003 de vraag of de huidige klachten en afwijkingen het gevolg zijn van het ongeval van 14 januari 1999 of dat daarbij nog andere factoren een rol spelen, met "Zonder het ongeval was dit beeld niet ontstaan."

Ook Frenken was bekend met het latere ongeval van 26 augustus 1999, maar heeft niet vermeld dat dit tot nieuwe of zwaardere bevindingen op neurologisch gebied heeft geleid.

Het hof oordeelt derhalve dat dit voorval de causaliteit tussen de klachten en het ongeval van 14 januari 1999 - voor zover deze causaliteit te zijner tijd zal worden vastgesteld - niet heeft doorbroken.

Grief VIII wordt mitsdien verworpen.

6.6. Met betrekking tot de incidentele grieven overweegt het hof dat nu ten eerste de precieze toedracht van het ongeval nog niet vaststaat en ten tweede het causaal verband tussen de klachten en het ongeval aan de hand van nader door [geïntimeerde] te verstrekken informatie opnieuw moet worden beoordeeld, er geen aanleiding is om aan [geïntimeerde] thans bij wege van provisionele voorziening een voorschot op het door haar gevorderde smartengeld en gemaakte kosten toe te kennen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] ter zake smartengeld en kosten reeds enig bedrag heeft ontvangen. Nu niet te verwachten is dat eerder zicht zal bestaan op de hoogte van een (eventueel) aan [geïntimeerde] toekomend smartengeld en vergoeding van buitengerechtelijke kosten dan op het moment dat een eindoordeel over de totale schade kan worden gegeven, heeft de rechtbank de provisionele vordering terecht afgewezen en zal ook het hof de provisionele vordering afwijzen.

De grieven in incidenteel appel worden derhalve verworpen.

6.7. Het hof zal thans eerst aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekken zoals in r.o. 6.1.4 en 6.1.5 aangegeven. Bij memorie na enquête kan [geïntimeerde] vervolgens mededelen of zij medische inlichtingen aan de medisch adviseur van Fortis heeft verstrekt, zoals in r.o. 6.4.5 overwogen.

Nadat [appellante] daarop bij antwoordmemorie heeft kunnen reageren zal het hof in een volgende uitspraak beoordelen of [geïntimeerde] in haar bewijsopdracht omtrent de toedracht is geslaagd, waarna het hof zal kunnen beoordelen of het inderdaad zinvol is een nadere medische expertise te vragen aan de hand van de nieuwe informatie over de medische voorgeschiedenis van [geïntimeerde] (zie ook r.o. 6.4.5 van dit arrest). De deskundige(n) kunnen dan tevens rekening houden met hetgeen het hof over de toedracht van het ongeval zal hebben vastgesteld.

6.8. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

7. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

draagt aan [geïntimeerde] op de door haar gestelde toedracht van het ongeval op 14 januari 1999 te bewijzen, zoals in r.o. 6.1.4 nader omschreven;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. De Groot-van Dijken als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 mei 2008 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [geïntimeerde] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Keizer en Wabeke uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 13 mei 2008.