Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5693

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
05/00591
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een wettelijke regeling ingevolge welke tegen een bepaald besluit al dan niet een rechtsmiddel openstaat, is van openbare orde. Een dergelijke regeling kan niet op grond van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter zijde worden gesteld. Dit betekent dat aan belanghebbende niet op grond van het vertrouwensbeginsel een rechtsmiddel kan worden toegekend dat haar volgens de wet niet toekomt. Verder merkt het Hof op dat rechterlijke beslissingen niet vatbaar zijn voor toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/52.26 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 05/00591

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

- op het hoger beroep van

mevrouw X te Y

hierna belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Breda (hierna ook: de Rechtbank) van 25 oktober 2005, nummer AWB 05/02337, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Douane Zuid van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur, alsmede

- op het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 4 maart 2005 is aan belanghebbende op haar verzoek een vrijstelling Belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) verleend onder nummer XX0000000000. Bij besluit van 3 juni 2005 (genummerd XX1111111111) is de vrijstelling ingetrokken.

1.2. Belanghebbende is tegen dat besluit bij brief d.d. 27 juni 2005, ter inspectie binnengekomen daags daarna, in bezwaar gekomen. Bij uitspraak, gedagtekend 30 september 2005, heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Voorafgaande aan de uitspraak op het bezwaarschrift heeft belanghebbende bij brief d.d. 7 juli 2005 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, onder meer strekkende tot, kort gezegd, ongedaanmaking van voormelde intrekking.

1.4. Tijdens het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter, gehouden op 11 oktober 2005, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de in 1.2 vermelde uitspraak d.d. 30 september 2005.

1.5. De voorzieningenrechter heeft in zijn mondelinge uitspraak van 25 oktober 2005, oordelende dat een spoedeisend belang aanwezig was en oordelende dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. In de uitspraak is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en is het beroep tegen de uitspraak d.d. 30 september 2005 ongegrond verklaard.

1.6. Tegen de in 1.5 vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het betreffende faxbericht, ter behoud van rechten, is op 12 december 2005 bij het Hof binnengekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 103. De Inspecteur heeft, nadat belanghebbende in op 5 januari 2006 en 24 juli 2006 bij het Hof binnengekomen brieven het beroep nader had gemotiveerd, een verweerschrift ingediend.

1.7. Het verweerschrift is op 10 oktober 2006 bij het Hof binnengekomen. In het verweerschrift heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van de mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen. Het verweerschrift is in afschrift doorgezonden aan belanghebbende, om op het incidenteel hoger beroep te reageren. Belanghebbende heeft bij brief d.d. 18 november 2006 voorzien van twee bijlagen, bij het Hof binnengekomen op 21 november daarna, op het verweerschrift gereageerd. Die reactie is op 21 november 2006 doorgezonden aan de Inspecteur.

1.8. Bij brief d.d. 18 april 2007 zijn partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 28 juni 2007. Bij brief d.d. 1 mei 2007 heeft het Hof partijen bericht dat die mondelinge behandeling om organisatorische redenen geen doorgang kon vinden.

1.9. Bij brief d.d. 31 augustus 2007 zijn partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 4 oktober 2007. Wegens verhindering van belanghebbende heeft het Hof de mondelinge behandeling uitgesteld. Het Hof heeft partijen daarover bij brief d.d. 24 september 2007 geïnformeerd.

1.10. Het onderzoek ter zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Ter zitting zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

1.11. Belanghebbende heeft vóór de zitting bij brief d.d. 22 november 2007 een pleitnota met drie bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De pleitnota met bijlagen rekent het Hof tot de stukken van het geding.

1.12. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Belanghebbende heeft ter zitting een aanvullende pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Ook de aanvullende pleitnota rekent het Hof tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende vervulde in 2005 een dienstbetrekking bij wijnhandel A in B (Duitsland). Ook belanghebbendes gemachtigde, tevens echtgenoot van belanghebbende, was in wijnhandel A werkzaam. Belanghebbende woonde met haar gezin in Y (Nederland).

2.2. Op 4 maart 2005 is aan belanghebbende op haar verzoek een vrijstelling BPM verleend onder nummer XX0000000000. Deze vrijstelling (hierna: de vrijstelling)is verleend op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. De vrijstelling betrof de personenauto van het merk Volvo, type V50, voorzien van een Duits kenteken (---------)(hierna: de auto). Bij besluit van 3 juni 2005 is de vrijstelling ingetrokken. In de brief is onder meer vermeld dat "dit een voor bezwaar vatbare beschikking (is)".

2.3. Belanghebbende is bij brief d.d. 27 juni 2005 tegen evengemeld besluit in bezwaar gekomen. Bij de in 1.2 vermelde uitspraak d.d. 30 september 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief d.d. 7 juli 2005, voorafgaande aan de uitspraak d.d. 30 september 2005, heeft belanghebbende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot onder meer ongedaanmaking van voormelde intrekking.

2.4. Tijdens het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter, gehouden op 11 oktober 2005, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen meergemelde uitspraak d.d. 30 september 2005.

2.5. De voorzieningenrechter heeft in zijn mondelinge uitspraak van 25 oktober 2005 geoordeeld en beslist als in 1.5 weergegeven.

2.6. Belanghebbendes echtgenoot voornoemd heeft kort na de uitspraak van de voorzieningenrechter voor de auto een eendere vrijstelling van BPM aangevraagd en verkregen als de eerdere door belanghebbende verkregen en later ingetrokken vrijstelling. Belanghebbende was toen als directrice in dienstbetrekking werkzaam bij de nieuw opgerichte vennootschap onder firma C. Ook belanghebbendes gemachtigde was toen bij die vennootschap werkzaam.

2.7. In zijn verweerschrift in de procedure bij het Hof heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van de mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen. In dat kader heeft de Inspecteur gesteld dat zowel de Inspecteur als de voorzieningenrechter er ten onrechte van is uitgegaan dat tegen de intrekking van de vrijstelling een rechtsmiddel openstond, alsmede dat in verband hiermee ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar achterwege is gebleven.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

A. Kan belanghebbende in haar beroep worden ontvangen?

Zo ja,

B. Zijn de Inspecteur in zijn uitspraak en de Rechtbank er terecht van uitgegaan dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar?

Zo neen,

C. Moet belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in haar bezwaar?

Zo neen,

D. Heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen de uitspraak d.d. 30 september 2005 terecht ongegrond verklaard?

Belanghebbende beantwoordt de vragen A en B bevestigend en de vragen C en D ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd dan wel benadrukt.

Belanghebbende

Ik heb het verschillende keren aan de ambtenaar gevraagd.

Ambtenaar zei: als U uw vrouw op de loonlijst zet, komt het goed. Jammer dat ambtenaar niet komt. Zaken zijn anders gelopen als wordt voorgesteld. We hebben bedrijf opgericht, kosten gemaakt, ruimten gehuurd. En nu gaat het allemaal over het begrip hoofdzakelijk. Als we alles hadden geweten, hadden we het anders gedaan. Er wordt nu met een nieuwe vrijstelling gewerkt, maar daar gaat het niet om.

De Inspecteur

Het vragen van een vrijstelling kost niets. Over gemaakte kosten in de onderhavige zaak is niets komen vast te staan. Hooguit eventueel aanleiding voor een forfaitaire proceskostenvergoeding. De artikelen 2 en 3 van het Uitvoeringsbesluit hebben eigen voorwaarden en beperkingen. Het antwoord van de Staatssecretaris op vragen van Tweede Kamerleden over de vrijstellingsmogelijkheden in het Uitvoeringsbesluit BPM doet geen afbreuk aan mijn mening.

Schade, oprichtingskosten? Heeft niets te maken met procedure bij Rechtbank. Er is door de ambtenaar geen vertrouwen gewekt.

3.3.1. Belanghebbende concludeert dat zij in haar hoger beroep ontvankelijk is. Voor het geval het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond is, concludeert belanghebbende in haar aanvullende pleitnota tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor het geval het hoger beroep van belanghebbende ongegrond (lees: gegrond) is, concludeert belanghebbende in haar aanvullende pleitnota tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vernietiging van diens besluit, houdende intrekking van de vrijstelling.

3.3.2. De Inspecteur concludeert primair tot

niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Subsidiair concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. De Inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroep gesteld dat zowel de Inspecteur als de Rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat tegen de intrekking van de beschikking een rechtsmiddel openstond, alsmede dat in verband hiermee ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar achterwege is gebleven.

4.1.2. Bij gegrondverklaring van die stellingen moet worden beslist conform de in 3.3.2 vermelde, subsidiaire conclusie van de Inspecteur. Aan belanghebbende dient dan het door haar betaalde griffierecht ad € 138 (Rechtbank) + € 103 te worden vergoed. Ook dient dan te worden beoordeeld in hoeverre belanghebbende recht heeft op vergoeding van gemaakte (proces)kosten. Belanghebbende had bij de hiervoor in de eerste zin vermelde mogelijkheid derhalve belang. Belanghebbende heeft ook aangegeven tegen welke beslissingen van de Rechtbank haar hoger beroep zich richt.

Belanghebbende kan in haar hoger beroep worden ontvangen. Het gelijk bij vraag A onder 3.1 is aan belanghebbende.

4.2. Belanghebbende heeft bij herhaling het Hof verzocht door belanghebbende voorgestelde getuigen op te roepen. Bij brief van 14 november 2007 aan belanghebbende heeft het Hof aangegeven zelf geen behoefte te hebben aan het oproepen van getuigen. In de uitnodiging d.d. 14 november 2007 aan partijen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 14 december 2007 is, evenals in de eerder verzonden uitnodigingen voor een mondelinge behandeling, aangegeven dat door de geadresseerde getuigen kunnen worden meegebracht of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit kunnen worden opgeroepen.

4.3.1. Op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM kan vrijstelling van belasting worden verleend voor personenauto's die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, indien is voldaan aan ondermeer de voorwaarde dat de personenauto hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen.

Artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit BPM bepaalt dat de vrijstelling door de inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt verleend.

Ingevolge artikel 2, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit BPM trekt de inspecteur de vrijstelling in indien de omstandigheden, vereist voor het verlenen van de vrijstelling, zich niet langer voordoen.

4.3.2. Voormeld besluit van 3 juni 2005, waartegen belanghebbendes bezwaar was gericht, is niet een voor bezwaar vatbare beschikking. Anders dan in artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit BPM is vermeld over de mogelijkheid van bezwaar, is in artikel 2, vierde lid van dat Uitvoeringsbesluit de mogelijkheid van bezwaar niet opgenomen. De mededeling in het besluit van 3 juni 2005 dat "dit een voor bezwaar vatbare beschikking (is)", is derhalve onjuist. Vraag B onder 3.1 moet, conform het nadere standpunt van de Inspecteur, ontkennend worden beantwoord.

4.4.1. Belanghebbende heeft in haar pleitnota d.d. 22 november 2007 gesteld dat met het besluit van 3 juni 2003 haar rechten zijn vastgelegd. Voor wat de hiervoor weergegeven mededeling betreft, heeft zij zich beroepen op het vertrouwensbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verder heeft belanghebbende gesteld dat zij ook van de Rechtbank mag verwachten dat deze de "juridische spelregels" kent. Ook hier heeft belanghebbende zich beroepen op het vertrouwensbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.4.2. Een wettelijke regeling ingevolge welke tegen een bepaald besluit al dan niet een rechtsmiddel openstaat, is van openbare orde. Een dergelijke regeling kan niet op grond van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter zijde worden gesteld. Dit betekent dat aan belanghebbende niet op grond van het vertrouwensbeginsel een rechtsmiddel kan worden toegekend dat haar volgens de wet niet toekomt. Verder merkt het Hof op dat rechterlijke beslissingen niet vatbaar zijn voor toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.5. Gelet op het in 4.3.2 en 4.4.2 vermelde moet belanghebbende, onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in haar bezwaar. Het gelijk bij vraag C onder 1.3 is aan de Inspecteur.

4.6. Nu belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar bezwaar, behoeft vraag D onder 3.1 geen behandeling meer.

5. Schadevergoeding

5.1. Belanghebbende heeft in haar pleitnota en aanvullende pleitnota het Hof verzocht om toekenning en vergoeding van gemaakte on(kosten), evenals geleden financiële schade, verder verhoogd met vergoeding van gemaakte (on)kosten en geleden (financiële) schade door A en C.

5.2. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting verzocht haar verzoek als in 5.1 weergegeven nader toe te lichten. Belanghebbende heeft daarop geantwoord als in 3.2 weergegeven. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende, als gevolg van het optreden van de Inspecteur, buiten gemaakte proceskosten enige schade heeft geleden. Het Hof acht geen termen aanwezig met toepassing van artikel 8:73 van de Awb een veroordeling tot vergoeding van schade uit te spreken.

6. Griffierecht

De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd. Aan belanghebbende dient het door haar betaalde griffierecht ad € 138 (Rechtbank) + € 103 (Hof) te worden vergoed, derhalve totaal € 241.

7. Proceskosten

7.1. Nu de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

7.2. Belanghebbendes gemachtigde voornoemd was evenals belanghebbende werkzaam in wijnhandel A en vervolgens bij de nieuw opgerichte vennootschap onder firma C, eveneens een wijnhandel. Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbendes gemachtigde zowel in de procedure bij de Rechtbank als in de procedure bij het Hof niet als beroepsgemachtigde is opgetreden. Het tegendeel is niet aannemelijk geworden.

7.3. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting gevraagd naar de door haar gemaakte proceskosten. Belanghebbende heeft verklaard dat door haar, in de persoon van haar gemachtigde, reiskosten zijn gemaakt van Y naar Breda vice versa (procedure bij Rechtbank) en van Y naar 's-Hertogenbosch vice versa (procedure bij Hof). Die kosten komen voor vergoeding in aanmerking op basis van kosten openbaar vervoer (waaronder NS 2e klas). Het Hof stelt de reiskosten voor de procedure bij de Rechtbank vast op € 45 en voor de procedure bij het Hof op € 34. Voor vergoeding komt derhalve in aanmerking € 79.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar in totaal bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht ad € 241,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 79 en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 12 juni 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W. Verstraate en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.