Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
R200700994
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gezamenlijk gezag en geen omgang van de vader met de kinderen na een strafrechtelijke veroordeling van de vader voor ontucht met één van die kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700994

Zaaknummer eerste aanleg 137020/FA RK 06-33

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de vader,

procureur: L.S.Th.H. Ruijters,

t e g e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de moeder,

procureur: A.M.B. Snoeks.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 19 juni 2007 door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 september 2007, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het gezag over de minderjarige kinderen aan de vader en de moeder gezamenlijk wordt toegekend, te bepalen dat de vader gerechtigd is tot omgang met zijn minder-jarige kinderen en subsidiair de raad te gelasten een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kinderen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 oktober 2007, heeft de moeder verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Bij

die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. L.S.Th.H. Ruijters;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A.M.B. Snoeks;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer H. van Seeters.

2.4. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief van de advocaat van de vader, ingekomen op 20 november 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 22 november 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende, thans nog minderjarige, kin¬deren geboren:

- [het kind A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [het kind B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 17 november 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij genoemde beschikking heeft de rechtbank voorts onder meer de hoofdverblijfplaats van voormelde kinderen bij de moeder bepaald en onder meer de beslissing omtrent het gezag en de omgang aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak tegen de vader. De vader is door het hof op 1 maart 2007 veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaar¬delijk, proeftijd 2 jaar wegens ontucht met [het kind B.].

4.1.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over de minderjarigen [het kind A.] en [het kind B.] aan de moeder alleen toekomt en dat de moeder de vader op de hoogte stelt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot voornoemde minderjarigen, zoals schoolprestaties, vakanties en dergelijke. De rechtbank heeft de vader het recht op omgang met zijn minderjarige kinderen ontzegd.

4.1.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat gezamenlijke uitvoering van het ouder¬lijk gezag uitgangspunt is. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat onvoldoende is komen vast te staan dat de kinderen als gevolg van de slechte communicatie tussen partijen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat nu de vrouw, gelet op de strafrechtelijke veroordeling van de man betreffende de ontuchtige handelingen met zijn dochter [het kind B.], niet langer vertrouwen heeft in de normen en waarden en opvoedkundige kwaliteiten van de vader, welk gebrek aan vertrouwen in deze gerechtvaardigd is, van de moeder in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij voortaan tezamen met de vader dient te beslissen in zaken die de kinderen betreffen, noch dat van haar kan worden gevergd hierin binnen afzienbare tijd verandering te brengen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat in het belang van de kinderen het gezag over hen alleen aan de moeder dient toe te komen. De rechtbank heeft verder geoor¬deeld dat de vader, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling, kennelijk onge¬schikt of niet in staat moet worden geacht tot omgang met zijn kinderen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat een omgangsregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen, zodat de vader het recht op omgang moet worden ontzegd.

4.2. De vader kan zich met die beslissing omtrent het gezag en de omgang niet

verenigen en komt hiervan in beroep. Het hof acht de beschikking waarvan beroep in zoverre aan zijn oordeel onderworpen.

4.2.1. In hoger beroep stelt de vader dat de rechtbank zowel ten aanzien van de beslissing over het gezag, als ten aanzien van de beslissing over de omgang ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de positieve ontwikkeling (behande¬ling) die de vader tot heden heeft doorgemaakt. De vader acht zich in staat tot omgang met de kinderen. Ten aanzien van de omgang start de vader voorts dat de rechtbank een onderzoek door de raad had moeten laten verrichten naar de geeste¬lijke en emotionele gevolgen voor en de toestand van de kinderen. De vader meent dat de rechtbank ten onrechte de toestand van de kinderen geheel heeft toe¬geschreven aan de strafrechtelijke veroordeling van de vader.

Ter zitting heeft de vader medegedeeld dat hij om een onderzoek heeft gevraagd, omdat een onderzoek duidelijk kan maken of de kinderen mogelijk contact met hem willen. Bij een uitspraak van een deskundige in dit kader zou hij zich, in het belang van de kinderen, neerleggen, omdat de wens van de kinderen bij hem voorop staat. Hij verzoekt wel om de kinderen zelf te mogen zeggen dat hij, wat de uitkomst ook mag zijn, achter hun beslissing staat.

4.2.2. De moeder is van mening dat zolang de vader grotendeelds blijft ontkennen dat hij de minderjarige [het kind B.] heeft misbruikt en hij de impact van zijn handelingen kennelijk onderschat, de vader nog altijd niet over de normen en waarden beschikt die men van een ouder mag verwachten. De moeder meent dat de vader ondanks de naar voren gebrachte ontwikkelingen nog een zeer lange weg te gaan heeft. Voor het herstel van het vertrouwen van de moeder in de vader is – als dit al mogelijk is – nog een lange weg te gaan. Gezamenlijk gezag behoort dan ook niet tot de mogelijkheden volgens haar.

Voor wat betreft de omgang dient voorop te staan of de kinderen in staat kunnen worden geacht omgang met de vader te hebben. Met de opmerking dat hij zichzelf in staat acht tot omgang met de kinderen miskent de vader volledig het belang van de kinderen en onderschat hij volledig de impact van zijn handelen op de kinderen. De moeder maakt ernstig bezwaar tegen toewijzing van het door de vader verzochte onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Aangezien de kinderpsycholoog onvoldoende ingang vond voor behandeling van de kinderen verwacht de moeder dat de kinderen ook ten opzichte van de raadsonderzoeker gesloten zullen zijn en geen dan wel nauwelijks informatie zullen verstrekken over hun welzijn.

4.2.3. De raad is van mening dat op basis van de stukken duidelijk is dat geza¬menlijk gezag en een omgangsregeling met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Een raadsonderzoek levert voor wat betreft de ouders geen bijdrage aan het herstel van wederzijds vertrouwen. De vader heeft behan¬deling nodig en de moeder en de kinderen moeten eerst wat er gebeurd is kunnen verwerken en dat een plekje kunnen geven.

4.3. Het hof overweegt als volgt.

4.3.1. Voor wat betreft het gezamenlijk gezag is het hof op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht met de rechtbank van oordeel dat nu de vrouw, gelet op de strafrechtelijke veroordeling van de man betreffende de ontuchtige handelingen met zijn dochter [het kind B.], niet langer vertrouwen heeft in de normen en waarden en opvoedkundige kwaliteiten van de vader, welk gebrek aan vertrouwen in deze gerechtvaardigd is, van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij voortaan tezamen met de man dient te beslissen in zaken die de kinderen betreffen, noch dat van haar kan worden gevergd hierin binnen afzienbare tijd verandering te brengen. Hetgeen door de vader ter zitting naar voren is gebracht biedt onvoldoende houvast om tot gezamenlijk gezag te komen, omdat de vader kennelijk nog steeds niet inziet wat zijn strafbare handelingen te¬weeg hebben gebracht bij de kinderen, maar ook bij de moeder. De vader legt im¬mers slechts de nadruk op de positieve ontwikke-ling die hij zelf heeft doorge¬maakt. Te prijzen valt dat de vader in behandeling is en daarin vooruitgang boekt. Het hof is evenwel van oordeel dat de situatie van de moeder en haar geschonden vertrouwen van doorslaggevende betekenis is. Van de moeder kan niet verwacht worden dat zij binnen afzienbare tijd het gezamenlijk gezag met de vader zal uit¬oe¬fenen, nu hij haar vertrouwen in hem zo heeft geschaad. Eerst en vooral zal er dan ook gewerkt moeten worden aan herstel van dat vertrouwen. Om die reden heeft het hof ook geen aanleiding gezien de maatschappelijk werkster van de va¬der ter zitting als getuige-deskundige te horen, aangezien zij niets kan verklaren omtrent het vertrouwen van de moeder in de vader.

4.3.2. Voor wat betreft de omgang van de vader met de kinderen is het hof op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat ook op dit punt de vader alleen zijn eigen positie benadrukt – hij zou nu in staat zijn tot omgang – terwijl hij er niet of nauwelijks blijk van geeft begrip en oog te hebben voor de impact die zijn strafbaar handelen op de kinderen heeft gehad. De kinderen zijn in behandeling geweest bij een kinderpsycholoog, doch deze vond on¬voldoende ingang bij de kinderen voor verdere behandeling. Het hof acht een raadsonderzoek in het kader van eventuele omgang te belastend voor de kinderen en het is overi¬gens de vraag wat zo’n (belastend) onderzoek op dit moment kan opleveren. De vader ziet een raadsonderzoek als de manier om hém voor te lichten over de vraag of zijn kinderen al dan niet omgang met hem willen. Een raadson¬derzoek dient echter naar het oordeel van het hof plaats te vinden om in het belang van de kin¬deren te onderzoeken of de omgang dient te komen en niet (alleen) de vader voor te lichten. Ook ten aanzien van de omgang is het hof van oordeel dat er eerst gewerkt zal moeten worden aan een herstel van vertrouwen tussen de moeder en de vader. Er kan pas eventueel worden gedacht aan een omgangsregeling nadat dat vertrouwen weer is opgebouwd.

4.3.3. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het in het belang van de kinderen moet worden geacht dat de moeder alleen het gezag over de kinderen uitoefent en dat er, voordat aan een eventuele omgangsregeling ge¬dacht kan worden, sprake moet zijn van hersteld vertrouwen van de moeder in de vader. De bestreden be¬schikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof :

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2007 voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.