Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5666

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
HD 103.003.179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant vorderde in eerste aanleg vergoeding op te maken bij staat van door hem geleden schade, nu hij aan asbest is blootgesteld geweest waardoor bij hem de angst is ontstaan dat hij een fatale asbestziekte zou krijgen. Van lichamelijke klachten was in eerste aanleg (en ook in hoger beroep) geen sprake. Geïntimeerde zou als materieel werkgever tekort zijn geschoten in haar verplichting om veiligheidsmaatregelen te nemen en dit verzuim zou de kans dat appellant asbestkristal zou inademen in aanmerkelijke mate hebben verhoogd. Kantonrechter wijst de vordering af. Hof concludeert dat geïntimeerde op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is en gehouden is de door appellant geleden schade te vergoeden en wijst de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat toe

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0404
JAR 2008, 223
JA 2008/126
JAR 2008/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. HD 103.003.179

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 6 mei 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2006,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

AANNEMERSBEDRIJF [Y.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. lenglet,

op het hoger beroep van de door de recht¬bank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen von¬nissen van 24 maart 2004, 27 oktober 2004 en 23 november 2005 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. 02-4116/zaaknr. 121096)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de tussen partijen gewezen vonnissen van 2 juli 2003 en 21 januari 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vordering van [X.], met veroordeling van [Y.] in de kosten van deze procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestre¬den.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.] is in maart 2001 door het inmiddels gefailleerde Bouw Partners B.V. aan [Y.] uitgeleend ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in de bouw in een project aan de [adres] in [plaatsnaam].

4.1.2. Bij die werkzaamheden heeft [X.] in het pand [adres] een gedeelte van een dakbeschot gesloopt. Het dakbeschot bleek later eterniet te bevatten, in welk materiaal asbest is verwerkt. Uit monsters is gebleken dat het 5-10% chrysoliet bevatte, een stof die de longziekten asbestose en/of mesothelioom kan veroorzaken.

4.1.3. Door de Arbeidsinspectie is op 26 juni 2001 een boeterapport opgemaakt, in verband met de onder 4.1.2 genoemde werkzaamheden (productie 1 conclusie van eis). Blijkens dit rapport, dat op ambtseed is opgemaakt, werden de volgende direct beboetbare feiten geconstateerd:

"1. (...)

Het niet tijdig melden bij de Arbeidsinspectie van het verwijderen c.q. slopen van een gedeelte van het asbesthoudend dakbeschot, van het pand [adres] te [plaatsnaam] is een overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, juncto 4.54 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9b lid 1 onder d van datzelfde besluit."

"2. (...)

Het verrichten van genoemde werkzaamheden, niet door of onder toezicht van een persoon, die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid verwijdering asbest en crocidoliet (DTA'er), dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling, is een overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, juncto artikel 4.54 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9b lid 1 onder d van datzelfde besluit."

"3 (...)

Er was geen schriftelijk werkplan aanwezig ten aanzien van het verwijderen van asbest of asbesthoudende produkten uit gebouwen.

Dit is een overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, juncto artikel 4.54 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9b lid 1 onder d van datzelfde besluit."

Voorts werd het volgende ernstig beboetbaar feit geconstateerd:

"4. (...)

Het niet zo spoedig mogelijk verzamelen en afvoeren van de stukken asbesthoudende plaat van het dakbeschot in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat, is een overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, juncto artikel 4.45 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9c lid 1 onder c van datzelfde besluit."

4.1.4. [X.] is met ingang van 17 september 2001 arbeidsongeschikt geworden, naar de kantonrechter onbestreden heeft vastgesteld, op grond van angstklachten en per 16 september 2002 is hem een WAO-uitkering toegekend. Zijn arbeidsongeschiktheid, die is vastgesteld op 80-100%, berust op psychische klachten.

4.1.5. Ten behoeve van de Indicatiecommissie van Vixia te [vestigingsplaats] heeft drs. W. Demarteau op 23 april 2002 een psychologisch rapport opgesteld (productie 3 conclusie van repliek). Op basis van dossiergegevens, aanvullend onderzoek en een gesprek met [X.] wordt in dat rapport wat betreft de beperkingen van [X.] het volgende geconcludeerd:

"De beperkingen zijn met name de spanningsgevoeligheid, het onvermogen adequaat voor zichzelf op te kunnen komen en conflictsituaties te hanteren. Daarnaast is betrokkene onvoldoende opgewassen tegen werkdruk. Uitzicht op herstel binnen afzienbare tijd acht ik somber."

4.2. [X.] heeft in eerste aanleg bij exploot van 12 november 2002 [Y.] gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen en gevorderd, zakelijk weergegeven:

te verklaren voor recht dat [Y.] als materieel werkgever is tekortgeschoten in haar verplichting om veiligheidsmaatregelen te nemen en dit verzuim de kans dat [X.] asbestkristal zou inademen in aanmerkelijke mate heeft verhoogd, zodat [Y.] volledig aansprakelijk is;

te verklaren voor recht dat deze aansprakelijkheid zich uitstrekt over het verschil tussen het verdienvermogen voor en na maart 2001;

[Y.] te veroordelen tot betaling aan [X.] van een voorschot van € 20.000,-- en verder tot vergoeding van de door [X.] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten, voornoemde schades op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van [Y.] in de proceskosten.

4.3. Nadat de kantonrechter bij vonnis van 2 juli 2003 een comparitie van partijen had bepaald en bij vonnis van 21 januari 2004 in verband met het voornemen een deskundigenbericht te gelasten, de zaak naar de rol had verwezen voor het nemen van akten, heeft de kantonrechter bij vonnis van 24 maart 2004 drs. I. Sagis, als psychologe verbonden aan Psycho Expertise B.V., tot deskundige benoemd en haar de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:

Bent u na onderzoek van [X.] en bestudering van het door [X.] aan u ter beschikking gestelde volledige medische dossier van mening dat bij [X.] sprake is van klachten zoals emotionele en/of persoonlijkheidsproblemen, waaronder angstgevoelens en/of stemmingen van depressieve aard? Is sprake van een psychiatrisch erkend ziektebeeld?

Kunt u aangeven wat de aard en omvang is van de psychische klachten bij [X.]? Kunt u aangeven welke invloed deze hebben op het dagelijks leven, hobby's en sociale contacten?

Kunt u aangeven in hoeverre [X.] redelijkerwijs in staat moet worden geacht loonvormende arbeid te verrichten?

Is [X.] uitsluitend door angstgevoelens arbeidsongeschikt? Indien u van mening bent dat [X.] op grond van angstgevoelens geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is:

Kunt u vaststellen of de angstgevoelens met uitsluiting van andere grondslagen zijn opgewekt door het feit dat [X.] gedurende drie dagen in maart 2001 in en aan het pand aan de [adres] te [plaatsnaam] heeft gewerkt, waarbij door hem onder meer eterniet dakbeschot is gesloopt. Uit monsters is gebleken dat dit dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat; een stof die mogelijk een longziekte kan veroorzaken.

Bestaat de mogelijkheid dat het ontstaan van deze angstgevoelens (ook) te wijten is aan andere oorzaken, bijvoorbeeld gelegen in de persoonlijkheid van [X.]?

[X.] heeft eerder onbeschermd met asbest gewerkt. Kunt u vaststellen of [X.] ten gevolge daarvan angstgevoelens heeft ontwikkeld, en zo ja, in welke mate die hebben bijgedragen, dan wel oorzaak kunnen zijn van het ontwikkelen of het ontstaan van de thans bestaande angstgevoelens van [X.]?

Zijn er overigens opmerkingen die u naar aanleiding van de vraagstelling aan de kantonrechter ter kennis wilt brengen?

4.4. In haar rapport d.d. 4 mei 2004 komt de deskundige drs. I.E.J. Sagis tot de volgende 'conclusie/beantwoording van de vraagstelling':

"1.

Ondergetekende is na onderzoek van betrokkene en bestudering van het door de gemachtigde van betrokkene aan haar ter beschikking gestelde volledige medische dossier van mening dat er bij betrokkene sprake is van klachten in de zin van emotionele problemen en persoonlijkheids-problemen, waaronder machteloosheids- en angstgevoelens. Een stemming van depressieve aard is niet gebleken: onderzochte beschrijft zijn stemming als tevreden. Ondergetekende is van mening dat er bij betrokkene sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld: er kan gesproken worden van nachtmerries (gecodeerd met code 307.47, conform de criteria van de DSM-IV-TR van de American Psychiatric Association), een cognitieve stoornis Niet Anderszins Omschreven (code 294.9) en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis (code 300.82).

2.

Onderzochte rapporteert klachten van angst, herbelevingen en nachtmerries, nervositeit en hoofdpijn - bovendien komen uit dit onderzoek en psychoneurometrisch testonderzoek aanwijzingen naar voren voor een stoornis in de adequaatheid van de oordeelsvorming, lichte concentratiestoornissen, inprentings- en geheugenstoornissen en een beperkt intellectueel vermogen. Onderzochte kan op grond hiervan beperkingen ervaren in het onderhouden van sociale contacten (een beperkt oordeelsvermogen kan aanleiding geven tot conflicten), doch zolang hij niet behoeft te haasten, behoeft hij naar de mening van ondergetekende in het uitoefenen van zijn hobbies en de zelfverzorging niet verder beperkt te zijn.

3.

Ondergetekende is van mening dat onderzochte redelijkerwijs in staat moet worden geacht loonvormende arbeid te verrichten mits rekening gehouden wordt met zijn beperkingen: op grond van concentratie- en geheugenstoornissen is ondergetekende van mening dat onderzochte beperkt is met betrekking tot jaagwerk, akkoordwerk, een meer dan gemiddelde werkdruk, een dwingend werktempo en het tegelijkertijd verrichten van taken. Het beperkte intellectuele vermogen kan aanleiding geven een beperking aan te houden met betrekking tot de evaluatie van complexe toestanden en een stoornis in de oordeelsvorming kan naar de mening van ondergetekende leiden tot beperkingen voor werk met een grote emotionele betrokkenheid, het intensief deel uitmaken van een groepsproces, conflicthantering en leidinggeven. Ondergetekende wil daarbij overigens opmerken dat evidence based consensus dienaangaande ontbreekt.

4.

Ondergetekende is op grond van de gegevens uit dit onderzoek van mening dat onderzochte niet uitsluitend op grond van angstgevoelens arbeidsongeschikt is. De angstgevoelens hebben naar de mening van ondergetekende wellicht een relatie tot een overwaardig denkbeeld (in de zin van de overtuiging dat hij een mesothelioom ontwikkelt na 14 dagen van blootstelling aan asbest) zoals dat kan ontstaan bij een verminderd vermogen tot een adequate oordeelsvorming in het kader van een cognitieve stoornis NAO na een contusio cerebri (ten gevolge van een motorongeval).

5.

Op grond van de anamnese en het dossier is ondergetekende van mening dat de angstgevoelens grotendeels zullen zijn opgewekt door het feit dat onderzochte blootgesteld werd aan asbest - dat onderzochte persisteert in zijn angst is naar de mening van ondergetekende wellicht eerder te wijten aan een beperkt vermogen tot relativeren, zoals kan voorkomen bij een beperkt intellectueel vermogen en bij cognitieve stoornissen.

6.

Zoals vermeld acht ondergetekende de mogelijkheid aanwezig dat het ontstaan van de angstgevoelens ten dele te wijten is aan andere oorzaken, waarbij zij met name denkt aan een matig intellectueel vermogen, een beperking in het vermogen tot adequate oordeelsvorming en een cognitieve stoornis in het algemeen.

7.

Op grond van de anamnese is ondergetekende van mening dat onderzochte ten gevolge van een eerdere blootstelling aan asbest geen angstgevoelens ontwikkeld heeft: Naar zijn eigen zeggen maakte hij zich er destijds geen zorgen over omdat hij niets van asbest wist, niet meer dan één plaat bevattende asbest verwijderd had, de uitvoerder zich geruststellend opstelde, zijn verontschuldigingen aanbood, hem van de werkplek weghield en het asbesthoudende materiaal liet verwijderen door een ander bedrijf.

8.

Ondergetekende heeft voor het overige geen opmerkingen die zij naar aanleiding van de vraagstelling aan de kantonrechter ter kennis wil brengen."

4.5. Bij vonnis van 27 oktober 2004 heeft de kantonrechter aan [X.] opgedragen om door alle middelen rechtens, allereerst door getuigen, feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat [X.] in zodanige mate aan asbeststof is blootgesteld tijdens zijn werkzaamheden voor [Y.], dat er voor hem in relevante mate een verhoogde kans op een fatale asbestziekte bestaat.

4.6. Nadat aan de zijde van [X.] getuigen waren gehoord, heeft de kantonrechter bij vonnis van 23 november 2005 de vorderingen van [X.] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

4.7. De grieven zijn gericht tegen de vonnissen van 24 maart 2004, 27 oktober 2004 en 23 november 2005.

4.8. Met de grieven is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Hierna zal waar nodig op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.

4.9. [X.] legt aan zijn vordering ten grondslag de stelling dat [Y.] ingevolge art. 7:658 BW, en naar analogie op grond van art. 7:611 BW, aansprakelijk is voor de door [X.] geleden schade.

4.10. Voor aansprakelijkheid van [Y.] op grond van art. 7:658 BW is allereerst vereist dat [X.] de schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [Y.].

4.10.1. [X.] heeft in dit verband aangevoerd dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [Y.] geheel onbeschermd met asbest in aanraking is gekomen door het slopen van een eterniet dakbeschot. De werkzaamheden aan het project in [plaatsnaam] zijn volgens [X.] begonnen op maandag 12 maart 2001 en hebben geduurd tot en met 23 maart 2001. Tijdens al die dagen waren gebroken en vertrapte eternietplaten aanwezig in de zolderruimte van het pand waar werd gesloopt. Gedurende minstens veertien dagen is [X.] aan asbest blootgesteld. Op vrijdagavond 23 maart 2001 heeft hij voor het eerst ontdekt dat er mogelijk sprake was van asbest, aldus [X.].

4.10.2. Daartegen heeft [Y.] het volgende aangevoerd. [X.] was in de periode van 14 tot en met 24 maart 2001 door Bouw Partners B.V. uitgeleend aan [Y.] om bouwwerkzaamheden te verrichten. De opgedragen werkzaamheden bestonden uit restauratiewerkzaamheden van een pand aan de [adres] te [plaatsnaam]. [X.] heeft op 14 maart 2001 met een hamer en met zijn voeten het onderste gedeelte van het dakbeschot, waarin, naar later bleek, asbesthoudend materiaal was verwerkt, kapot gemaakt om zo op een eenvoudige en snelle wijze de vloerplaten van de steiger naar binnen te brengen. Enige dagen later, in de middag van 22 of 23 maart 2001, heeft [Z.], een collega van [X.], een ander deel van het dakbeschot kapot gemaakt. [X.] was hierbij aanwezig. Volgens [Y.] is [X.] gedurende de dagen waarop hij op het project in [plaatsnaam] werd ingezet, niet relevant aan asbest blootgesteld.

4.10.3. Het hof overweegt als volgt. Partijen verschillen erover van mening hoelang [X.] aan asbest is blootgesteld geweest. Volgens [X.] zèlf was dit gedurende circa twee weken, volgens [Y.] gedurende slechts enkele dagdelen. Wat hier ook van zij, dit neemt niet weg dat vaststaat dat [X.] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [Y.] aan asbest is blootgesteld geweest. Op de vraag naar de mate van asbestblootstelling komt het hof hierna terug bij de bespreking van het causaal verband.

4.11. [Y.] stelt zich op het standpunt dat, ook al zou [X.] tijdens de uitoefening van de werkzaamheden bij [Y.] aan asbest zijn blootgesteld, zij niet jegens [X.] aansprakelijk is, omdat zij aan haar zorgplicht jegens hem heeft voldaan.

4.11.1. Zij voert aan dat zij beschikt over een veiligheidsprocedure en dat per project een veiligheids- en gezondheidsplan wordt opgesteld door de afdeling werkvoorbereiding. In een dergelijk V&G-plan worden alle gegevens betreffende het bouwproject opgenomen. Eén keer per maand wordt door de uitvoerder op het project een werkoverleg gehouden, waarbij een aantal aspecten met betrekking tot veiligheid aan de orde worden gesteld. Daarnaast wordt door de bedrijfsleider van het project een keer per maand een veiligheidsinspectie gehouden, naar aanleiding waarvan door de bedrijfsleider een rapport wordt opgesteld. Voorts zijn alle medewerkers van [Y.] verplicht een VVA-1 cursus te volgen en voor operationeel leidinggevenden is tevens verplicht de VVA-2 cursus te volgen. De hoofduitvoerder op het betreffende project heeft beide cursussen met goed gevolg doorlopen. Eveneens houdt [Y.] door middel van interne en externe audits controle op de naleving van de voorschriften van de ARBO-wetgeving. Blijkens de bij conclusie van eis overgelegde verklaring C heeft de uitvoerder van het project verklaard dat hij [X.] en de andere werknemer van mondmaskers en handschoenen had voorzien. [Y.] heeft voorts aan [X.] niet de opdracht gegeven om het dakbeschot te slopen. [X.] heeft hier zelf voor gekozen. Zelfs nadat [X.] en de andere werknemer het vermoeden hadden dat in het dakbeschot asbesthoudend materiaal aanwezig was en de uitvoerder hen opdroeg de vloerplaten op de andere manier te verplaatsen, koos [X.] ervoor om de vloerplaten alsnog door het dakbeschot te transporteren. Dat [X.] voor de werkwijze via het dakbeschot heeft gekozen en daarbij geen gebruik heeft gemaakt van de ter beschikking gestelde mondmaskers en handschoenen, komt niet voor rekening van [Y.].

4.11.2. [X.] heeft daartegen aangevoerd van één van de uitvoerders, [A.], in directe zin opdracht te hebben gekregen om het dak alvast voor een deel te slopen, zodat beton- en houtplaten voor de vloer naar binnen konden worden gebracht. Daarbij zijn eternietplaten van het dak door [X.] verwijderd en stuk getrapt. Op die dagen is er nagenoeg geen toezicht geweest en is de materiële werkgever bepaald niet zorgvuldig geweest met de betreffende arbeidsplaats. [X.] is niet gewaarschuwd of in deze situatie begeleid. In vergelijkbare situaties als waarin [X.] werkte, werd, in navolging van regelgeving in de bouw, asbest verwijderd met beschermende pakken en maskers. In het geval van [X.] zijn geen beschermende maatregelen getroffen. [X.] kan zich niet meer herinneren of hij ooit eens een stofkapje heeft gekregen. Het is van algemene bekendheid dat een eenvoudig in de bouw gebruikt mondkapje geen bescherming biedt tegen asbestblootstelling, aldus [X.].

4.11.3. Het hof overweegt als volgt. Daargelaten of, zoals [Y.] stelt doch [X.] gemotiveerd betwist, zijdens [Y.] niet de opdracht was verstrekt om het dakbeschot te slopen en zijdens [Y.] aan [X.] mondmaskers en handschoenen ter beschikking waren gesteld, vaststaat dat [X.] onbeschermd met asbest in aanraking is gekomen. In dit verband kan in het midden blijven hoelang [X.] onbeschermd met asbest heeft gewerkt. Het was de verantwoordelijkheid van [Y.] als feitelijk werkgever van [X.] om erop toe te zien dat [X.] niet onbeschermd met asbest in aanraking zou komen. [Y.] heeft deze verantwoordelijkheid niet genomen. [Y.] heeft niet, vóórdat [X.] met de betreffende werkzaamheden aanving, onderzocht of laten onderzoeken of er in het betreffende pand en met name in het dakbeschot asbesthoudend materiaal aanwezig was. [Y.] heeft er in elk geval onvoldoende op toegezien dat [X.] ook daadwerkelijk gebruik maakte van werkkleding die afdoende bescherming bood bij het werken met asbesthoudend materiaal. In dit verband is van belang dat blijkens het in rechtsoverweging 4.1.3 genoemde boeterapport (pagina 5) de gemachtigde van [Y.] heeft verklaard:

"(...) Door de inschattingsfout van de uitvoerder zijn de geëigende maatregelen en voorgeschreven maatregelen voor sloop en verwijdering van asbest niet genomen zoals melden enz. Ik neem aan dat geen DTA'er [hof: Deskundig Toezichthouder Asbestsloop] aanwezig was. Het asbesthoudend afval was niet ingepakt omdat we er van uit gingen, dat er geen asbest inzat. Om die reden is ook geen beschermende kleding gedragen. (...)"

Blijkens deze verklaring heeft [Y.] in het geheel niet onderkend dat er gewerkt werd met asbesthoudend materiaal en is er van beschermende kleding voor [X.] geen sprake geweest. In dit verband acht het hof bovendien relevant dat zijdens de Arbeidsinspectie aan [Y.] het zojuist genoemde boeterapport is aangezegd en dat blijkens dat rapport drie direct beboetbare feiten werden geconstateerd, namelijk:

het niet tijdig melden bij de Arbeidsinspectie van het verwijderen c.q. slopen van een gedeelte van het asbesthoudend dakbeschot, het slopen c.q. verwijderen van asbesthoudende plaat van het dakbeschot, terwijl dat niet is gebeurd door of onder toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid verwijdering asbest en crocidoliet, dat is afgegeven door de minister van sociale zaken en werkgelegenheid of een certificerende instelling, het niet aanwezig zijn van een schriftelijk werkplan ten aanzien van het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit gebouwen.

Voorts blijkt uit voormeld rapport dat een ernstig beboetbaar feit werd geconstateerd, namelijk het niet zo spoedig mogelijk verzamelen en afvoeren van de stukken asbesthoudende plaat van het dakbeschot in, kort gezegd, een daartoe geschikte en gesloten verpakking.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [Y.] als werkgeefster in haar zorgplicht ex art. 7:658 lid 4 BW jegens [X.] is tekort geschoten.

4.12. Voor aansprakelijkheid van [Y.] is voorts vereist dat er een causaal verband is tussen de door [X.] gestelde schade en de asbestblootstelling.

4.12.1. [X.] stelt dat dit causaal verband er is en voert aan dat hij, doordat hij tijdens zijn werk bij [Y.] in aanraking is gekomen met asbest, een ziekte heeft opgelopen en met name depressieve klachten. [X.] is naar zijn eigen zeggen volledig arbeidsongeschikt verklaard om werkzaamheden in de bouw en algemeen loonvormende arbeid uit te voeren.

4.12.2. [Y.] ontkent het door [X.] gestelde causaal verband. Meer in het bijzonder voert [Y.] aan dat is gebleken dat [X.] al voor de periode dat hij in dienst was van [Y.], op 25 februari 2000, zijn huisarts had bezocht in verband met klachten ten gevolge van het feit dat hij eerder voor een andere werkgever met asbest had gewerkt. Niet valt in te zien waarom de door [X.] gestelde klachten niet aan deze blootstelling kunnen worden toegerekend. Voorts voert [Y.] aan dat de kans dat uit de blootstelling aan asbest bij [X.] zich een kwaadaardige longziekte kan ontwikkelen, zeer gering is. Ten slotte betwist [Y.] dat [X.] lijdt aan voortdurende angst en depressies en voorts dat, indien dat wel zou komen vast te staan, dit een gevolg zou zijn van de beweerdelijke blootstelling.

4.12.3. Het hof bespreekt allereerst het verweer van [Y.] dat [X.] niet aan voortdurende angst en depressies zou lijden. Uit het rapport van de in eerste aanleg geraadpleegde deskundige drs. I. Sagis blijkt dat bij [X.] niet is gebleken van een stemming van depressieve aard. Wèl volgt uit dat rapport dat er bij hem sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld: nachtmerries, een cognitieve stoornis Niet Anderszins Omschreven en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis (antwoord op vraag 1). Voorts vermeldt de deskundige klachten van angst, herbelevingen en nachtmerries, nervositeit en hoofdpijn (antwoord op vraag 2). [Y.] heeft deze conclusies van de deskundige niet gemotiveerd en gedocumenteerd bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat.

4.12.4. [Y.] bestrijdt dat de angstgevoelens van [X.] door de asbestblootstelling in [plaatsnaam] zijn veroorzaakt. Uit voormeld deskundigenbericht blijkt echter dat de angstgevoelens van [X.] grotendeels zijn opgewekt door het feit dat [X.] werd blootgesteld aan asbest (antwoord op vraag 5). Ook deze conclusie als zodanig heeft [Y.] niet gemotiveerd en gedocumenteerd weersproken.

4.12.5. Wèl heeft [Y.] er nog op gewezen dat [X.] eerder, dus vóór de werkzaamheden in [plaatsnaam], aan asbest is bloot- gesteld geweest. Wat er ook van zij of die eerdere blootstelling tot klachten bij [X.] heeft geleid, uit art. 6:99 BW volgt dat indien de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen, voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vaststaat dat de schade door tenminste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, de verplichting tot schadevergoeding op ieder van deze personen rust, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

4.12.6. In dit verband, zo begrijpt het hof, werpt [Y.] de stelling op dat de asbestblootstelling in [plaatsnaam] zo gering is geweest, dat die niet tot angstgevoelens bij [X.] kan hebben geleid. [Y.] wijst op het rapport "Asbestslachtoffers" van prof.mr. J. de Ruiter dat in maart 1997 is uitgebracht in opdracht van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en op het handboek "Aansprakelijkheid voor blootstelling aan asbest" door mr. A.J. Van en mr. A.E. Dek. Daaruit komt naar voren dat niet iedere blootstelling schadelijk is, waarbij wordt gerekend met een minimum aantal vezeljaren en asbestvezels per cm3, aldus [Y.].

4.12.7. Blijkens het deskundigenbericht (antwoord op vraag 6) acht de deskundige de mogelijkheid aanwezig dat het ontstaan van de angstgevoelens bij [X.] ten dele is te wijten aan andere oorzaken, waarbij met name wordt gedacht aan een matig intellectueel vermogen, een beperking in het vermogen tot adequate oordeelsvorming en een cognitieve stoornis in het algemeen. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit een mogelijke predispositie van [X.] voor de angstgevoelens waarmee hij wordt geconfronteerd. Door deze mogelijke predispositie wordt echter het causaal verband tussen de asbest- blootstelling enerzijds en de door [X.] gestelde schade anderzijds niet doorbroken. Dit laat onverlet dat de persoonlijke predispositie van de werknemer en de daaruit in het algemeen voortvloeiende risico's voor het ontstaan van klachten als de onderhavige wel een factor kunnen vormen waarmee rekening valt te houden bij de begroting van de schade.

4.13. [X.] vordert vergoeding van de door hem ten gevolge van de asbestblootstelling geleden schade, nader op te maken bij staat. [X.] heeft als gevolg van deze asbestblootstelling (tot op heden) geen lichamelijke klachten. [X.] stelt wel psychische klachten te hebben en vordert vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij daardoor heeft geleden, lijdt en nog zal lijden (de buitengerechtelijke kosten daaronder begrepen).

4.14. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Naar het oordeel van het hof is in casu, gelet op met name de angstgevoelens waaraan [X.] blijkens het deskundigenonderzoek lijdt, aan deze voorwaarde voldaan.

4.15. [Y.] heeft betwist dat [X.] belang heeft bij de schadestaatprocedure en aangevoerd dat daartoe geen noodzaak bestaat. Naar het oordeel van het hof dient echter in het onderhavige geval, nu de schade-omvang niet direct in deze uitspraak kan worden vastgelegd, te worden volstaan met een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.

4.16. [X.] vordert een voorschot op de door hem te ontvangen schadevergoeding van € 20.000,--. De grootste schadepost die [X.] in dit verband aanvoert is de volledige arbeidsongeschiktheid waartoe de asbestblootstelling volgens hem heeft geleid.

4.17. Het hof ziet evenwel geen reden om aan [X.] een voorschot, zoals door hem gevorderd, toe te wijzen, nu blijkens het deskundigenbericht [X.] redelijkerwijs in staat moet worden geacht om loonvormende arbeid te verrichten (antwoord op vraag 3) en er vooralsnog onvoldoende grond is om aan te nemen dat uitsluitend de asbestblootstelling tot de volledige arbeidsongeschiktheid van [X.] heeft geleid.

4.18. Het bewijsaanbod van [X.] en [Y.] wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

4.19. Al het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. De grieven slagen. De bestreden vonnissen worden vernietigd en het hof wijst de vordering van [X.] sub 1 en de vordering sub 3, voorzover deze betreft de schadevergoeding op te maken bij staat toe. De vordering sub 3 wordt voor het overige afgewezen. Ook de vordering sub 2 wordt afgewezen. [Y.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [Y.] als materieel werkgever tekort is geschoten in haar verplichting om veiligheidsmaatregelen te nemen welke waren vereist met het oog op de gevaren van het werken met asbest en dit verzuim de kans dat [X.] asbestkristal zou inademen in aanmerkelijke mate heeft verhoogd, zodat [Y.] dientengevolge volledig aansprakelijk is;

veroordeelt [Y.] om aan [X.] te betalen de volledige schade op voornoemde grond verschuldigd, bestaande uit directe materiële schade, immateriële schade alsmede de toekomstschade van [X.] en de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten, voornoemde schades op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te verhogen met wettelijke rente ingaande 14 maart 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op € 2.788,52 (inclusief de kosten van het deskundigenbericht in eerste aanleg) aan verschotten en € 2.744,50 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 332,87 aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris procureur voor het hoger beroep, op de voet van het bepaalde in art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Venner-Lijten en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 6 mei 2008.