Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5657

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
HD 103.003.094
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM0708, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM0708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer spreekt werkgeefster aan na val van een trap.

Volgens werknemer heeft hij aan deze val ernstig rugletsel overgehouden. Werkgeefster betwist dat de rugklachten het gevolg zijn van de val, gelet op de pre-existente rugproblemen van werknemer.

Gelet op de vordering, vergoeding van schade op te maken bij staat, zal de mate van invaliditeit die het gevolg is van de val in de schadestaatprocedure nog moeten worden vastgesteld, tenzij partijen er de voorkeur aan geven dat het hof daartoe een deskundigenbericht gelast.

Werkgeefster Was een VCA* gecertificeerd aannemingsbedrijf. Dat houdt in dat alleen gewerkt wordt met goedgekeurde materialen, zodat het hof daarvan uitgaat. Werknemer wordt toegelaten te bewijzen dat hij gebruik maakte van een niet goedgekeurd huishoudtrapje.

Werkgeefster dient te bewijzen dat zij door het laten uitvoeren van de onderhavige werkzaamheden met een trap voldeed aan de zorgplicht die zij volgens 7:658 BW in acht diende te nemen en dat een rolsteiger daarvoor niet vereist was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0405

Uitspraak

typ. YH

rolnr. HD 103.003.094

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 1 april 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2006,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

[Y.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. P.H.W. Pennings,

op het hoger beroep van het door de recht¬bank ’s-Hertogen¬bosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen von¬nis van 6 oktober 2005 tussen principaal appellant - [X.] - als eiser en principaal geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 399305, rolnr. 3487-05)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van zijn vordering zoals ingesteld in eerste aanleg en vermeerderd in hoger beroep, te weten:

dat het hof bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- zal verklaren voor recht dat [Y.] haar zorgplicht ex artikel 7: 658 BW heeft geschonden en aansprakelijk is voor alle schade die [X.] dientengevolge heeft geleden, lijdt en in de toekomst zal lijden;

- [Y.] zal veroordelen tot vergoeding van alle schade die [X.] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het bedrijfsongeval op 22 september 2000, een en ander op te maken bij staat; in hoger beroep heeft [X.] tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente ingaande 23 september 2000 dan wel een latere dag indien de schade niet reeds op 22 september 2000 is geleden;

- [Y.] zal veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 1.542,85 (exclusief BTW) ter zake buitengerechtelijke incassokosten en haar zal veroordelen in de kosten van het geding.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van 5 producties de grief bestreden en incidenteel appel ingesteld, waarbij zij één grief heeft aangevoerd.

2.3. [X.] heeft in het incidenteel appel van antwoord gediend.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep.

Het hof verwijst hiervoor naar de door partijen aangevoerde grieven in het principaal en incidenteel appel.

4. De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

4.1. In dit hoger beroep kan van de navolgende feiten worden uitgegaan:

4.1.1. [X.], geboren op [geboortejaar], is op 14 november 1983 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [Y.]. Laatstelijk werkte hij in de functie van timmerman. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing.

4.1.2. [Y.] is de huisaannemer van Brabant Pers, waaronder het Eindhovens Dagblad valt. [X.] heeft, als werknemer van [Y.], in het pand van het Eindhovens Dagblad geregeld onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd.

Op vrijdag 22 september 2000 was [X.] tezamen met zijn collega [Z.] als enige werknemers van [Y.] te werk gesteld in het pand van het Eindhovens Dagblad te [vestigingsplaats], waar in verband met een reorganisatie systeemwanden en plafonds op de 1e verdieping dienden te worden verplaatst. Het plaatsen van de plafonds werd in onderaanneming uitgevoerd. De werkzaamheden van [X.] en zijn collega [Z.] bestonden uit het de- en monteren van systeemwanden met kozijnen en deuren. Voor de montage werd gebruik gemaakt van aluminium trappen. De wandhoogte was ca 2,60 m.

4.1.3. In de ochtend van 22 september 2000 om ongeveer 7.00 - 7.30 uur, is [X.] tijdens het werk een ongeluk overkomen, waarbij hij letsel heeft opgelopen.

Bij de verbouwingswerkzaamheden die [X.] en [Z.] bij het Eindhovens Dagblad verrichtten, werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de reeds aanwezige materialen, zoals de wanden, deuren en ramen. [X.] probeerde een raam, bestaande uit glas met een aluminium profiel van ongeveer 50x90 cm te plaatsen boven een deur, zijnde een hoogte van ongeveer 2,10 meter boven de vloer. Om daar bij te kunnen stond [X.] op de derde of vierde trede van een trapje. Het raam werd aan de bovenzijde in een zogenaamde klang geduwd, die dan een beetje terugveert, waarna het raam aan de onderzijde in het kozijnprofiel past en vervolgens op zijn plaats blijft omdat het geklemd is tussen de klang en het kozijn. Het lukte [X.] niet om het raam in het kozijn te krijgen. Terwijl hij met flinke kracht het raam in de klang probeerde te duwen, gleed hij van het trapje en stuiterde er langs naar beneden. Op de vloer gleed hij weg en viel. Hij voelde vervolgens hevige pijn in rug en been. Zijn collega [Z.] heeft hem in de auto naar het ziekenhuis gebracht. Daar zijn foto’s gemaakt en is hij met injecties tegen de pijn naar huis gezonden. Hij heeft zich bij een van de directeuren, [A.] op de dag van het ongeval ziek gemeld of laten ziek melden.

4.1.4. [X.] is sinds het ongeval arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. Reïntegratie bleek niet mogelijk en omscholing heeft niet het gewenste resultaat gehad. Zijn loon is conform de CAO gedurende twee jaar volledig doorbetaald.

4.1.5. [X.] leed sinds 1991 aan lage rugklachten. Zijn beroep van timmerman heeft hij steeds normaal uitgeoefend tot voormeld ongeval.

In het jaar 1997 was hij twaalf dagen ziek; in 1998 negen dagen; in 1999 drie dagen en in de periode van 1 januari 2000 tot 2 juli 2000 vierentwintig dagen.

4.1.6. In een schrijven d.d. 23 november 2000 van dr. L.H. Visser, neuroloog,aan de huisarts van [X.], vermeldt deze onder meer het volgende:

“Anamnese: Op 22-9-2000 is patiënt van een trapje gevallen, nadat het in zijn rug was geschoten. Hierbij had hij pijn uitstralend in het linker bovenbeen. Na de val zakte hij door zijn linkerbeen vanwege krachtsverlies. Sindsdien heeft hij behoorlijke last van rugpijn en pijn uitstralend in het been naar de laterale zijde van de voet. (…)

Voorgeschiedenis: 1992 abces L2-L3 na epidurale anesthesie voor fracturen rechterbeen, waarna chronische rugklachten. 1998 MRI LWK waarop discopathie van L2 tot L5 werd gezien en een bulging disc L4-L5.

(…)

Aanvullend onderzoek: MRI LWK: Forse HNP L4-L5 links X-LWK: Forse arthrose van de lendewervels.”

4.1.7. In een rapportage van sfb uitvoeringsorganisatie d.d. 3 oktober 2001 (prod. 5 bij MvA) is vermeld dat [X.] per 21 september 2001 op arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest in aangepast werk als timmerman gedurende 6 uren per dag maar dat hij dat niet vol heeft kunnen houden. In twijfel wordt getrokken of hij na verloop van tijd zijn oude werk weer zou kunnen uitvoeren en de noodzaak tot oriëntatie op ander passend werk wordt groot geacht, waarbij de haalbaarheid van de voorkeur van [X.] voor werkzaamheden in de bouwsector op zijn minst twijfelachtig wordt geoordeeld. [X.] werd onveranderd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheids-klasse 35-45% en werd in de gelegenheid gesteld om zich tot 1 januari 2002 te oriënteren op andere mogelijkheden binnen en buiten de bouwsector.

4.1.8. In een rapportage d.d. 19 december 2001 van de arbeidsdeskundige van sfb uitvoeringsorganisatie (prod 2 MvA) is vermeld:

“Uit het gesprek met cliënt blijkt dat zijn klachten momenteel zo zijn toegenomen, dat hij geheel niet werken kan. Er zal (…)een herkeuring volgen. (…) Begeleiding-bemiddeling is niet aan de orde.”

4.1.9. In een rapport van uwv bouwnijverheid d.d. 14-06-2002 waarvan alleen de eerste pagina is overgelegd (CvA prod. 10) is onder meer vermeld:

“Anamnese:

Is circa maart 2001 aan HNP geopereerd die was traumatisch ontstaan na val van trap; had toen rugpijn en uitstraling linker been. Operatie heeft eigenlijk niet goed geholpen; houdt erg veel pijn in de rug; neuroloog hem doorgestuurd naar orthopeed en pijnpoli; toen naar St MaartenKliniek, “niets meer aan te doen, mee leren leven”. Meeste pijn bij zitten maar ook bij lang staan of lopen. Lopen 10 minuten is al zeer zwaar en moet dan gaan liggen; fietsen ook slechts circa 2 km; Veel stress van WG die alleen aan eigen belang denkt; werkt er al 20 jaar en hoort nu niets van WG; was in feite sprake van een bedrijfsongeval maar WG stopt alles in doofpot.”

4.1.10. In een brief d.d. 11 november 2002 van de neuroloog Dr. L.H. Visser, schrijft deze onder meer aan de raadsman van [X.] (prod 10 CvA):

“Op de EHBO-formulieren van 24-9 staat inderdaad vermeld dat hij van een trapje is gevallen, op de voeten terechtgekomen met sindsdien verergering van de rugpijn. Hoewel het dus niet precies meer te achterhalen is wat nu precies de exacte anamnese geweest is, zou mijn voorstel zijn dat u de zinsnede, het staat vermeld bij de anamnese op 22-9-2000, is patiënt van een trapje gevallen, en dan de volgende zinsnede, nadat het in zijn rug was geschoten, dat u dit gedeelte niet vermeldt.”

4.1.11. In een verklaring d.d. 6 augustus 2003 van de huisarts van [X.] schrijft deze onder meer:

“Sinds 1996 recidiverende lage rugklachten; diverse specialisten bezocht. Discopathie L4-L5. Geen verband met abces van 1991.

Sinds 22-9-’00: Ernstige klachten verergering bij pre-existente lumbago tgv val!

(…) Dit letsel is ontstaan op een kwetsbare rug; het was er eerder zeker niet!”ijHij

4.1.12. [Y.] was ten tijde van het ongeval in het bezit van het Veiligheidscertificaat Aannemingsbedrijven, destijds met één ster en thans met twee sterren.

[X.] heeft ten behoeve van zijn werk bij [Y.] op 29 oktober 1999 het diploma Basis Veiligheid VVA 1 gehaald. Hem is een persoonlijk handboek gegeven met de VGM richtlijnen.

4.2. Volgens [X.] is hij tengevolge van het ongeval arbeidsongeschikt geraakt. Hij stelt dat [Y.] op 22 september 2000 niet aan haar zorgverplichting jegens hem, als werknemer, heeft voldaan en dat daardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij heeft [Y.] op 29 april 2005 gedagvaard en gevorderd zoals hiervoor onder 2.1 vermeld.

Na verweer van [Y.] heeft de kantonrechter de vordering van [X.] afgewezen, kort gezegd, omdat hij oordeelde dat [Y.] niet tekort is geschoten in het voor het verrichten van de arbeid treffen van zodanige maatregelen en geven van zodanige aanwijzingen als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

4.3. [X.] komt van dit vonnis in hoger beroep. De door hem aangevoerde enige grief heeft de strekking het geschil in zijn geheel opnieuw ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Hij voert onder meer het volgende aan:

Sinds het stoppen van de loondoorbetaling, twee jaar na het ongeval, is hij aangewezen op een sociale zekerheidsuitkering, die lager is dan het inkomen dat hij had kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Hij heeft tengevolge van het arbeidsongeval dagelijks ernstige pijnklachten en is daardoor beperkt. Later bleek dat hij aan een ernstige hernia leed. Zijn schade bestaat uit verlies aan arbeidsvermogen, verlies aan zelfwerkzaamheid en immateriële schade.

Het hof zal de diverse stellingen die [X.] aanvoert ter onderbouwing van zijn vordering en het verweer van [Y.] hiertegen hierna beoordelen.

4.4.1. [Y.] heeft volgens [X.] de arbeidsinspectie niet tijdig ingelicht over het ongeval. Zijn collega [Z.], die hem op de grond aantrof na de val, heeft hem direct na het ongeval ziek gemeld bij [Y.], gezegd dat het om een ongeval ging en gevraagd om invulling van een zogenaamd VCA formulier. [X.] legt terzake een schriftelijke verklaring over van [Z.]. Hijzelf heeft na zijn terugkeer uit het ziekenhuis contact opgenomen met [A.] en heeft gemeld dat zijn ziekte was veroorzaakt door een arbeidsongeval. Hij stelt erop gewezen te hebben dat [Y.] ervoor moest zorgen dat er een arbeidsongevallenformulier moest worden ingevuld. Dat is nooit gebeurd, ook niet na herhaald aandringen zijnerzijds. Ook de arbeidsinspectie is niet door [Y.] ingeschakeld.

4.4.2. [Y.] heeft hiertegen ingebracht, dat haar directeur, [A.], [X.] arbeidsongeschikt heeft gemeld, maar dat haar directeur de val van het trapje niet als een bedrijfsongeval heeft beschouwd, noch heeft hoeven te beschouwen.

Dat is de reden dat er geen ongevallenformulier is ingevuld. In de terugkoppelingen van de bedrijfsarts is evenmin ooit het woord bedrijfsongeval genoemd. Uit de rapporten blijkt slechts dat [X.] op 22 september 2000 tengevolge van rugklachten is uitgevallen voor zijn werk. Het incidenteel appel van [Y.] is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat de rugklachten het gevolg zijn van het tijdens de uitvoering van werkzaamheden glijden van een trap, zodat er sprake is van een bedrijfsongeval.

4.4.3. Het hof oordeelt als volgt. Het feit dat [X.] van een trapje is gevallen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, vervolgens naar het ziekenhuis is gebracht en zijn werkzaamheden niet de volgende dag en ook niet kort daarna heeft hervat zouden voor [Y.] voldoende aanleiding moeten zijn geweest om die val aan te merken als een arbeidsongeval. Daarbij diende het antwoord op de vraag of de val het gevolg was van een scheut in de rug, zoals [Y.] stelt, dan wel of de scheut in de rug het gevolg was van de val, vooralsnog in het midden blijven, omdat dit niet van invloed is op de vraag of die val als arbeidsongeval was aan te merken.

Dit oordeel brengt echter nog niet mee dat de val direct aan de arbeidsinspectie gemeld had moeten worden, zoals [X.] stelt, en dat [Y.] dit had moeten begrijpen. Melding bij de inspectie is volgens de Arbowet immers alleen verplicht ingeval van een ernstig ongeval, dat wil zeggen een ongeval waarna binnen 24 uur ziekenhuis opname volgt of sprake is van overlijden, ernstig letsel of blijvende invaliditeit. In casu heeft geen ziekenhuisopname plaatsgevonden en kon het destijds voor [Y.] niet direct duidelijk zijn dat [X.], die immers na zijn bezoek aan het ziekenhuis naar huis werd gestuurd, hier, zoals [X.] heeft gesteld en [Y.] gemotiveerd heeft betwist, een blijvende invaliditeit aan zou overhouden. Wat hier ook van zij, de kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat het (al dan niet terecht) uitblijven van een melding bij de arbeidsinspectie op zichzelf niet tot gevolg heeft dat aansprakelijkheid van de werkgeefster dient te worden aangenomen.

4.5.1. [X.] stelt dat op het werk vanwege [Y.] een hoge veiligheidstrap van circa 2,50 meter hoog aanwezig was, maar dat deze niet geschikt was om de ramen boven de deuren te plaatsen. [Y.] had ook een klein trapje ter beschikking gesteld. Dit was volgens [X.] geen professionele trap, maar een trapje voor consumentengebruik. De treden waren te smal en gaven geen stabiele ondergrond als er bij het monteren van de ramen enige kracht moest worden uitgeoefend. De trap was glad als gevolg van stucresten.

4.5.2. [Y.] heeft hiertegen ingebracht dat zij in september 2000 een VCA* gecertificeerd bedrijf was en dat zij bovendien ISO gecertificeerd is. Om die reden beschikte zij uitsluitend over goedgekeurde klimmaterialen, waaronder het trapje in kwestie. Zij beschikt niet meer over de veiligheids- en keurcertificaten. De ladder- en overige keuringen worden drie jaar bewaard en zijn niet meer aanwezig in het archief. In dit verband wijst zij erop dat zij pas op 23 september 2002 en vervolgens eerst weer op 21 december 2004 door [X.] aansprakelijk is gesteld. Voorts stelt zij dat de val van de trap werd veroorzaakt door de pijnscheut in de rug.

4.5.3. Het hof is van oordeel dat, nu vaststaat dat [Y.] op 20 september 2000 een VCA* gecertificeerd bedrijf was, in rechte vooralsnog kan worden aangenomen dat de aan [X.] ter beschikking gestelde kleine trap die hij gebruikte ten tijde van het ongeval, voldeed aan de aan een dergelijke trap te stellen veiligheidseisen. [X.] kan desgewenst hiervan tegenbewijs leveren. Voor wat betreft de stelling die [X.] in eerste aanleg innam, namelijk dat het trapje glad zou zijn geweest vanwege stucresten, verwerpt het hof deze stelling, nu [Y.] onweersproken heeft aangevoerd dat eventuele stucresten een trap niet glad maken, maar als harde steen opdrogen. Overigens is het hof van oordeel dat [X.] zelf voldoende ervaren en opgeleid was om vast te stellen of de trap al dan niet schoongemaakt moest worden en daarvan zonodig melding te maken. Het hof wijst in dit verband op blad 1 van de basisregels m.b.t. de veiligheid bij het uitvoeren van werken, die golden in het bedrijf van [Y.], (prod. 6 bij CvA), waarin staat dat ladders/steigers voor elk gebruik dienen te worden gecontroleerd. Ook neemt het hof in aanmerking dat [X.] het diploma Basisveiligheid VVA 1 had behaald, zoals onder 4.1.12 vermeld. Voor wat betreft de vraag of een trap voor deze werkzaamheden van [X.] veilig was, verwijst het hof naar de hiernavolgende overwegingen onder 4.6.1 tot en met 4.6.3.

4.6.1. [X.] stelt voorts dat aan hem voor de werkzaamheden voorzover die bestonden uit het plaatsen van ramen bovenin systeemwanden, een rolsteiger ter beschikking had dienen te staan.

4.6.2. Volgens [Y.] was er geen rolsteiger nodig voor deze werkzaamheden, waar het ging om het plaatsen van systeemwanden en van enkele ramen boven deuren bij een plafondhoogte van maximaal 2,70 meter.

4.6.3. Het hof stelt vast dat de inhoud van de werkzaamheden zoals door [Y.] uiteengezet door [X.] niet gemotiveerd is weersproken en tussen partijen vaststaat.

Volgens de vóór 1 juli 2004 geldende regelgeving was het gebruik van ladders voor het uitvoeren van werkzaamheden toegestaan. Ook na 1 juli 2004 wordt onder meer een uitzondering gemaakt bij korte klussen en hebben de sociale partners als thans nog geldende Leidraad aangenomen dat een ladder is toegestaan als een klus niet langer duurt dan 2 uur, de stahoogte tussen 2,5 en 5 meter ligt en de windkracht niet boven de 6 uitkomt. Het enkele feit dat [X.] dan ook af en toe op een derde of vierde trede van een trap moest staan, op overigens een veel lagere stahoogte dan 2,5 meter, leidt dan ook niet reeds tot de conclusie dat er sprake was van een onveilige werksituatie. Dat kan echter anders zijn, indien daarbij een raam moet worden opgetild en – soms met enige kracht – moet worden geplaatst, waarbij sprake kan zijn van het risico het evenwicht te verliezen. Het hof zal daarom [Y.] opdragen te bewijzen dat de werkzaamheden die [X.] uitvoerde, waaronder het plaatsen van een raam boven een aantal deuren, veilig konden worden uitgevoerd met gebruikmaking van een trap. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om inzake de bewijslast op dit punt af te wijken van de regel van 7: 658 BW omdat [X.] lange tijd heeft doen verstrijken alvorens [Y.] aan te spreken, zoals [Y.] bepleit, en wel reeds op de grond dat [Y.], zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, destijds ten onrechte heeft aangenomen dat er hier geen sprake was van een bedrijfsongeval en dit daaruit voortkomende eventuele bewijsprobleem voor haar rekening komt. Het hof oordeelt de stelling van [X.] dat het raam iets te groot zou zijn geweest niet van belang, omdat dit niet een omstandigheid is die duidt op onvoldoende zorgplicht zijdens [Y.].

4.7.1. Verder stelt [X.] dat hij na de val op de werkvloer is uitgegleden. De vloer was van zeil dat regelmatig met machines werd geboend, waarna de vloer in de ochtend glad was. Na enkele dagen lag er rommel, zoals stof en zaagsel op de vloer, waardoor deze ook glad werd. Er werd volgens hem onvoldoende schoon gemaakt door de werknemers van de onderaannemers die daar ook aan het werk waren. [X.] en [Z.] waren het beu de rommel van anderen steeds op te ruimen. Ondanks dat zij hierover bij [Y.] klaagden werd er door deze niet ingegrepen.

4.7.2. [Y.] heeft hiertegen ingebracht dat de ruimte waarin gewerkt werd geheel ter vrije beschikking van [Y.] stond, zodat daar niet geboend kon worden. Zij is van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat van [X.] mag worden verlangd dat hij, gelet op de algemene instructies, zijn opleiding en ervaring van 20 jaar timmerman zelf zou zorgen voor een schone werkomgeving.

4.7.3. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [X.], die beschikte over het veiligheids-diploma en een zeer ervaren timmerman was, zelf diende te zorgen voor het aanvegen van de vloer. Zijn argument dat hij en zijn collega [Z.] het “beu” waren de rommel van anderen op te ruimen duidt erop dat zij zich van die “rommel” bewust waren en het kennelijk niet nodig vonden deze op te ruimen. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat de vloer hierdoor onverantwoord glad zou zijn, hetgeen geenszins vaststaat, kan dit niet als een tekortschieten van [Y.] in haar zorgplicht worden aangemerkt, nu het tot het werk van [X.] en [Z.] hoorde om voor een voldoende opgeruimde werkplek te zorgen en geen feiten zijn gesteld waaruit moet volgen dat van [Y.] nadere veiligheidsmaatregelen of instructies hadden mogen worden gevergd.

4.8.1. Verder voert [X.] aan dat [Y.] een onvoldoende actief veiligheids-en arbeidsomstandig-hedenbeleid heeft gevoerd. Er is geen Risico Inventarisatie en – Evaluatie opgesteld.

Er heeft volgens hem nooit een toolbox meeting plaatsgevonden gedurende de periode dat hij tewerkgesteld was bij het Eindhovens Dagblad. Deze meetings dienen 10 x per jaar plaats te vinden. De meeting van 14 september 2000 vond plaats op het werk van Brabant Pers te [vestigingsplaats], dus niet op de werkplek waar hem het ongeval overkwam.

Voorts was er sprake van een hoge werkdruk. De werkzaamheden bij het Eindhovens Dagblad waren reeds een half jaar aan de gang en dienden medio oktober 2000 klaar te zijn, terwijl zij in september nog niet op de helft waren. Zij dienden het werk in hoog tempo uit te voeren. [Z.] en hij hebben daarover regelmatig de heer [A.] aangesproken, maar deze zond geen extra werknemers. Klachten over de werkdruk diende hij volgens [Y.] kenbaar te maken middels een klachtformulier, maar dat is hem, ondanks verzoek stelt hij, niet ter beschikking gesteld.

4.8.2. [Y.] brengt hiertegen in, dat voor de werkzaamheden die [X.] op 20 september 2000 uitvoerde bij het Eindhovens Dagblad geen afzonderlijke veiligheids- en risico-inventarisatie nodig was. Als VCA* gecertificeerd bedrijf wordt er binnen haar bedrijf veel aandacht aan het aspect veiligheid besteed. Er vonden 13 toolboxmeetingen per jaar plaats. Het lag op de weg van [X.] om eventuele klachten conform de VGM-richt¬lijnen, die opgenomen zijn in zijn persoonlijk handboek, onder de aandacht van [Y.] te brengen, danwel deze te noemen tijden de toolbox meeting “Ogen en Oren”, die bedoeld is om [Y.] opmerkzaam te maken op problemen of onveiligheden. Een Toolbox meeting had zelfs onder meer plaatsgevonden op 14 september 2000, dus één week vóór het ongeval en [X.] was daarbij aanwezig. [X.] heeft toen geen melding gedaan over een onveilige werksituatie. [X.] heeft zich tot september 2002, dus tot 2 jaar na het ongeval, nooit beklaagd over het veiligheidsbeleid.

[Y.] betwist dat de werkdruk te hoog was. Zij legt een kopie over van de opdracht betreffende deze werkzaamheden van het Eindhovens Dagblad, waaruit blijkt dat zij op 1 september 2000 offerte heeft uitgebracht voor deze werkzaamheden en deze op 11 september 2000 is aanvaard. Er was dus, anders dan [X.] beweert, geen sprake van dat zij in september 2000 na een half jaar werkzaamheden nog niet op de helft was van de gegeven opdracht en dat het werk in oktober 2000 gereed diende te zijn.

4.8.3. Het hof oordeelt als volgt:

Volgens het Arbo-besluit was in het jaar 2000 een risico-inventarisatie- en evaluatie voor de bouwsector pas voorgeschreven indien er sprake was van bouwwerken die tenminste 500 mandagen in beslag nemen. Nu op grond van de in het geding gebrachte opdrachtbevestiging van 11 september 2000 niet kan worden aangenomen dat het hier ging om een verbouwing die reeds een half jaar duurde, zoals [X.] stelt, maar om een opdracht die pas op 11 september 2000 is gegeven aan de “huisaannemer” en die, volgens [X.], in oktober 2000 gereed diende te zijn, kan het hof, zonder nadere toelichting door [X.], die ontbreekt, niet aannemen dat het hier om een werk van meer dan 500 mandagen ging. Het ontbreken van een RIE-rapport brengt overigens nog niet mee dat, in relatie tot de oorzaak van het ongeval, [Y.] in haar zorgplicht jegens [X.] is tekortgeschoten. Door [X.] is verder niet aangegeven op grond van welke andere regels of afspraken een risico-inventarisatie voor de opdracht waar hij op 20 september 2000 aan werkte bij het Eindhovens Dagblad zou hebben moeten plaatsvinden, zodat het hof deze stelling als zijnde onvoldoende onderbouwd verwerpt.

Het hof is voorts van oordeel dat de toolbox meeting d.d. 14 september 2000, ook indien deze in een ander gebouw plaatsvond van Brabant Pers, [X.] voldoende gelegenheid heeft gegeven om eventuele door hem als onveilig ervaren werkomstandigheden te melden.

Voor wat betreft de door [X.] gestelde hoge werkdruk, is het hof van oordeel dat, nog afgezien van het antwoord op de vraag of daarvan wel sprake was, nu [X.] dit geenszins onderbouwt - zo stelt hij bijvoorbeeld niet dat hij overuren zou hebben gemaakt – heeft [X.] ook onvoldoende gesteld om een verband te kunnen aannemen tussen de door hem beweerde hoge werkdruk en het ongeval.

4.9. Het hof zal thans het verweer van [Y.] beoordelen, dat zij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van de trap, meer in het bijzonder de rugklachten en schade van [X.].

4.9.1. Volgens [Y.] was de val van de trap op 20 september 2000 niet de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [X.]. [Y.] wijst erop dat [X.] reeds vele jaren rugklachten had en in de periode van 3 januari 2000 tot 2 juli 2000, dus voorafgaand aan het ongeval 24 dagen arbeids-ongeschikt is geweest. (prod 3 MvA). [X.] is weliswaar tengevolge van rugklachten uitgevallen voor zijn werk, maar dat betekent nog niet dat de val van het trapje de oorzaak is van de langdurige arbeidsongeschiktheid. Zij heeft uit de rapportages van de bedrijfsartsen nooit begrepen dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is geweest van die val.

Wel heeft [Y.] op verzoek van [X.] ruim twee jaar na de val van het trapje een beroep gedaan op de ongevallenpolis volgens de CAO Bouwbedrijf. De verzekeraar heeft een uitkering afgewezen. [Y.] is zeer betrokken geweest bij een mogelijke reïntegratie en heeft o.m. omscholing gefinancierd.

4.9.2. Het hof oordeelt hierover als volgt:

Het hof is met [Y.] van oordeel dat [X.] tot dusverre onvoldoende bewijs heeft aangebracht op grond waarvan kan worden aangenomen dat zijn thans nog voortdurende rugklachten en arbeidsongeschiktheid het gevolg zijn van de val van de trap. In dit verband oordeelt het hof onder meer relevant dat uit de rapportage van sfb uitvoeringsorganisatie d.d. 19 december 2001 (hiervoor 4.1.8 en prod. 2 MvA) blijkt dat, na hervatting in aangepaste werkzaamheden, de klachten van [X.] dermate zijn toegenomen, dat hij zich niet tot werken in staat achtte en dat uit de rapportage d.d. 23 november 2000 van de neuroloog aan de huisarts Visser (hiervoor 4.1.6 en prod.9 CvA) blijkt dat [X.] sinds 1992 chronische rugklachten heeft, in 1998 discopathie van L2 tot L5 is vastgesteld en een bulging disc L4-L5, terwijl er in november 2000 een forse HNP L4-L5 is gezien, maar ook forse arthrose van de lendewervels werd geconstateerd. Evenmin is duidelijk geworden of de operaties die hij heeft ondergaan betrekking hadden op een beschadiging die tijdens die val is opgelopen. Het enige dat tot dusverre als vaststaand kan worden aangenomen, is dat [X.] als gevolg van die val ernstige pijn heeft geleden, maar hoe lang dat is geweest staat niet vast. Zelfs de stelling van [X.] dat de operatie van maart 2001 die hij zou hebben ondergaan een HNP betrof die traumatisch was ontstaan na val van trap en dat die operatie niet goed heeft geholpen, blijkt alleen uit de anamneses opgenomen in onder meer de rapportages d.d. 23 november 2000 van de neuroloog en d.d. 14 juni 2002 van UWV bouwnijverheid (hiervoor onder 4.1.9) Aangezien een anamnese de mededelingen van de patiënt zelf betreft, valt hieruit onvoldoende bewijs te putten voor het causaal verband tussen de val van het trapje en de arbeidsongeschiktheid van [X.], evenals de mate van arbeidsongeschiktheid die met die val samenhangt.

Indien, na bewijslevering, zou blijken dat [Y.] tekort is geschoten in haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW, zal hoogst waarschijnlijk een deskundigenonderzoek nodig zijn in verband met de vaststelling van het verband tussen de val van de trap en de omvang van het daardoor veroorzaakte letsel en de begroting van de schade, zulks mede gelet op de persoonlijke predispositie van [X.] voor rugklachten en de mogelijkheid dat de beperkingen van [X.] ook zonder de val van de trap zouden zijn ontstaan.

4.10. Het hof houdt iedere beslissing aan.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

laat [X.] toe tot het leveren van bewijs aangaande zijn stelling dat het trapje waarvan hij op 20 september 2000 is afgevallen niet voldeed aan de daarvoor te stellen professionele eisen, zoals die gehanteerd werden voor voor een VCA*-certificering;

draagt aan [Y.] bewijs op van haar stelling dat de aan [X.] opgedragen werkzaamheden op 20 september 2000 zoals hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 omschreven, waaronder het plaatsen van ramen boven een aantal deuren, veilig konden plaatsvinden met gebruikmaking van een trap en dat een rolsteiger daarvoor niet vereist was;

bepaalt, voor het geval partijen bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Spoor als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, waarbij de beide enquêtes aansluitend op elkaar zullen plaatsvinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 april 2008 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op vrijdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [Y.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdos¬sier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenver¬hoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [X.] en [Y.] tenmin¬ste zeven dagen voor het verhoor de namen en woon¬plaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Spoor, Slootweg en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 april 2008.