Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
20-002749-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

XTC-laboratorium in Den Dungen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002749-07

Uitspraak : 22 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-889057-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond,

waarbij:

- de verdachte voor de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn onttrokken aan het verkeer;

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn verbeurd verklaard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de rechtbank.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2006 tot en met 28 december 2006 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2006 te Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33.000 zogenaamde xtc-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of ongeveer 5,75 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2006 tot en met 09 januari 2007 te Eindhoven (locatie [adres 2]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een materiaal bevattende een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een drukvat en/of glazen kolven en/of verwarmingsmantels en/of koelbuizen en/of aceton en/of overige voorwerpen ten behoeve van een laboratoriumopstelling voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat/die voorwerp(en) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 09 januari 2007 te Eindhoven (locatie [adres 3]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet en/of het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oud), te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, twee tabletteermachines en/of toebehoren, te weten stempels en/of een matrijs en/of een (metalen) vulmond en/of twee vliegwielen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wel bewezen dat de verdachte de in de feiten 3 en 4 genoemde goederen voorhanden heeft gehad en tevens dat hij wist dat die voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet.

Het bewijs schiet echter te kort om de overtuiging te bekomen dat verdachte deze goederen aanwezig had om een zodanig feit voor te bereiden en/of te bevorderen.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast.

Op 28 december 2006 werd door verbalisanten van de Regiopolitie Brabant-Noord een onderzoek ingesteld naar drie bedrijfsinbraken in een bedrijfspand op het [adres 4] te Den Dungen. Op dit perceel bevonden zich twee bedrijfspanden. Verbalisanten gingen ter plaatse naar aanleiding van een melding dat de bestuurder van een “glaswagen” zich op dat perceel opvallend zou hebben gedragen. Verbalisanten troffen een dergelijk voertuig onbeheerd aan.

In het noordelijke bedrijfspand waren vijf afzonderlijke bedrijfsruimten gevestigd. Elk van deze ruimten was uitsluitend toegankelijk via een deur aan de buitenzijde en er waren verder geen ramen of deuren aanwezig. In dit pand zagen verbalisanten dat de hangsloten van de toegangsdeuren van twee bedrijfsruimten verbroken waren. Voorts zagen zij via een kier op nokhoogte in de tussenwand tussen twee bedrijfsruimten dat er licht brandde in de bedrijfsruimte van [bedrijfsnaam 1]. Deze bedrijfsruimte was aan de buitenzijde niet voorzien van een hangslot, maar de toegangsdeur kon niet worden geopend. Vervolgens hebben verbalisanten door via een kier in de tussenwand naar binnen gekeken. Zij zagen een technische installatie die zij herkenden als een XTC-laboratorium. Verbalisanten hebben het pand toen ingesloten en bewaakt voor een nader onderzoek van de bedrijfsruimte van [bedrijfsnaam 1].

Medeverdachte [naam medeverdachte 1] werd korte tijd later aangetroffen in een hondenhok gelegen tussen de twee bedrijfspanden en werd vervolgens aangehouden. Hij bleek via een gat in de houten achterwand de bedrijfsruimte te hebben verlaten.

Aan een ter plaatse aanwezige verbalisant werd door een medewerker van een aldaar gevestigd bedrijf medegedeeld dat zich twee personen in het vrachtwagentje (glaswagentje) hadden bevonden toen deze die ochtend arriveerde, die beiden achter de bruine loods verdwenen. Deze persoon verklaarde dat de bestuurder van het vrachtwagentje door de politie was aangehouden en gaf tevens het signalement van de bijrijder door. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte toegegeven die ochtend samen met [medeverdachte 1] bij het bedrijfspand aan de [adres 4] te zijn gearriveerd.

Bij nader onderzoek van het laboratorium werden onder meer 33.100 XTC-pillen en 5,75 kilo poeder in beslag genomen. Uit onderzoek door het NFI bleek dat zowel de XTC-pillen als het poeder MDMA bevatten.

In het bedrijfspand werd door het NFI een groot aantal goederen aangetroffen, te weten onder meer:

- al dan niet gevulde jerrycans en kunststof (zuurkool)vaten;

- gascilinders met het uiterlijk van zoutzuur-, waterstof en methylaminegas;

- drie werkende vriezers gevuld met ijs en vermoedelijk koelvloeistof;

- een zelfgebouwde kast met 15 dicht op elkaar geplaatste houten planken die was voorzien van een luchtinblaassysteem;

- een vacuümscheider om vloeistoffen te filtreren;

- een gevulde solvent recycler;

- divers klein laboratorium- en huishoudelijk materiaal: pH-meter, diverse maten elektrische weegschalen, vacuümpompen, reduceerventielen, twee elektrische kacheltjes, kunststof speciekuipen, mixers, een sealapparaat en diverse slangen met koppelstukken en kranen.

Een aantal monsters genomen uit de aangetroffen goederen bevatte MDMA.

Daarnaast werden in het bedrijfspand twee aanhangwagens aangetroffen. In een waren twee stalen ketels opgesteld. Eén ketel had het uiterlijk en de kenmerken van een drukvat. De andere ketel had de uiterlijke kenmerken van een destillatiesysteem. Vloeistofmonster uit beide ketels bevatten MDMA. In de andere aanhangwagen stond een rondlopertabletteermachine, waarvan de stempels ontbraken. Poeder afkomstig uit deze machine bevatte MDMA.

Door het NFI werd geconcludeerd dat in het bedrijfspand MDMA werd vervaardigd.

De verdachte wordt [naam verdachte] genoemd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is (onder meer) aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij het XTC-laboratorium.

A2.

Het hof overweegt dienaangaande dat tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep door medeverdachte [medeverdachte 1] verscheidene verklaringen zijn afgelegd. Het hof acht de volgende verklaringen te dezen van belang.

1.De verklaring zoals afgelegd bij de politie op 31 december 2006, voor zover inhoudende dat:

- hij de persoon die hem benaderde en waarmee hij ook samen daadwerkelijk het XTC-lab is gaan exploiteren al heel lang kent;

- de persoon [naam verdachte] heet en in [woonplaats] woont.

2. De verklaring zoals afgelegd bij de politie op 3 januari 2007, voor zover inhoudende dat:

- hij eind oktober of begin november 2006 met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) gesproken heeft over de ruimte waarin hij op 28 december 2006 werd aangehouden;

- hij niet wist waarvoor [verdachte] de ruimte nodig had en er ook niet naar gevraagd had;

- hij een ruimte wist bij [betrokkene];

- hij begin november 2006 met [betrokkene] afsprak om de ruimte te huren;

- hij op een zaterdagmorgen in november twee aanhangwagens had opgehaald in [plaats];

- hij toen met [verdachte] is meegereden;

- [verdachte] en hij de aanhangwagens een voor een naar de loods (het hof begrijpt: het bedrijfspand) van [betrokkene] brachten;

- hij, nadat de aanhangwagens door [verdachte] waren geopend, zag dat er allerlei spullen in zaten;

- er ongeveer vijf keer op een afgesproken plek spullen vanuit de auto van [verdachte] in zijn bus zijn overgeladen;

- het vaak boodschappentassen en volle jerrycans waren;

- hij ook een keer onbekende spullen mee heeft gekregen vlakbij [verdachtes] huis;

- hij begin december in de loods samen met [verdachte] een aantal zaken heeft opgebouwd;

- hij in de loods werkzaamheden heeft verricht in opdracht van [verdachte];

- hij gezien heeft dat [verdachte] allerlei werkzaamheden verrichtte.

3. De verklaring zoals afgelegd bij de politie op 4 januari 2007, voor zover inhoudende dat:

- [naam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), toen de politie arriveerde, door een gat in de achterwand van de loods (het hof begrijpt: het bedrijfspand) via het dak van de naast gelegen loods wegvluchtte;

- hij zich verstopte in een hondenhok achter de loods alwaar hij later aangehouden werd;

- met hulp van [naam betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]) twee schotten waren geplaatst om een hoek, rechts aan de voorzijde van deze loods, af te schermen;

- hij achter deze schotten pillen heeft gewogen en ingepakt;

- [verdachte] de pillen “tikte” en hem de pillen gaf die klaar waren;

- [verdachte] dit in de aanhanger deed.

4. De verklaring zoals afgelegd bij de politie op 1 februari 2007, voor zover inhoudende dat:

- hij niet gelogen heeft in zijn verklaringen;

- hij zeer zeker niet de hoofdverdachte is in het drugslaboratorium

- niemand anders dan [verdachte] wist dat hij in het drugslaboratorium werkte;

- hij niet weet hoe de verhuisdoos met het opschrift “Speelgoed [naam zoon verdachte]” in het lab is gekomen;

- het niet waar is dat [verdachte] hem die doos zou hebben gegeven;

- [verdachte] die doos in het lab moet hebben neergezet.

5. De verklaring zoals afgelegd in zijn eigen strafzaak in hoger beroep ter terechtzitting van 13 maart 2008, voor zover inhoudende dat:

- hij de ruimte in de loods (het hof begrijpt: het bedrijfspand) waarin het XTC-laboratorium is aangetroffen, had gehuurd;

- die ruimte op een gegeven moment leeg stond;

- [verdachte] hem vroeg of hij een ruimte wist en hij daarop “ja” heeft gezegd;

- hij op verzoek van [verdachte] vervolgens spullen heeft opgehaald en in de loods gezet;

- hij in totaal twee aanhangers en een diepvries heeft opgehaald en naar die loods heeft gebracht;

- die spullen gestald stonden in [plaats] en van [verdachte] waren;

- [verdachte] geen auto met trekhaak had, vandaar dat deze hem vroeg die spullen op te halen;

- hij in een latere fase aceton heeft gehaald en in de loods heeft gezet;

- hij zelf geen spullen heeft aangeschaft;

- zover hij weet alleen [verdachte] en hij bij het laboratorium betrokken waren;

- hij er helemaal geen geld aan over heeft gehouden;

- [verdachte] hem nooit een verhuisdoos heeft gegeven waarop stond vermeld: “Speelgoed [naam zoon verdachte]”;

- er uiteindelijk XTC is gemaakt;

- [verdachte] op 28 december 2006 het apparaat aan het repareren was;

- die 33.000 pillen zijn vervaardigd in het laboratorium, voordat een storing optrad;

- hij van [verdachte] geld heeft gekregen om de diepvries die in de loods stond, te gaan kopen;

- [verdachte] hem 10.000 euro had beloofd.

A3.

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] steun vinden in het navolgende.

i.

De verklaring van [medeverdachte 2], zoals afgelegd bij de politie op 10 januari 2007, voor zover inhoudende dat:

- hij gaten en verlichting heeft gemaakt in een aanhangwagen van [verdachte];

- dit een dichte, witte, enkelassige aanhangwagen was;

- [naam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) hem in 2005 vroeg of hij een gat, voor een soort van luik, in de aanhangwagen wilde maken;

- hij één aanhangwagen heeft gemaakt.

ii.

De verklaring van [medeverdachte 2], zoals afgelegd bij de politie op 16 januari 2007, voor zover inhoudende dat:

- hij de door verbalisanten getoonde foto’s van de aanhangwagen met aan beide zijden openingen herkende als de aanhangwagen waarin hij openingen gemaakt had;

- hij die foto’s herkende aan de beide openingen en de afwerking van die openingen en de regengoot boven die opening;

- hij, toen [verdachte] die aanhangwagen op kwam halen, zag dat er een soortgelijke ketel in stond als op de hem getoonde foto’s.

iii.

De verklaring van [getuige], zoals afgelegd bij de politie op 4 januari 2007, voor zover inhoudende dat:

- hij eigenaar is van de caravanstelling op de [vestigingadres] te [vestigingsplaats];

- er aanhangers gestald staan op zijn terrein;

- de eigenaar zo’n 6 weken geleden de aanhanger met een bus van het merk Volkswagen of Ford op heeft gehaald;

- de eigenaar samen met nog iemand was;

- hij over de eigenaar in zijn administratie de volgende gegevens heeft: “[naam medeverdachte 3], [adres 5], 2926909, aanhanger, gestald 15-4-06”;

- het een luxe, geheel afgesloten aanhangwagentje was.

Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is [naam medeverdachte 3] de naam van de partner van [verdachte] en is [adres 5] het adres van [bedrijfsnaam 2], het bedrijf van verdachte.

iv.

In het bedrijfspand aan de [adres 4] te Den Dungen werd een verhuisdoos aangetroffen met het opschrift “Speelgoed [naam zoon verdachte]”. De zoon van verdachte heet [naam zoon verdachte].

[Medeverdachte 3] heeft op 11 januari 2007 onder meer verklaard dat:

- zij die doos kent;

- die doos gebruikt is bij haar verhuizing van de [adres 6] naar de [adres 1];

- zij de doos omstreeks juli – augustus 2006 gebruikt heeft om speelgoed van [zoon verdachte] over te huizen;

- zij het opschrift geschreven heeft;

- de doos na de verhuizing in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] is gebleven;

- zij de doos, toen hij leeg was, samen met alle andere verhuisdozen in het washok heeft gelegd;

- de doos, voor zover zij weet, na de verhuizing steeds in hun woning is geweest;

- zij niet weet of [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) de dozen ergens voor gebruikt heeft of mee naar toe heeft genomen;

- er, voor zover zij weet, geen dozen zijn weggegooid.

v.

Tijdens het technisch sporenonderzoek in de loods aan de [adres 4] te Den Dungen werden op een roermechanische op een diepvrieskast verschillende vingerafdrukken aangetroffen. Een van die vingerafdrukken, met het spoornummer PD25, komt overeen met een afdruk van de rechtermiddelvinger van verdachte.

A4.

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep tegen de onder A3. aangehaalde omstandigheden – zakelijk weergegeven - het volgende ingebracht:

a. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] op verzoek van [medeverdachte 1] de aanhangwagen aangepast.

b. Door [medeverdachte 1] is in de caravanstalling van [getuige] één aanhangwagen opgehaald. Dit was een aanhangwagen van [medeverdachte 1] die verdachte daar had gestald omdat [medeverdachte 1] deze niet kwam ophalen bij [medeverdachte 2].

c. De doos met daarop de tekst “speelgoed [naam zoon verdachte]” is door verdachte aan [medeverdachte 1] gegeven. Dat is waargenomen door een observatieteam.

d. [medeverdachte 1] kwam regelmatig bij langs bij het bedrijf van verdachte. Verdachte heeft van [medeverdachte 1] regelmatig ijzeren voorwerpen gekregen met de vraag om deze te repareren. Zo moet de vingerafdruk van verdachte op een onderdeel van het laboratorium terecht zijn gekomen.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a. Door [medeverdachte 1] noch [medeverdachte 2] is verklaard dat de aanpassingen van de aanhangwagen plaatsvonden op verzoek van [medeverdachte 1]. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan aannemelijk zou kunnen worden dat [medeverdachte 1] heeft verzocht de aanhangwagen aan te passen.

Ad b. De stelling van verdachte dat de in de stalling van [getuige] gestalde aanhangwagen van [medeverdachte 1] was en dat die door verdachte gestald was omdat [medeverdachte 1] deze niet kwam ophalen bij [medeverdachte 2], is door de verdediging niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is de juistheid van deze stelling niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat deze stelling geen steun kan vinden in de verklaringen van [medeverdachte 2]. Voorts neemt het hof daarbij in aanmerking dat de gegevens van de eigenaar van de aanhangwagen luidden “[naam medeverdachte 3], [adres 5]”. Het hof ziet niet in, verdachte heeft daarvoor ook niet een redelijke verklaring gegeven, waarom verdachte de naam van zijn vrouw en het adres van zijn bedrijf zou hebben opgegeven, terwijl hij de aanhanger van [medeverdachte 1] stalde.

Ad c. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat door het observatieteam is waargenomen dat verdachte de doos met het opschrift “Speelgoed [naam zoon verdachte]” aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Dat door de observanten zou zijn waargenomen dat verdachte aan [medeverdachte 1] een niet nader aangeduide doos zou hebben gegeven, kan aan dat oordeel niet afdoen.

Ad d. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep beschikte verdachte zelf niet over de apparatuur om ijzeren voorwerpen te repareren en kon hij niet lassen. [medeverdachte 1] zou volgens verdachte evenwel geweten hebben dat verdachte iemand kende die dergelijke voorwerpen kon repareren. Niet aannemelijk is evenwel geworden dat [medeverdachte 1] dit specifieke voorwerp aan verdachte heeft aangeboden ter reparatie, zodat dit de aanwezigheid van verdachtes vingerafdruk in het XTC-laboratorium niet kan verklaren.

Mitsdien kan het hof geen geloof hechten aan de lezing van verdachte met betrekking tot de onder A3. vermelde omstandigheden.

Daarbij is nog het volgende van belang. Verdachte is tijdens het onderzoek veelvuldig verhoord; daarbij zijn hem al binnen week na zijn aanhouding belastende verklaringen van [medeverdachte 1] voorgehouden. Bij die verhoren heeft verdachte zich met betrekking tot het thans nog ten laste gelegde steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij als evenweergegeven belastend over [medeverdachte 1] verklaard.

Een aannemelijke verklaring waarom verdachte in het opsporingsonderzoek steeds heeft geweigerd vragen te beantwoorden in stede van – gelijk in de rede zou hebben gelegen – deze voor hem toch ontlastende feiten en omstandigheden naar voren te brengen is ter terechtzitting aangevoerd nog gebleken.

B1.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep de geloofwaardigheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwist. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat deze medeverdachte middels deze verklaringen heeft getracht de schuld af te schuiven op verdachte en voorts dat deze verklaringen op bepaalde punten onjuistheden bevatten.

B2.

Het hof hecht geloof aan de verklaringen van [medeverdachte 1]. Het acht het niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] door deze verklaringen de schuld trachtte af te schuiven op verdachte. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de verklaringen niet slechts belastend zijn voor verdachte doch ook voor [medeverdachte 1] zelf. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen zou moeten worden getwijfeld. Te meer niet nu deze verklaringen steun vinden in de onder A3. vermelde omstandigheden.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 november 2006 tot en met 28 december 2006 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en opzettelijk heeft verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 28 december 2006 te Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33.000 zogenaamde xtc-pillen, bevattende MDMA, en ongeveer 5,75 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid (oud), van de Opiumwet.

Het onder 2. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid (oud), van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan:

- het bereiden en verwerken van MDMA, een werkzaam bestanddeel van zogeheten “XTC-pillen, in een “laboratorium” in Den Dungen;

- het opzettelijk aanwezig hebben van 33.000 “XTC-pillen” en een hoeveelheid van 5,75 kilogram MDMA.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten - overeenkomstig de eerste rechter - zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal de verdachte van de feiten 3. en 4. vrijspreken.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten bezware van verdachte heeft het in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

- de mate waarin het onder 1. bewezen verklaarde - vanwege het ontploffingsgevaar dat gepaard gaat met een chemische proces als het produceren van MDMA op de wijze waarop dat in casu gebeurde - gevaarzettend is geweest voor de directe omgeving van de locatie waar het betreffende -kort gezegd- XTC-laboratorium was gevestigd;

- de mate waarin een feit als het onder 1. bewezen verklaarde schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin en zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het vorenstaande.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2008, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feitencomplexen, die met het onderhavige geval grosso modo vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren tot uitgangspunt genomen.

Gelet echter op de omstandigheid dat verdachte blijkens het onderzoek ter terechtzitting als initiator en hoofduitvoerder van dit professionele laboratorium kan worden gezien, ziet het hof aanleiding om de duur van de overwogen gevangenisstraf te verlengen tot de in het dictum te noemen duur.

Beslag

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door

verdachte onder 1. begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven,

terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een tas met stempels, matrijs en metalen vulmond, nr. H.03.BG.7.6.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een buzzer van het merk Apollo, nr. H01A.BG2.2;

- twee vliegwielen, nr. H03.BG.7.7.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een half bankbiljet van 20 euro, nr. H01A.BG2.4;

- een gedeelte van een bankbiljet van 5 euro, nr. H01A.BG2.4;

- een oven, nr. H01.BG4.05.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. E.F.G.M. Gelderman en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.F.G.M. Gelderman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.