Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06/00433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting onweersproken gesteld, dat in de huidige tijd bowlingbanen als de onderhavige geprefabriceerde banen zijn, die compact en flexibel zijn en die in drie à vier dagen kunnen worden ingebouwd. De belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat de onderhavige banen van kunststof zijn en ook eenvoudig, snel en zonder beschadiging of breekwerk weer verwijderd kunnen worden. Tot slot heeft de belanghebbende onweersproken gesteld dat het plafond is voorzien van eenvoudig verwijderbare plafondplaten. De belanghebbende betoogt dat de onderhavige banen wezenlijk verschillen van bowlingbanen van voorheen, die van hout waren en waarvoor weken nodig waren om die te installeren.

Gelet op deze onweersproken gestelde omstandigheden is het Hof van oordeel dat de onderhavige bowlingbanen naar verkeersopvattingen beoordeeld geen onderdeel van de onroerende zaak uitmaken. Nu gesteld noch gebleken is dat de bowlingbanen zodanig verbonden zijn met de onroerende zaak dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken moet geconcludeerd worden dat de bowlingbanen ook niet op grond van het bepaalde in lid 2 van artikel 3:4 van het BW bestanddeel van de onroerende zaak zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1262
FutD 2008-1392
Belastingblad 2008/973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00433

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Z

hierna: de heffingsambtenaar

en

op het incidentele beroep van

X B.V. te Y

hierna: de belanghebbende

tegen de uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 11 oktober 2006, nummer 05/320 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar

met betrekking tot de uitspraak op bezwaar tegen de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan de belanghebbende gegeven beschikking van 27 februari 2004 waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 2 te B (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 en naar de toestand per 1 januari 2004 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is een beschikking gegeven waarbij de waarde van de onroerende zaak per de peildatum 1 januari 1999 en naar de toestand per 1 januari 2004 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 op € 728.400 (hierna: de beschikking). De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. De belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd alsmede de daarop gebaseerde aanslagen, bepaald dat de heffingsambtenaar een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en de aanslagen baseert op de nader vastgestelde WOZ-waarde, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep aangetekend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de belanghebbende de heer C, tot zijn bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede, namens de heffingsambtenaar, de heer D, tot zijn bijstand vergezeld van de heer mr. E, verbonden aan Adviesgroep Nederlandse Gemeenten te F.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. De belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een appartementsrecht, kadastraal bekend onder gemeente G, sectie -, nummer ----, indexnummer -. De onroerende zaak maakt deel uit van een pand. De onroerende zaak is gelegen op de begane grond van dit pand en bestaat uit een restaurant met bowlingcentrum, terras, ondergrond en terrein. Boven de onroerende zaak zijn in het pand particuliere woningen gelegen.

2.2. Op 26 augustus 1997 is aan de heer C, voornoemd, een bouwvergunning verstrekt. Bij aanvraag van die bouwvergunning was op de plaats van de bowlingbanen een parkeergarage gepland. Nadien zijn de plannen gewijzigd. Op 20 februari 2001 is aan de heer C een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex met restaurant en bowlingcentrum.

2.3. Het pand, waarvan de onroerende zaak deel uitmaakt, was in september 2002 gereed. De onroerende zaak is nadien ingericht en was in april 2003 gereed. De stichtingskosten van de onroerende zaak bedroegen € 453.780 exclusief omzetbelasting. De kosten van inrichting, onder meer de keuken, bowlingbanen en stoelen enz, bedroegen ± € 400.000 exclusief omzetbelasting. De investering met betrekking tot de bowlingbanen bedroeg € 242.998 inclusief omzetbelasting en € 204.200 exclusief omzetbelasting. De inrichting, waaronder de bowlingbanen, was van de vennootschap onder firma H en dient als onderpand voor een financiering door een bank. De onroerende zaak wordt door de belanghebbende verhuurd aan deze vennootschap onder firma voor € 3.600 per maand (€ 43.200 per jaar).

2.4. Aan de voormalige eigenaar van de onroerende zaak, J B.V., is een beschikking gegeven waarbij de waarde van de onroerende zaak per de peildatum 1 januari 1999 en naar de toestand per 1 januari 2003 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 op € 560.000. Deze waarde is in een taxatieverslag als volgt onderbouwd:

Onderdeel Grootte Prijs/m2 Factor Totaal

Bowling 475 m2 60 10 € 285.000

Sanitaire ruimte 43 60 10 € 25.800 Restaurant 275 90 10 € 247.500 Opslag/magazijn 17 10 10 € 1.700 € 560.000

2.5. Op de voet van artikel 19 juncto artikel 25 van de Wet WOZ is aan de belanghebbende de beschikking gegeven. Hierbij is de waarde vastgesteld op € 728.400.

2.6. In opdracht van de heffingsambtenaar is door K B.V. een taxatierapport van 27 april 2005 opgemaakt, waarbij de waarde van de onroerende zaak per de peildatum 1 januari 1999 en naar de toestand per 1 januari 2004 is bepaald op € 728.400. In dit rapport is deze waarde als volgt onderbouwd:

Onderdeel Grootte Prijs/m2 Factor Totaal

Bowling 475 m2 60 10 € 285.000

Sanitaire ruimte 43 60 10 € 25.800 Restaurant 275 150 10 € 412.500 Opslag/magazijn 17 30 10 € 5.100 € 728.400

In het rapport is voorts een gecorrigeerde vervangingswaarde berekend van € 814.498.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is de beschikking ingevolge artikel 19, tweede lid juncto artikel 25 van de Wet WOZ terecht en tot het juiste bedrag gegeven?

De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak onder meer de uitspraak op het bezwaar en de daarop gebaseerde aanslagen vernietigd en voorts bepaald dat de heffingsambtenaar een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in zijn uitspraak is overwogen en dat de heffingsambtenaar de aanslagen op de nader vastgestelde WOZ-waarde baseert.

4.2. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Het geschrift waarop de beschikking is vermeld maakt geen melding van enige aanslag. Het bezwaar van de belanghebbende richt zich enkel tegen de beschikking. De uitspraak op bezwaar heeft alleen betrekking op het bezwaar tegen de beschikking. Gelet hierop en op het zogeheten gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht - welk stelsel zijn weerslag vindt in de artikelen 26 en 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - heeft de Rechtbank ten onrechte beslist over aanslagen die in onderhavige procedure niet in het geding zijn. Reeds hierom dient de bestreden uitspraak in zoverre te worden vernietigd.

De in geschil zijnde vraag

4.3. De heffingsambtenaar verdedigt dat de beschikking terecht is gegeven en de daarbij vastgestelde waarde juist is, omdat in het jaar 2003 de bowlingbanen met toebehoren (hierna: bowlingbanen) gereed zijn gekomen. De heffingsambtenaar is van oordeel dat de bowlingbanen naar verkeersopvattingen een onderdeel van de onroerende zaak zijn, zodat gelet op artikel 4 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de bowlingbanen bestanddeel van de onroerende zaak zijn.

4.4. De belanghebbende heeft daartegenover verdedigd dat de bowlingbanen geen deel uitmaken van de onroerende zaak. De belanghebbende stelt dat daarom de waarde van de onroerende zaak niet hoger kan worden gesteld dan op € 560.000. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de belanghebbende bovendien bestreden dat de waarde per vierkante meter voor het restaurantgedeelte op € 150 per vierkante meter kan worden gesteld.

4.5. De heffingsambtenaar heeft geen beroep gedaan op het bepaalde in artikel 3:3 van het BW. Voorts is gesteld noch gebleken dat de bowlingbanen moeten worden aangemerkt als werken die duurzaam met de grond zijn verenigd door vereniging met het gebouw.

Het Hof zal zich hierna daarom beperken tot de beoordeling van de vraag of toepassing van artikel 3:4 van het BW leidt tot de conclusie dat de bowlingbanen al dan niet onroerend zijn of zijn geworden.

4.6. Artikel 3:4 van het BW luidt als volgt:

'1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.

2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.'.

4.7. De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting onweersproken gesteld, dat in de huidige tijd bowlingbanen als de onderhavige geprefabriceerde banen zijn, die compact en flexibel zijn en die in drie à vier dagen kunnen worden ingebouwd. De belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat de onderhavige banen van kunststof zijn en ook eenvoudig, snel en zonder beschadiging of breekwerk weer verwijderd kunnen worden. Tot slot heeft de belanghebbende onweersproken gesteld dat het plafond is voorzien van eenvoudig verwijderbare plafondplaten. De belanghebbende betoogt dat de onderhavige banen wezenlijk verschillen van bowlingbanen van voorheen, die van hout waren en waarvoor weken nodig waren om die te installeren.

4.8. Gelet op de onder 4.7 door de belanghebbende onweersproken gestelde omstandigheden is het Hof van oordeel dat de onderhavige bowlingbanen naar verkeersopvattingen beoordeeld geen onderdeel van de onroerende zaak uitmaken. Nu gesteld noch gebleken is dat de bowlingbanen zodanig verbonden zijn met de onroerende zaak dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken moet geconcludeerd worden dat de bowlingbanen ook niet op grond van het bepaalde in lid 2 van artikel 3:4 van het BW bestanddeel van de onroerende zaak zijn geworden.

4.9. Voor het geval het Hof tot het onder 4.8 vermelde oordeel zou komen heeft de heffingsambtenaar subsidiair verdedigd dat - naar het Hof begrijpt - de waarde van de onroerende zaak vastgesteld zou moeten worden op (€ 728.400 - € 60.000 =) € 668.400.

4.10. De belanghebbende heeft voor het geval het Hof tot het onder 4.8 vermelde oordeel zou komen subsidiair verdedigd dat - naar het Hof verstaat - de waarde van de onroerende zaak vastgesteld zou moeten worden op niet meer dan € 560.000.

4.11. Het Hof stelt voorop dat op de heffingsambtenaar de bewijslast rust aannemelijk te maken dat voldaan is aan de in artikel 19, tweede lid van de Wet WOZ opgenomen vereisten voor het geven van de aldaar bedoelde beschikking en de hoogte van de daarbij vastgestelde waarde. Anders dan de heffingsambtenaar in de conclusie van repliek stelt is het derhalve niet de belanghebbende die moet bewijzen wat de waarde is indien de bowlingbanen geen bestanddeel van de onroerende zaak zijn, maar de heffingsambtenaar.

4.12. Gelet op het oordeel onder 4.8 en de onder 2.6 weergegeven onderbouwing van de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde is het Hof van oordeel, dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Immers, uit deze onderbouwing volgt niet dat de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2004 zonder rekening te houden met de bowlingbanen op meer dan € 560.000 zou moeten worden vastgesteld.

4.13. Uit al het vorenstaande volgt dat de beschikking ten onrechte is gegeven en dat deze moet worden vernietigd. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is ongegrond en het incidentele beroep van de belanghebbende is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, behoudens de beslissingen inzake het griffierecht en de proceskosten, en het Hof zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

5. Griffierecht

Gelet op het bepaalde in artikel 27l, derde lid, van de AWR is voor het heffen van een griffierecht ten laste van de heffingsambtenaar ter zake van het hoger beroep geen plaats.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, in goede justitie vast op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende zelf ad € 100.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen inzake het griffierecht en de proceskosten;

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar met betrekking tot de beschikking alsmede de beschikking;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op

€ 100; en

- wijst de gemeente Z aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 8 mei 2008 door P. Fortuin, voorzitter, R.J. Koopman en S. Bosma, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.