Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5035

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
05/00590
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het feit dat een deel van het in de balans ultimo 2000 opgenomen bedrag aan niet afgedragen loonheffing, te weten € 103.600, niet was vermeld in de verzamelloonstaat, dit bedrag voorts aanzienlijk hoger was dan in voorgaande jaren en daarmede op zijn minst vraagtekens opriep en belanghebbendes directeur, als directeur enig aandeelhouder van belanghebbende en feitelijk leidinggevende zeer nauw betrokken bij de bedrijfsvoering en de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen van belanghebbende, desondanks na het ontvangen van de jaarrekening over het jaar 2000 noch na het indienen van haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 heeft gecontroleerd of voor dit bedrag aan loonheffing alsnog een suppletie-aangifte was gedaan door het boekhoudkantoor, is naar het oordeel van het Hof sprake van een aan belanghebbende toe te rekenen verwijtbare grove onachtzaamheid, gelijk te stellen met grove schuld, op grond waarvan voornoemd bedrag aan loonheffing welke op aangifte dient te worden afgedragen niet is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 05/00590

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 oktober 2005, nummer 05/934 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 00.00.000.A.01.050.1 over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van € 103.600 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 25.900.

De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak betrekking hebbende op de opgelegde vergrijpboete in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 414.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft in het openbaar plaatsgehad op 20 maart 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

1.5. Namens belanghebbende is niemand verschenen op het onderzoek ter zitting.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 14 februari 2008, met nummer 3SRGHR3862474, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is een besloten vennootschap opgericht op 9 januari 1976. Belanghebbendes activiteiten betreffen het (doen) verrichten van loods-, opslag-, controle- en expeditiewerk in het havenbedrijf. Sedert 25 februari 1993 is mevrouw A directeur enig aandeelhouder van belanghebbende.

2.2. Bij schrijven van 8 april 2002 heeft Administratie kantoor B gevestigd te C de jaarrekening van belanghebbende over het jaar 2000 aan belanghebbende gezonden. Op de per 31 december 2000 opgestelde balans van belanghebbende is onder Passiva, onderdeel "Kortlopende schulden en overlopende passiva" een post opgenomen genaamd "Loonbelasting en premie volksverzekeringen" ten bedrage van fl. 254.904 (€ 115.670,39). De hoogte van dit bedrag op de balans per 31 december 1999 was fl. 23.724.

2.3. Bij belanghebbende is door de Inspecteur ultimo 2003 een boekenonderzoek verricht. Dit onderzoek betrof onder meer de loonbelasting over het jaar 2000.

Bij dit onderzoek is gebleken dat van de op de balans ultimo 2000 vermelde post "Loonbelasting en premie volksverzekeringen" een bedrag van fl. 228.306 (€ 103.600) betrekking heeft op de in het jaar 2000 op het salaris van de directeur ingehouden en niet afgedragen loonheffing. Terzake is door belanghebbende geen suppletie-aangifte ingediend. Voorts is geconstateerd dat het loon van de directeur in tegenstelling tot voorgaande jaren en het jaar 2001 niet was opgenomen in de verzamelloonstaat van het jaar 2000.

2.4. De directeur van belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 een brutoloon van fl. 421.830 en een bedrag aan loonheffing ad fl. 228.306 (€ 103.600) opgenomen. Deze aangifte is door de belastingdienst ontvangen op 12 december 2002.

2.5. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek is met dagtekening 24 november 2004 onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 103.600 aan belasting aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag is aan belanghebbende op grond van aan haar te wijten grove schuld dat belasting welke op aangifte dient te worden afdragen niet is betaald een boete ex artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegd ten bedrage van € 25.900, zijnde 25% van de nageheven loonbelasting.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de door de Inspecteur aan belanghebbende opgelegde boete ten bedrage van € 25.900 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De Inspecteur

- Voor de aanvang van de termijn voor het indienen van hoger beroep kan worden uitgegaan van de datum 11 november 2005, zijnde de datum waarop belanghebbende de uitspraak van de Rechtbank van 12 oktober 2005 heeft ontvangen. Belanghebbende moet derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep worden geacht.

- Bij schrijven van 7 oktober 2004 gericht aan D accountants-belastingadviseurs, ter attentie van de heer E, postbus -- F, onder het hoofd "loonheffing" zijn de resultaten van het bij belanghebbende ingestelde onderzoek medegedeeld. Hierin is mededeling gedaan van het opleggen van een naheffingsaanslag in de loonbelasting tegelijk met een vergrijpboete van € 25.900.

Ik citeer uit dit schrijven: "Gelet op de bij belanghebbende (met inbegrip van de door haar geraadpleegde deskundigen) aanwezige kennis van het belastingrecht, had zij moeten begrijpen dat er te weinig belasting werd afgedragen. Het ten onrechte niet in de aangifte opgenomen bedrag is dermate groot dat het belanghebbende niet had mogen ontgaan. Er is derhalve sprake van ernstige verwijtbaarheid, gelijk te stellen met (een geval van) grove schuld."

- Mijn standpunt is inderdaad dat een suppletie-aangifte had moeten volgen na de zuivering van de RC-schuld.

- Absoluut gezien blijft € 25.000 een hoog bedrag. Ik wil de boete matigen tot een bedrag van € 15.000. Deze vermindering houdt verband met de absolute hoogte van het bedrag en het strafmaatverweer van belanghebbende op dit punt en de overschrijding van de redelijke termijn.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert na het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de boete tot een bedrag van € 15.000.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Beoordeling uitnodiging om op de zitting te verschijnen

4.1. Blijkens de onder 1.5 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 15 februari 2008 uitgereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Motivering van de ontvankelijkheid

4.2. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat het Hof voor wat betreft de aanvang van de termijn voor het indienen van hoger beroep kan worden uitgegaan van de datum 11 november 2005, zijnde de datum waarop belanghebbende de uitspraak van de Rechtbank van 12 oktober 2005 heeft ontvangen, en dat derhalve belanghebbende ontvankelijk in haar hoger beroep moet worden geacht.

Het Hof volgt de Inspecteur hierin en acht belanghebbende derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep.

Ten aanzien van het geschil

4.3. De Inspecteur stelt dat het aan grove schuld van de zijde van belanghebbende is te wijten dat een bedrag van € 103.600 aan op aangifte af te dragen loonbelasting niet is betaald.

De Inspecteur heeft in dit verband gesteld dat gezien de feiten en omstandigheden belanghebbendes directeur en tevens enig aandeelhouder, mevrouw A, bij een zorgvuldig uitoefenen van haar taak had kunnen weten dat de door belanghebbende af te dragen loonbelasting zoals vermeld op de balans per ultimo 2000 nog niet op aangifte was afgedragen en belanghebbende gezien de absolute en relatieve hoogte van dit bedrag aan niet afgedragen loonbelasting dermate onachtzaam is geweest dat er sprake is van grove schuld.

4.4. Namens belanghebbende voert haar directeur aan dat gelet op de omstandigheid dat het nog af te dragen bedrag aan loonheffing over het jaar 2000 in de jaarcijfers over het jaar 2000 is opgenomen, er geen sprake van is dat de afdracht van deze belasting welbewust achterwege is gelaten. Voorts stelt de directeur van belanghebbende dat zij ervan uitging dat het boekhoudkantoor ook de aangifte loonbelasting ter zake van het in de balans ultimo 2000 vermelde bedrag aan loonbelasting en premie volksverzekeringen had gedaan.

4.5. Het feit dat een deel van het in de balans ultimo 2000 opgenomen bedrag aan niet afgedragen loonheffing, te weten € 103.600, niet was vermeld in de verzamelloonstaat, dit bedrag voorts aanzienlijk hoger was dan in voorgaande jaren en daarmede op zijn minst vraagtekens opriep en belanghebbendes directeur, als directeur enig aandeelhouder van belanghebbende en feitelijk leidinggevende zeer nauw betrokken bij de bedrijfsvoering en de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen van belanghebbende, desondanks na het ontvangen van de jaarrekening over het jaar 2000 noch na het indienen van haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 heeft gecontroleerd of voor dit bedrag aan loonheffing alsnog een suppletie-aangifte was gedaan door het boekhoudkantoor, is naar het oordeel van het Hof sprake van een aan belanghebbende toe te rekenen verwijtbare grove onachtzaamheid, gelijk te stellen met grove schuld, op grond waarvan voornoemd bedrag aan loonheffing welke op aangifte dient te worden afgedragen niet is betaald.

4.6. Het verweer van belanghebbende dat afdracht van het op de balans ultimo 2000 vermelde bedrag aan loonbelasting en premie volksverzekeringen niet welbewust achterwege is gelaten, doet aan het vorenstaande niet af. Voor het aanwezig achten van grove schuld behoeft van welbewust handelen of nalaten geen sprake te zijn.

4.7. Op grond van het in 4.5 en 4.6 overwogene acht het Hof een boete van 25% van de niet aangegeven en afgedragen loonbelasting in beginsel passend en geboden. Het Hof is evenwel van oordeel dat gezien de absolute hoogte van deze boete een matiging geboden is tot € 15.000.

4.8. Op 20 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting bij dit gerechtshof plaatsgevonden. Rekening houdend met het tijdstip van het doen van de onderhavige uitspraak door dit Hof is sedert de datum van de uitspraak van de Rechtbank, te weten 3 oktober 2005, een periode van 2 jaar en 9 maanden verstreken. Nu uit de gedingstukken geen bijzondere omstandigheid is gebleken die een zo lange duur van de berechting van de zaak voor het Hof rechtvaardigen, heeft de berechting van de zaak voor het Hof niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof ziet hierin aanleiding de boete te matigen met 10%, zodat per saldo resteert een boete van € 13.500.

4.9. Gelet op het overwogene onder 4.7 is het gelijk gedeeltelijk aan de zijde van belanghebbende en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd.

5. Griffierecht

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 respectievelijk € 414 te vergoeden.

6. Proceskosten

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank ,behoudens de beslissing omtrent de proceskosten,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vermindert de boete tot een bedrag van € 13.500 en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 690 vergoedt.

Aldus gedaan op 30 mei 2008 door J.W.J. Huige, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.