Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3939

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
HD 103.006.108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgeefster heeft werkneemster op het verkeerde been gezet. Zij heeft werkneemster niet gewezen op het risico dat zij niet in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering c.q. een ZW-uitkering omdat zij voorafgaande aan het sluiten van de beëindigingsovereenkomst (langdurig) arbeidsongeschikt was. Dit weegt des te zwaarder nu werkgeefster wist dat werkneemster in het kader van de beëindigingovereenkomst haar rechten op een WW- en/of ZW-uitkering wilde veiligstellen.

Vorenbedoeld risico heeft zich na beëindiging van het dienstverband verwezenlijkt.

Werkgeefster wist dat werkneemster arbeidsongeschikt was en in een zeer moeilijke privé-situatie verkeerde. Werkneemster werd sterk beïnvloed door haar wens om bevrijd te worden van de druk die zij voelde om tot re-integratie te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/183
AR-Updates.nl 2008-0362
RAR 2008, 114
JAR 2008, 183

Uitspraak

rolnr. HD 103.006.108

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 1 april 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 18 januari 2008,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

OPTICAL RETAIL GROUP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de recht¬bank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnis in kort geding van 21 december 2007 tussen appellante - [X.] - als eiseres en geïntimeerde – Het Huis - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 274205 CV EXPL 07- 7208)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij appeldagvaarding heeft [X.] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van het door haar in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van Het Huis in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Het Huis de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.], geboren op [geboortejaar], is op 6 juli 2000 in dienst getreden van Het Huis. Laatstelijk vervulde zij de functie van Verkoopmedewerker optiek tegen een salaris van € 1.438,42 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van een 35-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Optiekbedrijven (hierna: de CAO) van toepassing.

4.1.2. Op 14 mei 2006 is [X.] bevallen van een dochtertje. Haar zwangerschapsverlof zou eindigen op 18 augustus 2006. Op 2 augustus 2006 heeft [X.] zich ziek gemeld, mede omdat er ernstige problemen waren ontstaan ten gevolge van bedreigingen door de vader van haar dochtertje.

4.1.3. Op 9 augustus 2006 is [X.] op het consult van de bedrijfsarts van Het Huis geweest. Naar aanleiding daarvan heeft de bedrijfsarts op 10 augustus 2006 aan Het Huis schriftelijk medegedeeld:

“(…)

Werkgerelateerd: nee

Beperkingen/mogelijkheden: Beperkt in het sociaal en persoonlijk functioneren, met name in verdelen en vasthouden van de aandacht, concentratie en inzicht in eigen kunnen. Energetische en conditionele beperkingen. Kan moeilijk omgaan met conflict- en stresssituaties. Kan moeilijk omgaan met druk en drukte.

Verloop en prognose:

Mevr. [X.] heeft zich vanwege privegerelateerde problemen moeten ziekmelden tijdens haar zwangerschapsverlof dat 18-08-2006 zou eindigen.

Ze heeft hulp gezocht bij haar huisarts en deze heeft medicatie voorgeschreven en hij heeft haar doorverwezen voor professionele hulpverlening.

Mevr. [X.] wil zelf terug bij de psychologenpraktijk waar ze in het verleden contact mee heeft gehad. Alleen heeft ze te horen gekregen dat hier een wachtlijst voor is.

Reintegratieadvies:

* Op dit moment acht ik haar niet in staat om arbeid te verrichten.

* Het lijkt me wel verstandig dat ze op korte termijn behandeling gaat krijgen.

* Daarom wil ik voorstellen om haar in aanmerking te laten komen voor een psychologische interventie.

* Ik zal u hiervoor een interventievoorstel doen toekomen.

(…)”.

4.1.4. [X.] is in augustus 2006 gestart met door haar huisarts voorgeschreven medicatie. Met ingang van 30 november 2006 is zij onder psychiatrische behandeling van Atrium Medisch Centrum Parkstad te Kerkrade gekomen.

Tijdens de ziekte van [X.] heeft regelmatig contact plaatsgehad tussen [X.], haar leidinggevende [Y.] en de bedrijfsarts.

4.1.5. [X.] heeft pogingen ondernomen om haar werk (gedeeltelijk; op arbeidstherapeutische basis) te hervatten. Die pogingen hebben geen resultaat gehad.

4.1.6. Op 1 juni 2007 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [X.], haar leidinggevende [Y.] voornoemd en [Z.], personeelsfunctionaris van Het Huis. Doel van dit gesprek was om andere mogelijkheden met betrekking tot de re-integratie van [X.] bespreekbaar te maken. Tijdens dit gesprek is ook de mogelijkheid besproken om het dienstverband met [X.] te beëindigen.

4.1.7. Tijdens een vervolggesprek op 15 juni 2007 hebben partijen gesproken over een beëindiging van het dienstverband met ingang van 1 augustus 2007 op een neutrale grond, met betaling van een eenmalige vergoeding ter hoogte van één bruto maandsalaris aan [X.].

4.1.8. Op 26 juli 2007 heeft tussen partijen nog een gesprek plaatsgehad. Tijdens dit gesprek is een door Het Huis opgestelde beëindigingsovereenkomst, gedateerd 18 juni 2007, aan de orde geweest. Onderdeel 5 van de preambule van die overeenkomst luidde:

“Werkneemster heeft verklaard zich te realiseren welke gevolgen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst mogelijk voor haar heeft, waaronder het verlies van de aanspraak op loon. Werkneemster is bereid deze gevolgen te aanvaarden.”

4.1.9. Nadat op verzoek van [X.] voormeld onderdeel 5 van de preambule was geschrapt, hebben partijen deze overeenkomst ondertekend.

4.1.10. In de beëindigingsovereenkomst is onder meer vermeld dat partijen verklaren dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2007 met wederzijds goedvinden eindigt en dat Het Huis aan [X.] een eenmalige vergoeding van € 1.553,49 zal betalen.

4.1.11. [X.] heeft zich vervolgens tot het CWI gewend. Aldaar kreeg zij te horen dat zij mogelijk geen aanspraak kon maken op een uitkering, omdat de arbeidsovereenkomst niet via een procedure bij de kantonrechter of de CWI was beëindigd.

4.1.12. Bij brief van haar gemachtigde van 10 augustus 2007 heeft [X.] een beroep gedaan op de nietigheid van de beëindigingsovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden.

4.1.13. Op 22 november 2007 heeft [X.] een kort geding tegen Het Huis aangespannen en gevorderd dat de kantonrechter te Heerlen Het Huis zal veroordelen, kort gezegd:

a) tot betaling van het aan [X.] toekomende salaris tijdens ziekte ad € 1.438,42 bruto per maand exclusief vakantiegeld vanaf 1 augustus 2007 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op een reguliere wijze eindigt, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

b) tot betaling van € 1.625,58 bruto per maand vanaf datum indiening van dit verzoek om de gevraagde voorzieningen, op de voet van art. 7:616 BW;

c) Het Huis te bevelen tot aanmelding van [X.] als arbeidsongeschikt bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) conform de Wet Poortwachter, vanaf 15 juni 2007, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

d) tot betaling van de proceskosten.

4.1.14. Nadat Het Huis verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter bij vonnis van 21 december 2007 de gevraagde voorziening geweigerd en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De kantonrechter heeft daartoe kort gezegd overwogen dat niet is in te schatten hoe de onderhavige zaak in de bodemprocedure – waarin (in tegenstelling tot een kort geding) uitgebreid (getuigen)-bewijs mogelijk is - gaat aflopen en dat niet kan worden gezegd dat de kans dat [X.] in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld zo groot is, dat daarop alvast een voorschot kan worden genomen in deze spoedprocedure.

4.1.15. Tegen dat oordeel komt [X.] op.

Grieven

4.2.1. Het Huis heeft gesteld dat [X.] heeft nagelaten in de appeldagvaarding duidelijke grieven te formulieren tegen het beroepen vonnis. Op grond van vaste rechtspraak dient [X.] volgens Het Huis niet–ontvankelijk te worden verklaard in haar appel.

4.2.2. Voormelde stelling van Het Huis wordt verworpen.

Naar het oordeel van het hof zijn de grieven in de appeldagvaarding behoorlijk naar voren gebracht en zijn deze aldus voldoende kenbaar voor het hof en de wederpartij, zodat Het Huis zich daartegen naar behoren heeft kunnen verweren.

Voorts blijkt uit de appeldagvaarding dat het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof is voorgelegd.

Deskundigenverklaring ex artikel 7:629a BW

4.3.1. Subsidiair heeft Het Huis gesteld dat [X.] niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat een deskundigenverklaring op grond van artikel 7:629a BW ontbreekt.

4.3.2. Ook die stelling faalt naar het voorlopig oordeel van het hof. Immers, Het Huis heeft erkend dat [X.] vanaf 2 augustus 2006 arbeidsongeschikt was. De bedrijfsarts heeft [X.] na een consult op 21 maart 2007 nog steeds volledig arbeids- ongeschikt geacht. Vervolgens heeft [X.] getracht haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis te hervatten. Niet is gesteld of gebleken dat [X.] na 21 maart 2007 door de bedrijfsarts hersteld is verklaard. Evenmin is gesteld of gebleken dat Het Huis de arbeidsongeschiktheid van [X.] in het jaar 2007 heeft betwist. Integendeel, Het Huis heeft volgens haar eigen stelling in maart 2007 en in de daarop volgende maanden gestreefd naar re-integratie op het eerste spoor; later zou volgens Het Huis met [X.] ook gesproken zijn over het tweede spoor. Voorts heeft Het Huis gesteld dat het op 26 juli 2007 tussen partijen gehouden overleg mede bedoeld was om te spreken over een eventuele voortzetting van het re-integratietraject. Het hof leidt hieruit af dat Het Huis zelf het standpunt huldigde dat [X.] in ieder geval op 26 juli 2007 arbeidsongeschikt was.

Aan de hersteldmelding van [X.] door Het Huis, die volgens Het Huis op 18 juni 2007 en volgens [X.] op 15 juli 2007 heeft plaatsgehad, komt geen betekenis toe, nu hieraan geen medisch advies ten grondslag lag en die melding volgens de schriftelijke reactie van de zijde van Het Huis op de kort geding dagvaarding (productie 2 bij brief van de raadsman van Het Huis van 11 december 2007) diende om [X.] in de gelegenheid te stellen een WW-uitkering aan te vragen. In verband daarmee heeft Het Huis aan [X.] aangeraden zich na de beëindigingdatum (1 augustus 2007) bij het CWI te melden voor een WW-uitkering en zich na verloop van enkele weken bij het CWI ziek te melden. Uit dat advies kan evenmin worden afgeleid dat Het Huis niet langer van mening was dat [X.] arbeidsongeschikt was. In dit verband wordt nog gewezen op het hierna onder 4.5.6. en 4.5.8. overwogene.

Nu op grond van de thans bekende omstandigheden voorshands mag worden aangenomen dat Het Huis de arbeids- ongeschiktheid van [X.] eerst na het uitbrengen van de appeldagvaarding, te weten bij memorie van antwoord van 19 februari 2008, (ongemotiveerd) heeft betwist, geldt het vereiste van een deskundigenverklaring ex artikel 7:629a BW niet (nog daargelaten dat dit vereiste reeds niet geldt, nu het een vordering in kort geding betreft).

Spoedeisend belang; restitutierisico

4.4. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening staat vast, gelet op het karakter van de loonvordering en op het feit dat [X.] vanaf 1 augustus 2007 verstoken is van inkomsten. In dit verband verdient opmerking dat Het Huis in hoger beroep heeft erkend dat [X.] noch een WW-, noch een ZW-uitkering ontvangt. Van een onaanvaardbaar restitutierisico is niet gebleken.

Beëindigingsovereenkomst

4.5. Vooropgesteld wordt dat de loonvordering van [X.] in beginsel voor toewijzing vatbaar is indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat Het Huis gehouden is het loon van [X.] vanaf 1 augustus 2007 door te betalen.

4.5.1. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de tussen hen gesloten beëindigingsovereenkomst rechtsgeldig is.

4.5.2. [X.] heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. Volgens [X.] is sprake van een wils- gebrek. Het Huis had moeten verifiëren of [X.] wel voldoende compos mentis was om de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst volledig te kunnen voorzien. Bovendien is sprake van een opzegverbod omdat [X.] arbeidsongeschikt was en nog steeds is. Het Huis mocht er derhalve niet op vertrouwen dat de beëindigingsovereenkomst met de werkelijke wil van [X.] overeenkwam zodat de overeenkomst niet tot stand is gekomen in de zin van art. 3:35 BW. Mocht een overeenkomst tot stand zijn gekomen, dan is deze volgens [X.] vernietigbaar wegens misbruik van omstandigheden (de afhankelijke positie van [X.]; haar arbeidsongeschikt-heid/labiele geestestoestand; haar onervarenheid in kwesties als deze). Voorts heeft Het Huis aan [X.] onvoldoende informatie verstrekt over het recht op uitkering en op de risico’s van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

4.5.3. Het Huis heeft gesteld dat overeenstemming is bereikt over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het dienstverband tussen partijen zou worden beëindigd. [X.] heeft zelf op een einde van de arbeidsovereenkomst aangestuurd; zij wenste tussen 15 juni 2007 en 1 augustus 2007 niet over een voortzetting van de re-integratie te spreken. [X.] heeft meermalen duidelijk en ondubbelzinnig verklaard dat het aanbod van Het Huis om de arbeidsovereenkomst te beëindigen werd aanvaard. Er was geen reden om aan de nemen dat zij niet compos mentis was. Door de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst heeft [X.] bij Het Huis het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij instemde met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Nader onderzoek door Het Huis was niet nodig. Het Huis heeft overigens wel nader onder- zoek verricht. Bovendien heeft Het Huis aan [X.] de gelegenheid gegeven juridisch advies in te winnen, van welke gelegenheid [X.] gebruik heeft gemaakt. Het Huis heeft voldoende inlichtingen verstrekt over onder andere de door [X.] te verkrijgen WW-uitkering en over de versoepeling van de WW per 1 oktober 2006 ten aanzien van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Met [X.] was een duidelijke afspraak gemaakt dat zij zich tot het UWV zou wenden voor de aanvraag van een WW-uitkering. [X.] wist dat zij zich pas na toewijzing van een WW-uitkering ziek kon melden bij het UWV om haar uitkering niet in gevaar te brengen. Aldus Het Huis.

4.5.4. Naar het oordeel van het hof zijn in het kader van dit kort geding onvoldoende feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X.] ten tijde van de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst aan een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW leed. Voor zover de vordering daarop is gebaseerd, is deze dan ook niet toewijsbaar.

4.5.5. Thans komt de vraag aan de orde of aan de zijde van [X.] sprake is van een wilsgebrek zoals bedoeld in artikel 3:44 BW. In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

4.5.6. Ten tijde van het plegen van overleg over en het sluiten van de beëindigingsovereenkomst (in de maanden juni en juli 2007) was [X.] arbeidsongeschikt. Gelet op de schriftelijke mededeling van de bedrijfsarts, geciteerd onder 4.1.3., en de schriftelijke verklaringen van huisarts Goebbels van 22 november 2007 respectievelijk van de afdeling psychiatrie van Atrium Medisch Centrum parkstad te Kerkrade van 10 december 2007 is het voldoende aannemelijk geworden dat [X.] vanaf 2 augustus 2006 tot in ieder geval 10 december 2007 aan een burn-out c.q. ernstige spannings-klachten leed, slecht tegen druk was opgewassen en daardoor arbeidsongeschikt was.

Het Huis was van de arbeidsongeschiktheid van [X.] op de hoogte. Ook wist Het Huis dat [X.] al lange tijd met diverse privé problemen werd geconfronteerd die van invloed waren op haar gezondheid. Volgens Het Huis heeft [X.] zelf gevraagd of ontslag een mogelijkheid voor haar zou kunnen zijn (hetgeen overigens door [X.] is betwist), zodat zij rust en ruimte kreeg en niet de druk van Het Huis en de bedrijfsarts op haar zou voelen om weer aan de slag te moeten gaan. Ten slotte wist Het Huis dat het voor [X.] essentieel was dat zij geen nadelige gevolgen van de beëindiging van het dienstverband zou ondervinden. Dat blijkt ook uit het feit dat de onder 4.1.8. weergegeven passage in de beëindigingsovereenkomst op verzoek van [X.] is geschrapt. Tevens volgt dit uit de weergave door Het Huis van de inhoud van de met [X.] gevoerde gesprekken over (onder andere) haar angst géén WW-uitkering te zullen ontvangen.

Die nadelige gevolgen zouden volgens Het Huis worden ondervangen door een door [X.] te ontvangen WW-uitkering respectievelijk Ziektewetuitkering. In verband daarmee heeft Het Huis (in de persoon van haar personeelsfunctionaris [Z.]) aan [X.] medegedeeld dat zij, mede gelet op een wetswijziging per 1 oktober 2006, een dergelijke uitkering zou ontvangen.

Het Huis heeft [X.] daardoor op het verkeerde been gezet. Immers, zij heeft [X.] niet gewezen op het risico dat zij niet in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering c.q. ZW-uitkering omdat zij voorafgaande aan het sluiten van de beëindigingsovereenkomst (langdurig) arbeidsongeschikt was. Dit weegt des te zwaarder nu Het Huis wist dat [X.] in het kader van de beëindigingsovereenkomst haar rechten op een WW- en/of ZW-uitkering wilde veiligstellen.

4.5.7. Vorenbedoeld risico heeft zich na de beëindiging van het dienstverband verwezenlijkt. Immers, het UWV heeft aan [X.] noch een WW- noch een ZW-uitkering toegekend. Blijkens een aan [X.] gerichte brief van 17 december 2007 (waarvan overigens slechts het eerste blad is overgelegd) heeft het UWV vastgesteld dat het dienstverband tijdens de ziekte van [X.] is beëindigd en dat [X.] en Het Huis hiermee akkoord zijn gegaan. Als dit niet was gebeurd, had [X.] loon ontvangen. [X.] doet, aldus het UWV, onnodig een beroep op een ZW-uitkering.

4.5.8. Gezien het vorenstaande is het hof voorshands van oordeel dat Het Huis, in combinatie met de door haar gestelde (en door [X.] betwiste) wens van [X.] om met behoud van haar rechten op een uitkering ontslag te nemen, het tot stand komen van de beëindigingsovereenkomst heeft bevorderd. Het Huis wist dat [X.] arbeidsongeschikt was en in een zeer moeilijke privé-situatie verkeerde. Onweersproken is gebleven dat [X.] onervaren in dezen is, terwijl [X.] (naar aannemelijk is) sterk beïnvloed werd door haar wens om bevrijd te worden van de druk die zij voelde om tot re-integratie te komen. In die situatie past behoedzaamheid en terughoudendheid van de werkgever. Van de te betrachten terughoudendheid, bijvoorbeeld door [X.] te verwijzen naar de Arbo-arts, is niet gebleken. Aldus is naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk dat de bodemrechter het beroep van [X.] op vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 3:44 BW zal honoreren.

Aan het oordeel van het hof doet niet af, dat [X.] enige tijd heeft gehad om juridisch advies in te winnen over het beëindigingsvoorstel van Het Huis en dat [X.] blijkens onderdeel 4 van de preambule van de beëindigingsovereenkomst van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Immers, [X.] mocht in beginsel afgaan op de juistheid van de door Het Huis (in de persoon van voormelde personeelsfunctionaris [Z.]) gedane mededeling omtrent haar rechten op een WW-/ZW-uitkering. Dat die mededeling onjuist bleek te zijn, komt, gezien de omstandigheden van dit geval, voor rekening van Het Huis.

Overigens leidt het hof uit de stelling van Het Huis, weergegeven onder 4.5.3., laatste alinea, af dat Het Huis een opzetje bedacht had om de gevolgen van de arbeidsongeschiktheid van [X.] voor haar aanspraken op een uitkering te omzeilen. [X.] heeft echter, conform de waarheid, aan het CWI gemeld dat zij arbeidsongeschikt was.

4.5.9. Het hof overweegt ten overvloede dat, gezien het onder 4.5.8. overwogene, mogelijk ook een oordeel gegeven moet worden over de vraag of te dezen sprake is van dwaling. Mede gelet op het feit dat het hier een kort geding betreft, acht het hof voorshands de kwalificatie “misbruik van omstandigheden” in dit geval meer aangewezen, met de aantekening dat niet is uit te sluiten dat in een bodemprocedure, waarin over het algemeen de feiten en omstandigheden meer in detail naar voren worden gebracht, de rechter zich voor de vraag gesteld zal zien of te dezen sprake zou kunnen zijn van dwaling.

4.5.10. Aan het door Het Huis gedane bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Een kort geding als het onderhavige leent zich niet voor nadere bewijslevering.

Loon

4.5.11. Nu voorshands moet worden geoordeeld dat het beroep van [X.] op artikel 3:44 BW slaagt en dat [X.] de beëindigingsovereenkomst heeft vernietigd door een buitengerechtelijke verklaring, te weten de onder 4.1.12 genoemde brief van haar gemachtigde van 10 augustus 2007, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen onverkort blijven bestaan.

4.5.12. Het Huis zal in beginsel het loon aan [X.] moeten doorbetalen.

4.5.13. Het Huis heeft (subsidiair) onweersproken gesteld dat [X.] tijdens het tweede ziektejaar recht heeft op 70% van het laatst verdiende salaris, zulks op grond van artikel 19 lid 3 van de CAO.

Mede gelet daarop zal het hof de loonvordering van [X.] toewijzen in die zin dat het bruto maandloon voorshands op 70% van € 1.438,42 (exclusief 8% vakantietoeslag), dus € 1.006,89 (exclusief 8% vakantietoeslag) wordt vastgesteld.

4.5.14. Onderdeel b) van de vordering, weergegeven onder 4.1.13., komt hof onbegrijpelijk voor en dient reeds daarom te worden afgewezen.

4.5.15. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente zijn als niet danwel onvoldoende weersproken, ook in kort geding als nevenvordering, toewijsbaar.

4.5.16. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat de grieven slagen, dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en dat de loonvordering c.a. toewijsbaar is als na te melden.

Aanmelding [X.] als arbeidsongeschikt bij het UWV

4.6.1. [X.] heeft tevens gevorderd, zakelijk weergegeven, dat Het Huis haar zal aanmelden als arbeidsongeschikt bij het UWV conform de Wet Poortwachter, vanaf 15 juni 2007, op straffe van een dwangsom.

4.6.2. Dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen, nu [X.] hierbij geen belang heeft. Immers, blijkens de onder 4.5.7 bedoelde brief van het UWV van 17 december 2007 is zij bij het UWV geregistreerd als arbeidsongeschikt sinds 18 augustus 2006.

Proceskosten

4.7. Het Huis zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Het Huis om tegen kwijting aan [X.] te betalen: € 1.006,89 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag, vanaf 1 augustus 2007 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de desbetreffende bedragen en met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat de desbetreffende bedragen verschuldigd zijn tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Het Huis in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op € 134,06 aan verschotten en

€ 400,00 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van de rechtbank Maastricht, en voorts op

€ 336,44 aan verschotten en € 894,00 aan salaris procureur voor het hoger beroep, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Slootweg en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 april 2008.