Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3889

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
HV 200.002.472-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Art. 4:201 lid 2 BW-procedure. Termijn voor het verwerpen van een legaat. Doorbrekening appelverbod. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 95
RN 2008, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

6 juni 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer:HV 200.002.472/01

Zaaknummer eerste aanleg: 204908\EZ VERZ 08-1

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

SUSANNE MARIE THÉRÈSE CARLA [X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: Susanne (in de stukken ook wel genoemd Susette),

advocaat: mr. L.P.A. Zwijnenberg te ‘s-Gravenhage,

procureur: mr. C.M. van der Corput,

t e g e n

ZENO JEAN HUBERTUS [Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal appel,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: Zeno,

advocaat: mr. T. van Harten te Amsterdam,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann.

In verband met de leesbaarheid van de beschikking na anonimisering in verband met publicatie, zullen de betrokkenen hierna bij hun voornaam worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 24 december 2007 maar dat bij de griffie van het kantongerecht is binnen- gekomen op 2 januari 2008, heeft Zeno zich op de voet van artikel 4:201 lid 2 BW tot de kantonrechter Roermond gewend met het verzoek de termijn vast te stellen waarbinnen Susanne haar onvoorwaardelijke keuze met betrekking tot het al dan niet aanvaarden van de legaten (zoals genoemd in het testament van haar moeder) kenbaar te maken, kosten rechtens.

1.2. Bij beschikking van 4 januari 2008 is dit verzoek toegewezen en is de termijn vastgesteld op 2 maanden na de dag waarop de beschikking is gegeven. Er is geen kostenbeslissing gegeven.

1.3. Bij beroepschrift met producties, dat ter griffie van het hof is binnengekomen op 28 februari 2008, is Susanne in hoger beroep gekomen. Zij heeft als grond voor de doorbreking van het appelverbod aangevoerd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Voorts heeft zij tegen de beschikking waarvan beroep 3 grieven aangevoerd. Zij concludeert primair het verzoek van Zeno af te wijzen en subsidiair de termijn te bepalen op 5 jaren na 1 januari 2008.

1.4. Zeno heeft een verweerschrift hoger beroep met producties ingediend dat ter griffie van het hof is binnengekomen op 21 maart 2008. Hij concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Susanne, althans tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep met haar veroordeling in de kosten. Zeno heeft tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Naar het hof begrijpt onder de voorwaarde dat Susanne ontvankelijk is hoger beroep. In de in incidenteel beroep aangevoerde grief voert Zeno aan dat de kantonrechter de beschikking, hoewel uitdrukkelijk verzocht, ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Voorts heeft Zeno zijn verzoek vermeerderd primair met een verzoek als bedoeld in artikel 3:300 BW en subsidiair met een dwangsom gecombineerd met een verzoek als bedoeld in artikel 3:300 BW.

1.5. De mondelinge behandeling vond plaats op 26 maart 2008. Daarbij waren aanwezig partijen en hun advocaten alsmede een aantal betrokken erfgenamen. Van het verhandelde is verkort proces-verbaal opgemaakt. De zaak is aangehouden om te bezien of een minnelijk regeling te bereiken viel.

1.6. De advocaat van Zeno heeft het hof, bij brief van zijn procureur van 16 mei 2008, laten weten dat zo’n regeling niet is getroffen en heeft om uitspraak gevraagd bij faxbrief van 14 mei 2008. Bij brief van 22 mei 2008, met bijlagen, heeft Susanne het hof geïnformeerd over de stand van zaken. Daaruit blijkt dat partijen niet tot een regeling zijn gekomen.

2. De gronden van het verzoek

Voor de gronden van het principaal en incidenteel appel, en de toelichtingen daarop, verwijst het hof naar de genoemde verzoekschriften.

3. De beoordeling van de appellabiliteit

3.1. Ingevolge artikel 676a Rv staat tegen een beslissing als bedoeld in artikel 4:201 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Susanne heeft zich beroepen op de leer van de doorbreking van het appelverbod, waartoe zij zich erover beklaagd dat de kantonrechter heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.

3.2. Voor de ontvankelijkheid van het principale hoger beroep is toereikend dat wordt geklaagd over schending van enig fundamenteel rechtsbeginsel, HR 9 oktober 1992, NJ 1992/771. Het hof zal thans hebben te onderzoeken of de klacht gegrond is.

3.3. Dat is het geval. Reeds uit het tijdsverloop van twee dagen tussen de ont-vangst van het inleidend verzoekschrift en de beschikking volgt dat Susanne niet alleen niet gehoord is, maar ook niet kan zijn opgeroepen voor het nemen van een verweerschrift of het bijwonen van een mondelinge behandeling. Het rechtsbeginsel van hoor en wederhoor is mitsdien geschonden omdat Susanne niet haar visie ten aanzien van het verzoek onder de aandacht van de rechter heeft kunnen brengen. De stelling van Zeno als zou Susanne geen rechtens te respecteren belang hebben bij verweer omdat zij zich al vier jaar heeft kunnen beraden op het al dan niet aanvaarden van het legaat miskent dat het niet aan Zeno of de rechter is om te bepalen of al dan niet verweer wordt gevoerd, en welke gronden daarbij worden aangevoerd. Alleen Susanne zelf kan aangeven of zij verweer wenst te voeren. Zij hoeft daarvoor geen belang aan te voeren.

3.4. Uit de beschikking waarvan beroep blijkt evenmin dat Susanne is opgeroepen of gehoord, zodat moet worden aangenomen dat zulks niet is gebeurd. Waarom de kantonrechter daartoe niet is overgegaan, wordt in de beschikking niet uiteengezet. Hoewel sprake is van een procedure van eenvoudige aard (zoals ook de procedures van artikel 7:230a en 7:685 BW) is toch (ook) voor het verzoek uit artikel 4:201 BW vereist dat de belanghebbende wordt gehoord teneinde verweer te voeren. Artikel 279 lid 1 Rv bepaalt weliswaar dat als een verzoek aanstonds wordt toegewezen, oproeping achterwege kan blijven, maar deze bepaling kan geen toepassing vinden. Zij ziet slechts op hier niet aan de orde zijnde uitzonderings- gevallen, zoals het geval dat er geen verweerder is, dat de aard van het verzoek daaraan in de weg staat (verzoek om verlof voor het leggen van conservatoir beslag), of dat de verweerder zich refereert.

3.5. De klacht is mitsdien gegrond zodat de grieven beoordeeld kunnen worden.

3.6. De omstandigheid dat in het principaal appel de zaak in volle omvang dient te worden beoordeeld, brengt mee dat ook de grieven in het incidenteel beroep ter beoordeling voorliggen, hoewel Zeno zelf zich niet op enige grond voor doorbreking van het appelverbod heeft beroepen. Vergelijk HR 21 september 2007, LJN BA9614.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. De feiten

4.1.1. Zeno en Susanne zijn volle neef en nicht.

4.1.2. De overgrootvader van partijen is Jules [Z.] (verder: Jules), overleden op 8 mei 1956. De grootvader van partijen is Jean [A.] (verder: Jean), overleden op 10 maart 1967. De vrouw van Jean is Suzanne [B.] (verder: Suzanne), overleden op 1 april 2004. De drie nalatenschappen zijn nog niet (volledig) verdeeld. Bij vonnis van de rechtbank Roermond van 5 januari 2005 is de verdeling van de onverdeelde nalatenschappen gelast.

4.1.3. Jean en Suzanne hadden drie kinderen: Herman, Alice en Marie-Louise (de moeder van Susanne). Herman, overleden op 24 april 1998, is gerechtigd tot de nalatenschappen van Jules en Jean. Zeno is de zoon van Herman en is thans mede gerechtigd tot de nalatenschappen.

4.1.4. De moeder van Susanne, die is overleden op 22 augustus 2003, was gerechtigd tot de nalatenschappen van Jules en Jean. Zij had drie kinderen: Susanne, haar zus en haar broer (de laatstgenoemden zijn ook ter zitting van het hof verschenen). In het testament van de moeder van Susanne van 11 januari 2003 is bepaald dat Susanne geen erfgenaam van haar zal zijn. Haar broer en haar zus zijn wel erfgenaam. Aan Susanne wordt gelegateerd het aan haar moeder toebehorende een/derde onverdeeld aandeel in diverse registergoederen (percelen cultuurgronden en bos met een oppervlakte van in totaal ruim 90 hectare). Deze gronden maken deel uit van de nalatenschappen van Jules en Jean (de vrouw van Jean was vruchtgebruikster).

4.2. De belangen

4.2.1. Het belang van Zeno volgt uit het testament van zijn tante. Aanvaardt Susanne het legaat dan is zij met Zeno (en nog een aantal andere familieleden) gerechtigd tot genoemde gronden, maar de broer en zus van Susanne hebben dan geen rechten op de percelen. Verwerpt Susanne het legaat, dan zijn haar broer en zus de mede-erfgenamen van Zeno (en niet Susanne). Om tot verdeling van de nalatenschappen van Jules en Jean te kunnen komen (althans de gelegateerde percelen bos- en cultuurgrond) moet Zeno weten wie zijn mede-erfgenamen zijn: Susanne of haar broer en zus. Weliswaar is denkbaar dat Susanne gezamelijk met haar broer en zus tot een verdeling van de nalatenschappen van Jules en Jean komen, terwijl in hun onderlinge relatie de al dan niet aanvaarding van het legaat nog in het midden blijft, maar deze optie vergt overeenstemming tussen de erven Susanne en haar broer en haar zus. Deze overeenstemming hebben zij niet kunnen bereiken.

4.2.2. Het belang van Susanne om nog geen keuze te maken tussen al dan niet aanvaarding is, zo begrijpt het hof uit het behandelde ter zitting, gelegen in onduidelijkheden ten aanzien van de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder (naast een wens om de familiebezittingen onverdeeld te houden). Susanne ziet zich gesteld voor de vraag of zij een beroep moet doen op haar legitieme of het legaat moet aanvaarden. Daartoe dient zij zich een beeld te vormen van de finan-ciële kant van de keuze. Zij meent dat die keuze nog niet, verantwoord, is te nemen omdat zij over onvoldoende financiële gegevens daartoe beschikt.

4.2.3. De broer en zus van Susanne hebben zich geschaard aan de zijde Zeno. Ook zij wensen dat Susanne zich (onvoorwaardelijk) uitlaat over de al dan niet aanvaarding van het legaat zodat zij kunnen komen tot afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, en eventueel de nalatenschappen van hun grootvader en overgrootvader.

4.3. Grief 1 in het principaal

4.3.1. De grief luidt:

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [Zeno] mede-erfgenaam is, waardoor hij als een belanghebbende moet worden aangemerkt.

Blijkens de toelichting op de grief dient het verzoek van Zeno in de visie van Susanne niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat hij geen mede-erfgenaam is in de nalatenschap van de moeder van Susanne en derhalve geen belanghebbende is in de zin van artikel 4:201 lid 2 BW.

4.3.2. De grief faalt. Artikel 4:201 lid 2 BW beperkt de belanghebbenden die ge-rechtigd zijn het betreffende verzoek te doen niet tot de erfgenamen van de testa-teur. Ook andere belanghebbenden kunnen zodanig verzoek doen. Naar het oordeel van het hof heeft Zeno toereikend belang bij zijn verzoek hetgeen volgt uit hetgeen hiervoor werd overwogen in rov. 4.2.1.

4.3.3. Het hof merkt nog op dat het betreffende legaat van betekenis is geworden door het overlijden van de moeder van Susanne op 22 augustus 2003. Op die nalatenschap is het erfrecht van toepassing zoals dat gold ná 1 januari 2003. De omstandigheid dat de nalatenschappen van Jules en Jean, waarvan Zeno de verdeling nastreeft, al vóór die datum zijn opengevallen, staat aan toepassing van het op 1 januari 2003 in werking getreden artikel 4:201 lid 2 BW niet in de weg.

4.4. Grief 3 in het principaal appel

4.4.1. Deze grief luidt:

Ten onrechte heeft de kantonrechter het verzoek van [Zeno] toegewezen op de grond dat het uitblijven van een keuze ten aanzien van de aanvaarding van de legaten, een verdere afwikkeling van de nalatenschap in de weg staat.

In de toelichting op de grief wijst Susanne erop dat geen der mede-erfgenamen een verzoek op de voet van artikel 4:201 BW heeft ingediend.

4.4.2. De grief faalt. Zoals hiervoor in rov. 4.2.1. is uiteengezet, is voor de verdere afwikkeling van de nalatenschappen van Jules en Jean, althans voor de verdeling van de gelegateerde percelen, vereist dat wordt vastgesteld wie als erfgenaam/ mede-eigenaar heeft te gelden: Susanne of haar broer en zus. De grief berust kennelijk op de verkeerde veronderstelling dat de verdeling van de nalatenschap van de moeder van Susanne in geding is.

4.4.3. Artikel 4:201 lid 2 BW stelt niet de eis dat mede-erfgenamen (mede) een verzoek doen als bedoeld in dat artikel. Voldoende is dat één erfgenaam, Zeno, als gerechtigde in de nalatenschappen van Jules en Jean, het verzoek doet. Ook dan is het verzoek toewijsbaar, zelfs als de andere erfgenamen geen verdeling zouden nastreven. Overigens zijn de broer en zus van Susanne ter zitting verschenen en hebben daar verklaard achter het verzoek van Zeno te staan. Bij het verweerschrift in hoger beroep zijn bovendien verklaringen van die broer en zus van deze strekking overgelegd.

4.5. Grief 2 in het principaal appel

4.5.1. De grief luidt:

Ten onrechte heeft de kantonrechter de termijn zoals bedoeld in art. 4:201 lid 2 BW vastgesteld op twee maanden na de dag waarop de beschikking is gegeven, zijnde 4 januari 2008.

Blijkens de toelichting op de grief meent Susanne dat de termijn te kort is omdat de afwikkeling van de nalatenschap (naar het hof begrijpt: die van haar moeder) complex is en veel tijd kost. Bovendien meent zij dat de termijn eerst had kunnen ingaan na betekening van de beschikking en niet eerst na de dag van de beschikking.

4.5.2. Het hof neemt ten aanzien van de termijn het volgende in overweging. Par-tijen zijn na het overlijden van de moeder van Susanne in augustus 2003, nu ruim 4 jaar geleden, met elkaar in overleg getreden over de verdeling van die gronden. Deze tijd moet voldoende zijn voor Susanne om zich een beeld te vormen van de waarde daarvan. Zij heeft niets gesteld over haar inspanningen om die waarde vastgesteld te krijgen. Wel heeft zij ter zitting aangegeven dat zij nog niet over voldoende bescheiden beschikt, maar dit standpunt – dat door haar broer en zus werd betwist – is niet nader onderbouwd, noch met een opgave van gegevens die gewenst worden, noch met een overzicht van activiteiten die zijn ondernomen om die bescheiden te verwerven.

4.5.3. Ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW dient tot uitgangspunt te worden genomen dat in beginsel niemand tegen zijn wil gehouden kan worden in een onverdeeld-heid te blijven. Dit brengt mee dat Zeno de verdeling van de betreffende onroerende zaken kan nastreven en dat Susanne in beginsel gehouden is daartoe haar medewerking te verlenen. Ingevolge artikel 3:178 lid 3 BW is voor uitstel (met perioden van 3 jaren) van de verdeling vereist dat de daarmee getroffen belangen van Susanne aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van Zeno bij verdeling.

4.5.4. Zeno staat buiten de verdeling van de nalatenschap van de moeder van Susanne. Hij is niet gerechtigd tot die nalatenschap. Hij kan geen invloed uitoefenen op het verloop van die verdeling. Dit brengt mee dat Susanne het niet afgewikkeld zijn van die verdeling van die nalatenschap in beginsel niet aan Zeno kan tegenwerpen. Wel is het zo dat Zeno rekening moet houden met gerechtvaardigde belangen van Susanne en dat ook de rechter, bij het bepalen van de termijn van artikel 4:201 lid 2 BW, daarmee rekening moet houden. Het is dan aan Susanne om uiteen te zetten welke zwaarwegende belangen, voortvloeiende uit de verdeling van de nalatenschap van haar moeder, eraan in de weg staan om de verlangde keuze te maken. Dat inzicht heeft zij niet gegeven. Zij beroept zich op de complexiteit daarvan, zonder die complexiteit nader te onderbouwen, en op vermeende strafbare feiten gepleegd door haar zus. Daarbij komt dat, zelfs als het zo zou zijn dat er tal van factoren zijn die meebrengen dat de nalatenschap van haar moeder nog niet kan worden verdeeld, dit er nog niet aan in de weg staat om zich een beeld te vormen over de waardefactoren die op haar keuze van toepassing zijn. Ook deze financiële kant van de zaak wordt niet onderbouwd. Naar het oordeel van het hof heeft Susanne in de afgelopen periode van vier jaar voldoende tijd gehad om zich een beeld te vormen over de financiële kant van haar legaat. Susanne kan van Zeno niet verwachten of verlangen dat hij nog langer lijdelijk moet afwachten tot zij haar geschillen met haar broer en zus heeft opgelost en haar keuze voor het verwerpen of aanvaarden van het legaat kan maken.

4.5.5. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is kunnen blijken van zodanige belangen van Susanne die een uitstel van de verdeling van de nalatenschappen van Jules en Jean rechtvaardigen, laat staan van belangen die aan-merkelijk zwaarder wegen dan die van Zeno bij voortzetting van het traject van verdeling. Het subsidiaire verzoek van Susanne tot het stellen van een termijn van 5 jaren ná 1 januari 2008 wordt daarom afgewezen.

4.5.6. Alles overziende, mede in aanmerking nemende dat er sinds de beschikking waarvan beroep alweer 5 maanden zijn verstreken, is het hof van oordeel dat een termijn van enkele maanden volstaat. De door de kantonrechter gestelde termijn is inmiddels grotendeels verstreken (tussen de datum van de beschikking en het instellen van hoger beroep – dat de werking van de beschikking heeft geschorst, artikel 360 Rv - liggen bijna twee volle maanden). Het hof zal (mede analoog aan wat geldt voor het huurrecht, HR 28 maart 2008, LJN BC7852, en voor het be-slagrecht, HR 9 februari 2007, LJN AZ2587) een nieuwe termijn stellen en wel van 3 maanden voor beraad . Na afloop van die periode zal het meer dan 5 jaar geleden zijn dat de moeder van Susanne overleed.

4.5.7. De stelling van Susanne als zou de gestelde termijn eerst gaan lopen na betekening van de betreffende beschikking is in haar algemeenheid, als niet steu-nende op de wet, onjuist. Wel is het hof van oordeel dat een prudent handelende kantonrechter in een ‘verstek’-zaak er beter aan doet de termijn in te laten gaan na betekening. Het hof zal zodanig beginmoment niet opnemen omdat Susanne in rechte is verschenen.

4.6. De grief in het incidenteel appel

4.6.1. De grief luidt:

Ten onrechte heeft de kantonrechter ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe verzuimd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.6.2. Ingevolge artikel 288 Rv kan een beschikking uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De kantonrechter is daartoe niet gehouden. Kennelijk heeft de kantonrechter daar geen aanleiding voor gevonden. Dat is begrijpelijk omdat er voor Zeno niets valt te executeren. Daarbij komt dat tegen de beschikking geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet. Bij uitvoerbaar verklaring bij voorraad bestaat dan een beperkt belang, namelijk alleen voor het geval dat zoals hier, in weerwil van het appelverbod, hoger beroep of cassatie wordt ingesteld. Er bestaat onvoldoende aanleiding om in die gevallen dat sprake is geweest van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel vooruit te lopen op het oordeel van de hoger beroeps- of de cassatierechter. Het hof ziet geen aanleiding om zelf tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad over te gaan.

4.7. Vermeerdering van verzoek

4.7.1. Zeno heeft – bij wege van vermeerdering van verzoek - verzocht nader te bepalen dat [X.] volledige medewerking dient te verlenen aan de uitvoering van het betreffende legaat en Susanne, bij gebreke daarvan, de beschikking van het hof in de plaats treedt van de leveringsakte, zulks als bedoeld in artikel 3:300 BW, uitvoerbaar bij voorraad, dan wel dat een dwangsom wordt opgelegd.

4.7.2. Het verzoek is niet ontvankelijk. Artikel 4:201 lid 2 BW voorziet in een procedure van eenvoudige en beperkte aard. Deze is enkel gericht op het stellen van een termijn voor het aanvaarden of verwerpen van een legaat. Het onderhavige verzoek van Zeno tot het gelasten van medewerking aan de verdeling valt buiten het toepassingsgebied en reikwijdte van die bepaling. De genoemde dwangmiddelen kunnen mitsdien ook niet worden opgelegd.

4.8. De kosten

4.8.1. Gelet op de familierelatie ziet het hof geen aanleiding voor een proceskos-tenbeslissing anders dan een compensatie.

4. De beslissing

Het hof:

in principaal appel:

vernietigt de beschikking waarvan beroep,

en opnieuw recht doende:

stelt de termijn zoals bedoeld in artikel 4:201 lid 2 BW waarbinnen Susanne haar onvoorwaardelijke keuze met betrekking tot het al dan niet verwerpen van de le-gaten zoals genoemd in het testament van haar moeder, kenbaar dient te maken aan Zeno c.q. zijn advocaat, vast op drie maanden na de dag waarop deze beschikking is gegeven;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

in incidenteel appel:

verklaart de vermeerderde verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk;

in principaal en incidenteel appel

compenseert de kosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van Etten en Kleijngeld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 juni 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.