Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
HV 103.009.737
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet behoorlijke nakoming WSNP-verplichtingen (omvangrijke boedelachterstand, nieuwe schulden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 mei 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 103.009.737/01

Zaaknummer eerste aanleg 06/117 R – 06/118 R / 07/263 F – 07/264 F

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X. en Y.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Roermond van 12 december 2007, waarvan de inhoud bij appellanten bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 december 2007, hebben appellanten verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling nog steeds van toepassing is.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2008, waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- appellanten, bijgestaan door hun advocaat mr. N.S.M. Backes;

- mevrouw A.T.M. Brekelmans, de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 6 december 2007;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 22 januari 2008;

- het schrijven met bijlagen van de advocaat van appellanten (aangeduid als akte), ingekomen ter griffie op 14 februari 2008;

- de brief met bijlage van de procureur van appellanten van 15 februari 2008;

- het schrijven met bijlagen van de procureur van appellanten (aangeduid als akte), ingekomen ter griffie op 21 april 2008;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder van 21 april 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van 29 maart 2006 is ten aanzien van appellanten de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 sub c en e Faillissementswet (Fw) (oud) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd, met benoeming van een curator in het als gevolg van die uitspraak intredende faillissement van appellanten, overwegende dat appellanten hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen en hun schuldeisers trachten te benadelen, en dat dit aan hen is toe te rekenen.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat al op de verificatievergadering van 31 mei 2007 is vastgesteld dat appellanten hun verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling niet nakwamen. Er is, aldus de rechtbank, een boedelachterstand van € 443,26 doordat er niet wordt afgedragen aan de boedelrekening en er zijn vijf bovenmatige nieuwe schulden ontstaan ter hoogte van € 3.468,93. Daarnaast is er een huurachterstand van ongeveer € 600,--. Tegen de zin van de bewindvoerder is het budgetbeheer door appellanten gestaakt waarna grote financiële problemen zijn ontstaan. Appellanten komen bovendien hun informa¬tieplicht niet na en zij zijn niet in staat om de nieuwe schulden in te lopen.

4.3. Appellanten kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.3.1. Appellanten zijn – zakelijk weergegeven – van mening dat zij hun verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsanerings- regeling wel naar behoren nakomen. Vanaf de aanvang van de regeling zouden de werkgevers van [X.] de boedelbijdragen volledig en correct hebben afgedragen. Vanaf oktober 2007 hebben appellanten niet meer afgedragen nadat de gemeente hen had medegedeeld dat zij geen boedelbijdrage hoefden te betalen omdat hun inkomen onder de beslagvrije voet lag.

Voorts hebben appellanten nieuw werk gevonden, is de boedelachterstand niet zodanig groot dat deze niet meer kan worden ingelopen en is er geen sprake van bovenmatige nieuwe schulden.

Wegens een geschil met de Kredietbank ten gevolge waarvan appellanten het vertrouwen in de Kredietbank hebben verloren, hebben zij het budgetbeheer opgezegd. Zij zijn echter wel bereid om budgetbeheer via een andere instantie te laten plaatsvinden. Appellanten hebben meerdere malen contact gezocht met de bewindvoerder, maar zij bleek steeds niet bereikbaar. Enige verzoeken van de bewindvoerder hebben appellanten niet ontvangen.

4.3.2. De bewindvoerder heeft in hoger beroep – zakelijk weergegeven – aangevoerd, dat de verklaring van appellanten dat zij geen boedelafdracht meer verschuldigd waren vanwege een te laag inkomen niet juist is. Zij waren in elk geval de minimale boedelafdracht verschuldigd. Met het stopzetten van budgetbeheer zonder overleg met of toestemming van de bewindvoerder namen appellanten bewust het risico dat nieuwe schulden zouden ontstaan. Die ontstonden dan ook bijna onmiddellijk.

Volgens de bewindvoerder vormt het feit dat appellanten vinden dat zij te weinig leefgeld ontvangen het grootste probleem. Van inspanningen van appellanten om werkzaamheden te vinden is de bewindvoerder niets bekend. Naar het oordeel van de bewindvoerder is de schuldsaneringsregeling van appellanten op juiste gronden beëindigd, nu sprake is van meerdere tekortkomingen.

4.3.3. Naar aanleiding van de stukken en hetgeen ter zitting van 25 februari 2008 naar voren is gebracht heeft het hof besloten appellanten de gelegenheid te bieden om orde op zaken te stellen en nadere informatie te verschaffen. Dit houdt onder andere in dat:

1. met onmiddellijke ingang gestart moet worden met (opnieuw) budgetbeheer;

2. met onmiddellijke ingang de informatiestroom naar de bewindvoerder moet worden hervat, zodat de bewindvoerder omtrent de verschillende onderwerpen een helder beeld kan krijgen;

3. een nieuwe inventarisatie van de nieuwe schulden wordt gemaakt en voorstellen worden gedaan voor de aflossing daarvan. Dit geldt ook voor de schulden met betrekking tot de auto van appellanten;

4. een nieuwe inventarisatie wordt gemaakt van de boedelachterstand en het inlopen daarvan;

5. overleg moet plaatsvinden tussen appellanten en de bewindvoerder over de wijze waarop (eventuele) problemen in geval van voortzetting van de schuldsaneringsregeling binnen de resterende 14/15 maanden van de regeling zullen worden opgelost;

6. middels bewijsstukken duidelijkheid wordt verschaft over de arbeidsovereenkomst van appellante, de hoogte van de inkomsten uit deze arbeidsovereenkomst en de wijze waarop deze inkomsten worden uitbetaald;

7. middels bewijsstukken duidelijkheid wordt verschaft over het dienstverband van appellant, de hoogte van de inkomsten uit het dienstverband en de wijze waarop deze inkomsten worden uitbetaald;

8. en ook overigens door appellanten duidelijkheid wordt geboden over de mogelijkheden om aan de kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.

In afwachting van een en ander, en van schriftelijk bericht daarover van (de advocaat van) appellanten en de bewindvoerder binnen de gestelde termijn, heeft het hof de zaak aangehouden tot 21 april 2008 PRO FORMA.

4.4.1. Aan het schrijven (akte) met bijlagen van de procureur van appellanten, ingekomen ter griffie op 21 april 2008 ontleent het hof met betrekking tot het vorenstaande het volgende:

1. Op 17 maart 2008 hebben appellanten een aanvraag voor budgetbeheer ingediend bij de Kredietbank. De Kredietbank is echter niet bereid opnieuw budgetbeheer voor appellanten te voeren. Appellanten zullen zich derhalve tot een andere instantie wenden teneinde budgetbeheer tot stand te brengen.

2. De informatiestroom naar de bewindvoerder is door appellanten hervat. Zij hebben alle benodigde bescheiden aan de bewindvoerder doen toekomen.

3. De bewindvoerder heeft zich bij faxbericht van 1 april 2008 op het standpunt gesteld dat er nieuwe schulden zijn ontstaan ten bedrage van € 2.409,97. Appellanten stellen dat zij de schuld aan Wonen Zuid (€ 490,48) en CZ (€ 155,12) heb¬ben betaald. Voor de schuld aan autobedrijf [Z.] (€ 264,47), hebben appellanten een betalingsregeling getroffen van € 50,-- per twee maanden, de eerste betaling heeft plaatsgevonden. Appellanten hebben op 18 mei 2007 een andere auto (koopprijs

€ 3.850,--) aangeschaft in verband met de werkzaamheden van appellanten.

Voor de aanschaf van deze auto hebben appellanten € 1.500,-- van een broer geleend. Zij zijn met de broer overeengekomen dat zij na het einde van de schuldsaneringsregeling aanvang zullen nemen met terugbetaling van de lening, zonder rente. Een schuld aan een zwager van € 1.000,-- is inmiddels geheel afgelost.

4. De bewindvoerder heeft zich, zoals blijkt uit haar brief van 21 april 2008, op het standpunt gesteld dat er thans, na de zitting in hoger beroep, naast nieuwe schulden ad € 3.209,97 voorts een boedelachterstand van € 4.317,54 bestaat, in totaal dus

€ 7.527,51. Appellanten dienen volgens de bewindvoerder maandelijks een bedrag van € 1.137,26 af te dragen aan de boedel.

5. De stelling van de bewindvoerder dat naast de maandelijkse afdrachtverplichting tevens nog een regeling dient te worden getroffen voor de thans bestaande boedelachterstand is volgens appellanten, gelet op artikel 295 Fw, onjuist. Op dit moment hebben appellanten een bedrag van € 3.058,68 aan de boedel betaald. Indien zij tot en met het einde van de regeling de boedelbijdrage van € 1.137,26 blijven voldoen, zal een totaal bedrag van € 15.568,54 aan de boedel worden afgedragen. Blijkens de crediteurenlijst bedraagt de totale in de regeling vallende schuldenlast € 18.474,04. Dat is exclusief het salaris van de bewindvoerder, maar levert een hoge te verwachten uitkering voor crediteuren op.

4.4.2. Op dit moment zijn er volgens appellanten geen problemen in het kader van het voldoen aan de verplichtingen. Appellanten hebben naar hun zeggen alle verlangde gegevens aan de bewindvoerder verstrekt.

Op grond van het vorengaande zijn appellanten van mening dat zij alle actiepunten zoals voorgeschreven door het hof hebben uitgevoerd. De informatievoorziening is weer tot stand gebracht en alle benodigde bescheiden zijn in het bezit van de bewindvoerder. Zij hebben de boedelafdrachten met ingang van 16 april 2008 weer hervat. Bij het einde van de schuldsaneringsregeling zal dan ook het merendeel van de in de schuldsaneringsregeling vallende schulden zijn afbetaald. Voorts hebben appellanten een aanvraag gedaan tot het realiseren van budgetbeheer; het is dan ook niet aannemelijk dat er in de toekomst nog bovenmatige schulden zullen ontstaan.

4.4.3. Bij haar brief van 21 april 2008 heeft de bewindvoerder echter het volgende – zakelijk weergegeven – bericht: Het vrij te laten bedrag van appellanten is vanaf januari 2008 vastgesteld op € 1.319,53. Appellanten ontvangen daarnaast maandelijks € 1.758,53 aan toeslagen, waarmee vaste en overige lasten moeten worden betaald; het restantbedrag geldt als leefgeld. Op 17 april 2008 is door de bewindvoerder € 1.130,42 ontvangen, waarna een boedelachterstand van

€ 4.317,54 resteert. Appellanten hebben aan de bewindvoerder medegedeeld dat zij vanaf april 2008 maandelijks zullen afdragen, met de mededeling dat zij een verklaring van de bewindvoerder willen ontvangen dat dan geen beroep meer wordt gedaan op de boedelachterstand. Daarnaast hebben zij in diverse telefoongesprekken aangegeven niet in staat te zijn van het vrij te laten bedrag te leven en hebben zij hun grote ontevredenheid over de bewindvoerder herhaald. Met betrekking tot de boedelachterstand merkt de bewindvoerder allereerst op dat artikel 295 Fw niet van toepassing is op een boedelachter- stand. Voorts stelt de bewindvoerder dat appellanten niet hebben gereserveerd voor de te verwachten belastingheffing over hun inkomen (IB/PVV 2008), maar hebben zij het gehele inkomen gebruikt om schulden af te lossen. Van een bruto boedel- afdracht (opgegeven inkomen van appellante betreft het bruto inkomen) zal (zodra de boedel- achterstand is afgelost) door de boedel ongeveer € 450,-- worden gereserveerd om te zijner tijd aan de belastingdienst af te dragen. Dit betekent dat de bruto boedelafdrachtverplichting van € 1.150,-- voor crediteuren netto € 700,-- oplevert. Er zal in de resterende looptijd dan ook maar € 7.700,-- worden gespaard. Overigens is, aldus de bewindvoerder niet van doorslaggevend belang hoeveel van de schulden uiteindelijk kan worden betaald. Van belang is dat op de boedelrekening aanwezig is het bedrag dat appellanten tijdens hun regeling konden sparen op basis van inkomen en vrij te laten bedrag.

Met betrekking tot de nieuwe schulden stelt de bewindvoerder dat de nieuwe schulden die bij (de uitspraak van de rechtbank tot) beëindiging zijn geconstateerd, grotendeels zijn afgelost. Echter, voor de aflossing is geld gebruikt dat aan de boedel had moeten worden afgedragen. De boedelachterstand is daardoor groter geworden. Bovendien bestaat er volgens de bewindvoerder thans voor een bedrag van € 3.209,97 aan nieuwe schulden, waaronder de schuld ad € 1.500,-- aan de broer.

Volgens de bewindvoerder is het financiële probleem alleen maar toegenomen en is er geen sprake van oplossingen, maar van verleggen van het probleem. Schulden aan individuele crediteuren zijn weliswaar (deels) afgelost, maar de boedel- achterstand is toegenomen en er zijn opnieuw nieuwe schulden ontstaan.

Het verloop van de schuldsaneringsregeling, de enorme financiële problematiek en de uitlatingen van appellanten hebben de bewindvoerder gesterkt in de overtuiging dat een onoplosbaar probleem is ontstaan, voornamelijk doordat appellanten niet in staat zijn te leven conform de eisen van de schuldsaneringsregeling. De financiële problemen zijn in de afgelopen maanden toegenomen; door de houding en het standpunt van appellanten dienaangaande is bij de bewindvoerder niet het vertrouwen ontstaan dat de problemen in de toekomst kunnen worden opgelost. Er is sprake van een grote boedel- achterstand en van nieuwe schulden. De ontstane problemen kunnen, zo bericht de bewindvoerder, niet in de resterende tijd worden opgelost.

4.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.5.1. Appellanten hebben (de berekening door de bewindvoerder van) de boedelachterstand per 1 april 2008 ad € 4.267,54, zoals deze blijkt uit de laatste bijlage bij de brief d.d. 1 april 2008 van de bewindvoerder aan de raadsvrouw van appellanten (productie 4 bij de brief van mr. Backes van 21 april 2008), niet betwist. Weliswaar hebben appellanten op of omstreeks 18 april 2008 een bedrag van € 1.137,26 op de boedelrekening overgemaakt, maar daar staat tegenover dat ook over de maand april weer een boedelbijdrage ad ongeveer € 1.100,-- verschuldigd is, zodat met genoemde betaling de bestaande boedelachterstand niet of nauwelijks wordt ingelopen.

Het beroep van appellanten op art. 295 Fw gaat niet op, omdat dit artikel geen steun biedt aan hun kennelijke standpunt dat, omdat hun een vrij te laten bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet ter beschikking dient te staan, zij, wanneer zij in het vervolg aan hun maandelijkse afdrachtverplichting voldoen, niet gehouden zijn om een betalingsregeling met de bewindvoerder te treffen met betrekking tot een in het verleden ontstane boedelachterstand.

Nu appellanten bovendien geen enkel concreet voorstel hebben gedaan om de omvangrijke boedelachterstand op korte termijn, in ieder geval vóór het einde van de schuldsaneringsregeling, af te lossen, laat staan dat zij in de tussentijd enige substantiële betaling hebben verricht die de achterstand heeft kunnen doen verminderen, komt het hof tot de conclusie dat appellanten in ieder geval één van de kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, te weten het tijdig en volledig voldoen van de vastgestelde boedelbijdragen en het niet laten ontstaan van een boedelachterstand, niet naar behoren zijn nagekomen. Daaraan kan niet afdoen dat, wanneer appellanten gedurende de resterende looptijd van de schuldsanerings- regeling hun boedelbijdragen geheel zouden voldoen, aan hun schuldeisers een substantieel deel van de door dezen ingediende vorderingen kan worden voldaan.

Aan voornoemde conclusie kan evenmin afdoen, dat appellanten na de zitting op 25 februari 2008 hun informatieverplichting naar behoren zijn nagekomen, dat het budgetbeheer binnenkort zal worden hervat en dat appellanten de per laatst- genoemde datum bestaande nieuwe schulden inmiddels hebben voldaan dan wel dienaangaande een betalingsregeling hebben getroffen. Opgemerkt wordt in dit verband dat de lening ad € 1.500,-- van de broer van appellant, gelet op de toelichting van appellanten, nog wel kan worden gezien als een achtergestelde renteloze lening, maar dat de bewindvoerder in haar brief van 21 april 2008 gewag maakt van een vijftal na de zittingsdatum ontstane andere nieuwe schulden ad in totaal ruim € 1.700,--.

4.5.2. Vorenstaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, inclusief de benoeming van een curator in het faillissement waarin appellanten na de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen van rechtswege komen te verkeren, nu er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, een en ander als bedoeld in art. 350 lid 5 Fw (nieuw).

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Van den Bergh en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.