Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
HV 200.003.929
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebleken is dat saniet in de periode van de schuldsaneringsregeling in de destijds door hem bewoonde woning een hennepkwekerij voorhanden heeft gehad, waardoor een omvangrijke nieuwe schuld aan het energiebedrijf is ontstaan. Geen schone lei: toerekenbare tekortkoming.

Weliswaar heeft saniet in zijn beroepschrift gesteld dat hij die schuld betwist, maar deze stelling heeft hij op geen enkele wijze gemotiveerd of onderbouwd anders dan met zijn stelling ter zitting van het hof dat de hoogte van de vordering van het energiebedrijf slechts op een schatting berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 juni 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.003.929/01

Zaaknummer eerste aanleg 05/96 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [Appellant],

procureur: mr. P.Th. van Alkemade.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 18 maart 2008, waarvan de inhoud bij [Appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 maart 2008, heeft [Appellant] verzocht zijn verzoekschrift, inhoudende beroep tegen de beëindiging schuldsanering, gegrond te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2008.

Bij die gelegenheid is gehoord:

- [Appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. H.P. Ruysink.

De bewindvoerder, de heer W.P.J. Aarts, is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het dossier van de behandeling in eerste aanleg van de rechtbank Maastricht;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 16 mei 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 februari 2005 is ten aanzien van [Appellant] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.1.1. Aanvankelijk is het verzoek gedaan tot tussentijdse beëindiging. Door diverse aanhoudingen is de looptijd van de schuldsaneringsregeling overschreden en is de rechtbank tot een eindbeoordeling overgegaan.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld dat [Appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en heeft zij bij de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling aan [Appellant] niet de schone lei verleend.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat [Appellant] voor een totaalbedrag van € 6.067,71 aan nieuwe schulden heeft laten ontstaan, waarvan het grootste deel is ontstaan, nadat bij hem een hennepkwekerij was ontdekt. [Appellant] heeft ter zitting geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het ontstaan van de omvangrijke nieuwe schulden niet aan hem kan worden toegerekend. Gelet op de aard en de hoogte van de nieuwe schulden is de rechtbank van oordeel dat [Appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en acht zij deze tekortkoming van zo ernstige aard dat deze niet buiten beschouwing kan blijven.

Voorts voldoet [Appellant] niet aan zijn informatieplicht.

4.3. [Appellant] is tegen dit vonnis in beroep gekomen.

4.3.1. [Appellant] heeft in het beroepschrift aangevoerd, dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen ontstaan na het ontdekken van de hennepkwekerij, als nieuw ontstane schulden heeft geaccepteerd, nu de schuld bij Essent wordt betwist, terwijl niet vaststaat dat verzoeker toerekenbaar is tekortgeschoten. Daarvoor zal eerst de schuld van [Appellant] in strafrechtelijke zin moeten worden vastgesteld.

4.3.2. Hieraan heeft [Appellant] ter zitting toegevoegd, dat hem de hennepkwekerij niet kan worden aangerekend, omdat hij in aanraking was gekomen met agressieve mensen aan wie [Appellant] geen weerstand kon bieden.

Vanwege het hebben van een hennepkwekerij is [Appellant] uit zijn huis gezet. Omdat [Appellant] geen huis had is hij zonder werk geraakt en daardoor zijn de nieuwe schulden ontstaan. [Appellant] heeft de eerste tijd gezworven, verbleef daarna in het slaaphuis van het Leger des Heils en heeft daar nu een vaste plaats gekregen.

[Appellant] heeft nu weer werk en verdient voldoende om afdrachten aan de boedel te kunnen verrichten. Er is een surplus op de boedelrekening, waarmee een groot deel van de nieuwe schulden kan worden afbetaald.

[Appellant] komt niet in aanmerking voor een woning, omdat in [plaatsnaam] strikte normen worden gehanteerd ten aanzien van mensen die vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij uit huis zijn gezet.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient het hof voorts na te gaan of termen bestaan een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing te laten.

4.4.2. Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking:

Gebleken is dat [Appellant] in de periode van de schuldsaneringsregeling in de destijds door hem bewoonde woning een hennepkwekerij voorhanden heeft gehad, waardoor een omvangrijke nieuwe schuld aan Essent Netwerk ad € 3.615,89 is ontstaan. Weliswaar heeft [Appellant] in zijn beroepschrift gesteld dat hij die schuld betwist, maar deze stelling heeft hij op geen enkele wijze (nader) gemotiveerd of onderbouwd anders dan met zijn stelling ter zitting van het hof dat de hoogte van de vordering van Essent slechts op een schatting berust. Door [Appellant] is onvoldoende gemotiveerd bestreden dat inclusief genoemde schuld aan Essent Netwerk thans voor een totaalbedrag van € 6.067,71 aan nieuwe schulden is ontstaan.

[Appellant] heeft ter zitting nog gesteld dat er sprake is van een voorstand ten aanzien van de boedelafdrachten, maar gebleken is dat de omvang van dit surplus bij lange na niet toereikend is om de nieuwe schulden daarmee af te lossen.

[Appellant] heeft evenmin betwist dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Ook in hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het laten ontstaan van omvangrijke nieuwe schulden en het niet voldoen aan de informatieplicht niet aan [Appellant] zouden kunnen worden toegerekend.

4.4.3. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de eindbeoordeling op goede gronden [Appellant] niet de schone lei heeft verleend.

4.4.4. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. de Klerk-Leenen, Gründemann en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 juni 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.