Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3769

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
06/00401
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK4521, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de onderhavige naheffingsaanslag ziet op het door middel van de inrichting, bestaande uit de drie deepwell-pompen, onttrokken grondwater, leidt het oordeel dat belanghebbende geen houder van die pompen is, tot de conclusie dat deze naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht door de Rechtbank zijn vernietigd. De door de Inspecteur in zijn principaal hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangevoerde grieven behoeven geen behandeling aangezien zij dat oordeel en die conclusie niet kunnen aantasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1248
FutD 2008-1293
V-N 2008/52.2.5

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00401

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Z,

hierna te noemen: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente X

hierna te noemen: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 augustus 2006, nummer 05/381, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000, onder nummer 0000.00.000.0000000, een naheffingsaanslag in de belasting op grondwater opgelegd ten bedrage van € 197.542. Bij deze naheffingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 49.385.

Op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de hiervoor genoemde naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, de boetebeschikking vernietigd en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 273 aan haar vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak van de Rechtbank is door de Inspecteur hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele beroep beantwoord.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een tot de stukken van het geding behorend proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verstuurd.

1.7. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet betwiste, feiten vastgesteld:

2.1. Namens belanghebbende heeft de dienst Stedelijke Ontwikkeling en Beheer het project KBC te Eindhoven uitgevoerd. Het KBC bestaat uit een drietal kantoorgebouwen met daaronder een parkeergarage. De eigendom van de parkeergarage ligt bij meerdere partijen. Enerzijds zijn dat de verkochte 'appartementsrechten' aan de eigenaren van de kantoorpanden en anderzijds zijn er openbare parkeerplaatsen. De parkeergarage kent twee lagen, de bovenste laag (-1) is voor openbaar parkeren, de onderste laag (-2) is het besloten gedeelte.

2.2.1. Het projectmanagement voor het totale project KBC is door belanghebbende uitbesteed aan de A B.V. Daarnaast heeft belanghebbende de directievoering over de bouw van de parkeergarage eveneens uitbesteed aan de A. De opdracht tot het bouwen van de parkeergarage is uitbesteed aan IBC.

2.2.2. In artikel 7, onderdeel c, van de aannemingsovereenkomst tussen belanghebbende en IBC van 31 juli 1998 is bepaald dat IBC geen recht heeft op verrekening van meerwerk waarvan de uitvoering niet rechtstreeks schriftelijk is opgedragen of door middel van notulen van de bouwvergadering is vastgelegd.

2.2.3. In het tot de aannemingsovereenkomst behorend "Bestek algemene voorwaarden" van 28 mei 1998 is onder meer het volgende bepaald:

"(...)

00.01.10 ALGEMENE OMSCHRIJVING VAN HET WERK

(...)

90 WERKZAAMHEDEN BOUWKUNDIG AANNEMER, PERCEEL 1

Tot de werkzaamheden van de bouwkundig aannemer behoren in hoofdzaak:

(...)

- bemaling

- tijdelijke voorzieningen

(...)

01.01.10 VAN TOEPASSING ZIJNDE VOORWAARDEN

(...)

91 BESPREKINGEN

A. Eén maal per vier weken wordt een bouwvergadering gehouden. Bij deze vergaderingen dienen aanwezig te zijn:

- alle aannemers (...);

- alle ontwerpers (...);

- opdrachtgever;

- directie.

(...)

01.02.05 VERPLICHTINGEN VAN DE OPDRACHTGEVER

(...)

90 OVERIGE VERPLICHTINGEN

- De directie geeft voor de aanvang van het werk bericht welke vergunningen, ontheffingen en machtigingen van particulieren, overheden en andere rechtspersonen zijn gevraagd. De directie draagt zorg voor:

• (...)

• (...)

• (...)

• lozings/bemalingsvergunning

• (...)

• (...)

- Leges- zegel- en bouwvergunningskosten, (...) komen ten laste van de opdrachtgever.

- Kosten voor tijdelijke voorzieningen komen voor rekening van de coördinerend aannemer.

(...)

01.02.06 VERPLICHTINGEN VAN DE AANNEMER

(...)

91 OVERIGE VERPLICHTINGEN

(...)

- De aannemer heeft de plicht om zorg te dragen voor naleving van eisen die gesteld zijn aan door hem en de opdrachtgever verkregen vergunningen. De aannemer vrijwaart de opdrachtgever en directie voor alle schadelijke gevolgen van het niet, niet tijdig of niet volleding (Rb: verschrijving authentiek) nakomen van genoemde verplichtingen.

(...)".

2.2.4. In het eveneens tot de aannemingsovereenkomst behorend werkbestek van 28 mei 1998 is onder meer het volgend bepaald:

"(...)

05.00.30. INFORMATIE-OVERDRACHT: ALGEMEEN

(...)

04 KOSTEN ONTTREKKING GRONDWATER, AANNEMER

Voor rekening van de aannemer zijn:

- de kosten van de vergunning wegens het onttrekken van grondwater.

- De kosten van de heffing wegens het onttrekken van grondwater.

(...)".

2.3. Voor het realiseren van de parkeergarage onder de nieuw te bouwen kantoorgebouwen van het project KBC is een bouwput gegraven. Teneinde te komen tot een werkbaar en stabiel ontgravingsvlak is door Raadgevend Ingenieursbureau B een bemalingsplan opgesteld dat voorziet in de aanleg van een zogenoemde strengbemaling rond de bouwput in combinatie met enkele zogenoemde deepwells en een horizontale drainage rond de bouwput waarmee in de periode 2 december 1998 tot en met 22 september 2000 zowel grondwater is opgepompt als lek- en hemelwater is afgevoerd. Het bemalingsplan maakt eveneens deel uit van de aannemingsovereenkomst.

2.4. Belanghebbende is naar aanleiding van een door voormeld ingenieursbureau namens belanghebbende ingediende aanvraag voor een vergunning in het grondwaterregister van de Provincie Noord-Brabant opgenomen als houder van de inrichting.

2.5. Tijdens de bouw is gebleken dat het grootste gebouw van de drie kantoorgebouwen extra fundering behoefde. Ten behoeve van deze extra fundering is extra diep gegraven. De leemlaag onder de "funderingsplaat" van de paalkoppen is vooraf op diverse punten gemeten om de dikte van deze laag vast te stellen. Bij de feitelijke uitvoering van de (extra) fundering is gebleken dat de leemlaag onder het grootste gebouw minder dik was dan was aangenomen. De druk van het grondwater bleek dermate groot dat het grondwater zonder hulp van enige pomp naar boven kwam en er een wel ontstond.

2.6. Om deze wel te dempen en het gat te kunnen dichten zijn door een onderaannemer, de firma C, drie extra deepwell-pompen geplaatst. Het proces van het dempen van de wel en het dichten van het gat heeft geduurd van 20 augustus 1999 tot en met 14 maart 2000.

2.7. Ter zake van de reguliere onttrekking van grondwater, als bedoeld in 2.3, heeft de aannemer over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 de op naam van belanghebbende gestelde aangiften grondwaterbelasting ingediend. In die aangiften is in totaal een onttrekking van 856.940 m³ vemeld. De aangiftebiljetten zijn op naam van belanghebbende gesteld met toevoeging "Project parkeergarage D".

2.8. In het jaar 2003 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften grondwaterbelasting. Bij het project KBC heeft de Inspecteur vastgesteld dat er een grotere hoeveelheid grondwater is onttrokken dan door belanghebbende in de aangiften is verwerkt. Uit dit boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende in de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 2.723.870 m³ aan grondwater heeft onttrokken. Het door belanghebbende aangegeven onttrokken grondwater ziet op de normale bemaling. Het door de drie extra deepwell-pompen onttrokken grondwater is niet in de aangiften opgenomen.

2.9. Op grond van de resultaten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag grondwaterbelasting aan belanghebbende opgelegd ter zake van het door de drie extra deepwell-pompen onttrokken grondwater, ter grootte van circa 2.000.000 m³. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil in het principaal hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. zijn de (extra) onttrekkingen van grondwater door de drie deepwell-pompen aan te merken als "ontwateren of afwateren van gronden" zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet), zodat de onttrekking is uitgezonderd van de heffing van grondwaterbelasting,

b. zo het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen in ontkennende zin. De Inspecteur is een tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. In het incidenteel hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende als houder van een inrichting belastingplichtig is voor de grondwaterbelasting.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag in ontkennende zin. De Inspecteur is een tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3. Partijen doen hun stellingen in principaal en incidenteel hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is opgenomen in het van het onderzoek ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het door hem ingestelde hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en handhaving van de uitspraken op bezwaar. Voorts concludeert de Inspecteur tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde incidenteel hoger beroep.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep concludeert belanghebbende tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof behandelt eerst de in het incidentele hoger beroep aan de orde gestelde vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als houder van een inrichting in de zin van het bepaalde in artikel 5 van de Wet.

4.2. Volgens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet wordt onder een inrichting verstaan een inrichting als bedoeld in de Grondwaterwet, bestemd tot het onttrekken van grondwater. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Grondwaterwet wordt onder een inrichting verstaan, een inrichting of werk bestemd tot het onttrekken van grondwater. Voorts geldt op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de Wet dat inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, als één inrichting worden aangemerkt.

4.3. Naar het Hof begrijpt zijn de onderhavige drie deepwell-pompen tijdelijk geplaatst nadat zich bij de bouw een calamiteit had voorgedaan, doordat een kleilaag was doorboord en er onder druk een grote hoeveelheid water de bouwput in stroomde. Naar het Hof verder begrijpt fungeerden deze drie deepwell-pompen los van de bestaande ontwateringsinstallatie en waren die drie pompen aan elkaar gekoppeld. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de drie deepwell-pompen geen samenhangend geheel vormden met de bestaande ontwateringsinstallatie, maar dat deze pompen te zamen een afzonderlijke inrichting vormden.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen moet beoordeeld worden of belanghebbende houder was van de drie deepwell-pompen.

4.5. In de Wet is het begrip houder niet gedefinieerd. Ook in de parlementaire geschiedenis van de Wet en die van de Grondwaterwet is geen eenduidige omschrijving van het begrip houder terug te vinden. Het Hof is van oordeel dat een redelijke, met doel en strekking van de Wet overeenstemmende, uitleg van dit begrip ertoe leidt onder de houder van een inrichting te verstaan degene die beschikt over de feitelijke beschikkingsmacht om door middel van die inrichting grondwater te onttrekken.

4.6. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij geen eigenaar was van de drie deepwell-pompen en dat ook de feitelijke beschikkingsmacht over die pompen niet bij haar berustte. De Inspecteur heeft die stellingen niet bestreden. Het Hof houdt die stellingen daarom voor waar en grondt daarop zijn oordeel dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als houder van de drie deepwell-pompen.

4.7. De Inspecteur heeft zich er nog op beroepen dat belanghebbende in het provinciaal register voor de uitvoering van de Grondwaterwet staat vermeld als houder van de inrichting. Dit beroep faalt echter reeds omdat die vermelding ziet op de oorspronkelijke ontwateringsinstallatie en niet op de drie deepwell-pompen. Ter zake van die oorspronkelijke ontwateringsinstallatie was een vergunning aangevraagd en ter zake van de door middel van die installatie onttrokken grondwater is ook aangifte gedaan. De Inspecteur heeft weliswaar gesteld dat in de vergunningaanvraag reeds rekening is gehouden met de inzet van deepwell-pompen en dat de latere inzet van de drie onderhavige deepwell-pompen volledig in overeenstemming met de verleende vergunning is, maar tegenover de betwisting door belanghebbende is de Inspecteur er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de plaatsing van de onderhavige drie deepwell-pompen reeds was voorzien in de aanvraag. Het rapport van 3 december 1997 dat bij de aanvraag is gevoegd maakt immers wel melding van de inzet van deepwell-pompen, maar in het geheel niet van het risico dat de onderhavige calamiteit zich zou kunnen voordoen, en ook overigens blijkt uit dat rapport niet dat voorzien is in extra pompcapaciteit voor noodgevallen. Het Hof houdt het er daarom voor dat de deepwell-pompen waarvan melding wordt gemaakt in de aanvraag en het rapport behoorden tot de oorspronkelijke ontwateringsinstallatie, waarvan de capaciteit onvoldoende was nadat de calamiteit zich had voorgedaan.

Voorts is het Hof van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag wie houder is van een inrichting de inschrijving in het provinciaal register niet doorslaggevend kan zijn. Weliswaar is in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet opgemerkt dat het uit een oogpunt van uitvoerbaarheid aantrekkelijk is om voor de belastingplichtige voor een verbruiksbelasting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de registratie- en vergunningsplicht, maar de Wet of de wetsgeschiedenis bevat geen aanwijzingen dat aan dit uitgangspunt meer of anders invulling is gegeven dan door het hanteren van uniforme wettelijke begrippen. (Zie voor de hiervoor bedoelde opmerking Kamerstukken II, 1992/1993, 22 849, nr. 3, blz. 6.)

4.8. Nu de onderhavige naheffingsaanslag ziet op het door middel van de inrichting, bestaande uit de drie deepwell-pompen, onttrokken grondwater, leidt het oordeel dat belanghebbende geen houder van die pompen is, tot de conclusie dat deze naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht door de Rechtbank zijn vernietigd. De door de Inspecteur in zijn principaal hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangevoerde grieven behoeven geen behandeling aangezien zij dat oordeel en die conclusie niet kunnen aantasten.

4.9. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, zij het onder verbetering van de gronden.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus vastgesteld op: 22 april 2008 door R.J. Koopman, voorzitter, P. Fortuin en N. van Beelen in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.