Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
06/00239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat sprake is van een noodsituatie, omdat hij zijn zoontje moest ophalen, en op dat moment niet over vervoer beschikte. Het Hof deelt dienaangaande het standpunt van de Rechtbank dat de wetgeving inzake de bpm niet voorziet in de mogelijkheid de heffing daarvan in geval van een noodsituatie achterwege te laten, daargelaten of de onderhavige situatie werkelijk aldus kan worden gekwalificeerd, en of geen andere mogelijkheden voorhanden waren dan het lenen van een niet hier te lande geregistreerde personenauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1153
FutD 2008-1270

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/239

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Y, belanghebbende,

gemachtigde mr. A te Y,

tegen de mondelinge uitspraak in de zaak nr. AWB 05/4481 van de Rechtbank Breda van 24 mei 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Z, hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 27 mei 2005 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd ten bedrage van € 6.066, tegelijk met een beschikking heffingsrente ten bedrage van € 335.

Tegen die aanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, dat op 30 juni 2005 bij de Inspecteur is ingekomen. Bij uitspraak van 17 oktober 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Bij mondelinge uitspraak van 24 mei 2006, in afschrift aan partijen verzonden op 6 juni 2006, heeft de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij brief van 13 juli 2006, bij het Hof ingekomen op 14 juli 2006. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.

1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

2.1. Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.2 en 2.5

- met uitzondering van de laatste volzin - van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Het bedrag van de aanslag is op zichzelf beschouwd niet in geschil.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Er is in casu geen sprake van een huurauto of zakelijke dienstverlening, of grensoverschrijdend werkverkeer. Strijdigheid met het vrije verkeer van diensten als bedoeld in de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag (hierna: EG) is niet aan de orde.

Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Van de Coevering speelt dus evenmin een rol. Het gaat hier om een vriendendienst, het Gemeenschapsrecht waarborgt geen recht daarop.

Het vrije verkeer van personen wordt in een situatie als de onderhavige niet belemmerd.

De nieuwe wettelijke regeling werkt terug tot 16 oktober 2006, en kan belanghebbende dus niet baten.

Van het feitelijk gebruik van de auto weet ik verder niets.

3.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de

Rechtbank en van de naheffingsaanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat sprake is van een noodsituatie, omdat hij zijn zoontje moest ophalen, en op dat moment niet over vervoer beschikte. Het Hof deelt dienaangaande het standpunt van de Rechtbank dat de wetgeving inzake de bpm niet voorziet in de mogelijkheid de heffing daarvan in geval van een noodsituatie achterwege te laten, daargelaten of de onderhavige situatie werkelijk aldus kan worden gekwalificeerd, en of geen andere mogelijkheden voorhanden waren dan het lenen van een niet hier te lande geregistreerde personenauto.

4.2. Belanghebbende stelt in de tweede plaats dat hij niet voldoende geïnformeerd is omtrent de heffing van bpm, en dat hem onvoldoende herstelmogelijkheden zijn geboden. Het Hof verwerpt ook deze stelling, aangezien vaststaat dat hem een waarschuwings- en informatieformulier is uitgereikt. Het Hof onderschrijft dat daarin in voldoende duidelijke bewoordingen is aangegeven wat de gevolgen kunnen zijn van het (opnieuw) hier te lande rijden met een niet-geregistreerde personenauto. De stelling dat hij nadien twee keer bij de Douane is geweest baat hem in dit verband evenmin, nu de Inspecteur er terecht op wijst dat hij niet heeft aangegeven wanneer die bezoeken zouden hebben plaatsgevonden, wat daarbij is gebeurd, en met wie hij heeft gesproken. Het Hof deelt het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad de auto te doen registreren en de bpm te voldoen. Dat hij die mogelijkheid niet heeft benut en de in het formulier gegeven waarschuwing naast zich heeft neergelegd, komt voor zijn rekening.

4.3. In de derde plaats stelt belanghebbende dat hij op 11 februari 2003 en 30 maart 2005 geen feitelijke beschikkingsmacht over de onderhavige personenauto had. Het Hof verwerpt die stelling.

Uitgangspunt van het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, nr. 32 627, BNB 1998/134, is dat degene ten aanzien van wie het gebruik van de personenauto wordt geconstateerd, degene is aan wie de auto feitelijk ter beschikking staat. De uitzondering op die regel, dat iemand een aan een derde ter beschikking staande auto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, doet zich in casu niet voor.

In het onderhavige geval gebruikte belanghebbende de auto uitsluitend voor eigen doeleinden. Aan dit oordeel doet niet af dat sprake was van een - beweerdelijke - noodsituatie, en dat belanghebbende slechts heel kort met de auto in Nederland is geweest.

4.4. Tenslotte heeft belanghebbende nog de vraag opgeworpen of heffing van bpm in het onderhavige geval in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) volgt dat, hoewel de lidstaten, bij gebrek aan een harmonisatie ter zake, zelf de voorwaarden mogen vaststellen voor de inschrijving van voertuigen die op hun grondgebied in het verkeer zijn, de dienaangaande vastgestelde maatregelen niet vallen buiten de werkingssfeer van de artikelen 10, 39, 43, of de artikelen 49 tot en met 55 EG (HvJ 2 oktober 2003, Van Lent, C-232/01, Jurispr. blz. I=11525; 24 oktober 2002, Hahn, Jurispr. blz. I-9193; 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en 152/04, Jurispr. blz I-11203; 21 maart 2002, Cura Anlagen, C-451/99, Jurispr. blz.I-3193; en 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, blz. I-05843).

Naar het oordeel van het Hof zijn de in deze bepalingen opgenomen verboden c.q. verdragsvrijheden in het onderhavige geval, waarin slechts sprake is van uitlening van een personenauto aan een familielid, niet in het geding. Reeds daarom komt het Hof niet toe aan toetsing van de naheffingsaanslag aan het evenredigheidsbeginsel.

4.5. Het beroep is ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt, en acht voorts geen termen aanwezig een der partijen te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus vastgesteld op 15 april 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W.J. Huige en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.