Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
20-001990-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 3 B en C Ow/140/420bis Sr/26 WWM: hoofdverdachte in de Carwash/Felis-zaak. Leider van criminele organisatie, grootschalige hennephandel, witwassen van geld en auto’s, voorhanden hebben van een (doorgeladen) vuurwapen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in grote lijnen bevestigd en verdachte veroordeeld tot dezelfde straf (3 jaar en 6 maanden gevangenisstraf m.a.). Het hof rekent verdachte met name aan dat hij de leider was van de criminele organisatie, dat hij de legale growshop van zijn zoon heeft misbruikt als dekmantel voor zijn criminele activiteiten en dat hij geld dat hij uit zijn criminele activiteiten verdiende heeft witgewassen via de legale autohandel van zijn mededader en daardoor het vertrouwen in het handelsverkeer ernstig heeft geschonden. En voorts dat verdachte, ondanks eerdere veroordeling wegens doodslag, een doorgeladen vuurwapen voorhanden heeft gehad; door de verklaring die verdachte heeft gegeven voor het voorhanden hebben van dit wapen wordt tevens zichtbaar dat de hennephandel gepaard kan gaan met fors geweld.

En verder:

- dat de verdediging is belet om aan de observanten vragen te stellen, die bij beantwoording de onderzoeksmethodiek in gevaar zouden kunnen brengen, is naar het oordeel van het hof nog geen reden om het proces-verbaal van de observanten, dat als betrouwbaar wordt aangemerkt, niet als bewijs te gebruiken;

- de enkele omstandigheid dat deelnemers aan de organisatie ook nog buiten de organisatie criminele activiteiten zouden hebben ontplooid doet niet af aan het bestaan van die criminele organisatie;

- hof neemt m.b.t. de duur van het strafproces in eerste aanleg (2 jaar en 8 maanden) geen overschrijding van de redelijke termijn aan gelet op de complexiteit van de zaak en het horen van getuigen in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001990-07

Uitspraak : 4 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 mei 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-089065-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum] 1960,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is door de officier van justitie blijkens de bij de appelakte gevoegde opgave van bezwaren gericht tegen de partiële vrijspraak voor feit 4 (Opel Corsa).

Het hoger beroep is door de verdachte blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet gericht tegen de partiële vrijspraak voor hetgeen aan de verdachte onder 3 en 6 is bewezen verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 tot en met 6 is ten laste gelegd. Met betrekking tot de gevorderde straf heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden (in plaats van 44 maanden), met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – voor zover thans nog aan de orde ten laste gelegd dat:

1.

hij te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, in perceel [adres] ([naam growshop 1]) te ’s-Hertogenbosch,

op 9 maart 2004,

3396 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram, hennep

en/of

97 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten (hasjiesj),

en/of

op 21 september 2004

640 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram, hennep

en/of

480 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten (hasjiesj),

zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(bijlage 27 p.v. nr. 24-045974)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode(n) van

30 september 2003 tot en met 21 september 2004 te 's-Hertogenbosch en/of te Tilburg, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, in de perce(e)l(en):

- [adres] te ’s-Hertogenbosch in of omstreeks de periode van

13 oktober 2003 tot en met 14 maart 2004 te ’s-Hertogenbosch (bijlage 12

p.v. nr. 24-060118) en/of

- [adres]a te Sint-Michielsgestel in of omstreeks de periode van

10 december 2003 tot en met 2 maart 2004 (bijlage 19 p.v. nr. 24-032819

+ aanvullend p.v. 25-027923)

een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep

en/of

(telkens) opzettelijk heeft vervoerd

- 900 hennepstekken, op of omstreeks 8 juni 2004 (bijlage 20 [betrokkene 1]) en/of

- een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep (hennepstekken), in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met

21 september 2004 (bijlage 23 [betrokkene 2])

en/of

heeft vervoerd en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan

- [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], 8.950 gram hennep, op of omstreeks 19 mei 2004 (bijlage 13) en/of

- [betrokkene 5], 260 hennepstekken, op of omstreeks 5 februari 2004 (bijlage 18) en/of

- [betrokkene 6] en/of[betrokkene 7] en/of [betrokkene 8], 5.781 gram hennep, op of omstreeks 30 maart 2004 (bijlage 21),

in elk geval (telkens) een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 9 december 2003, in de gemeente Sint-Michielsgestel en/of te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld en/of valuta, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat geld en/of die valuta -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), opzettelijk (onder meer) op na te melden tijdstip(pen) na te melden hoeveelheid/hoeveelheden geld verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, bestaande uit het via of bij (een) bank(en) (doen of laten) omwisselen van vreemde valuta, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het geld/die valuta -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar een (aantal), wisseltransactie(s) verricht van

Engelse ponden - voor een totaalbedrag van GBP 69.000,--, althans enig totaalbedrag-

waaronder

op of omstreeks 29 juli 2003 een bedrag van 21.700 Engelse ponden

en/of

op of omstreeks 9 december 2003 een bedrag van 39.200 Engelse ponden

en/of

op of omstreeks 15 oktober 2003 een bedrag van 8.100 Engelse ponden;

zulks terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

(ordner 2/bijlage 7 p.v. nr. 23-029173)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

14 december 2001 tot en met 21 september 2004, in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten het/de voertuig(en):

- Opel Corsa (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 1, pag. 18-28 en pag. 146 -266) en/of

- Audi A4 cabriolet (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 1a, pag. 29-46 en 267-444)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding heeft verborgen en/of verhuld

en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van dat/die voertuig(en) was/waren

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

(ordner 3/bijlage 8 p.v.nr. 24-034680)

5.

hij op of omstreeks 21 september 2004 te 's-Hertogenbosch een of meer wapens

van categorie III, te weten een pistool van het merk Colt (model All American) kaliber

9 mm, en/of munitie van categorie III, te weten 52, althans een hoeveelheid, kogelpatronen 9mm luger, voorhanden heeft gehad;

(ordner 7/bijlage 25 p.v. nr. 24-047972)

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 11 oktober 2004 te

's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of

een of meer natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk,

- het telkens opzettelijk overtreden van artikel 3 onder B (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) en/of C van de Opiumwet,

zulks terwijl hij, verdachte, de oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was.

(ordner 4/bijlage 10 delictsdossier 24-044170)

In de tenlastelegging van feit 6 is vermeld dat het oogmerk zich richtte op artikel 3 lid 1 onder B van de Opiumwet. Nu de desbetreffende bepaling van de Opiumwet geen afzonderlijke leden (meer) kent, beschouwt het hof dit als een kennelijke verschrijving en heeft dit verbeterd gelezen. Ook in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, in perceel [adres] ([naam growshop 1]) te

’s-Hertogenbosch,

op 9 maart 2004 3396 gram hennep

en

op 21 september 2004 640 gram hennep

en

hij telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, in perceel [adres] ([naam growshop 1]) te ’s-Hertogenbosch,

op 9 maart 2004,

97 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten (hasjiesj),

en

op 21 september 2004,

480 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten (hasjiesj),

zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 30 september 2003 tot en met

21 september 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

telkens opzettelijk heeft bewerkt of verwerkt, in het perceel:

- [adres] te 's-Hertogenbosch in de periode van 13 oktober 2003 tot en met

14 maart 2004

hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep

en

opzettelijk heeft geteeld in het perceel:

- [adres]a te Sint-Michielsgestel in de periode van 10 december 2003 tot en met

2 maart 2004,

hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep

en

telkens opzettelijk heeft vervoerd

- 900 hennepstekken, op 8 juni 2004 en

- hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep (hennepstekken), in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 21 september 2004

en

heeft vervoerd en/of verstrekt aan

- [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], 8.950 gram hennep, op 19 mei 2004 en

- [betrokkene 5], 260 hennepstekken, op 5 februari 2004 en

- [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8], 5.781 gram hennep, op 30 maart 2004,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk telen of bewerken of verwerken en verstrekken en/of vervoeren heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

3.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 29 juli 2003 tot en met 9 december 2003, in de gemeente Sint-Michielsgestel en/of te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

geld heeft voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf,

immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk

op 9 december 2003 een bedrag van 39.200 Engelse ponden voorhanden gehad, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat het geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf,

en

op na te melden tijdstippen na te melden hoeveelheden geld voorhanden gehad en omgezet, bestaande uit het bij (een) bank(en)(doen of laten) omwisselen van vreemde valuta, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat het geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader toen en daar een aantal wisseltransacties verricht van Engelse ponden -voor enig totaalbedrag- waaronder

- op 29 juli 2003 een bedrag van 21.700 Engelse ponden en

- op 15 oktober 2003 een bedrag van 8.100 Engelse ponden;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 september 2004 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten de voertuigen:

- Opel Corsa (kenteken [nummer]) en

- Audi A4 cabriolet (kenteken [nummer])

heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbenden van die voertuigen waren

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

5.

hij op 21 september 2004 te 's-Hertogenbosch wapens van categorie III, te weten een pistool van het merk Colt (model All American) kaliber 9 mm, en munitie van categorie III, te weten 52, kogelpatronen 9mm luger, voorhanden heeft gehad;

6.

hij in de periode van 1 mei 2003 tot en met 11 oktober 2004 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en een of meer natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk,

- het telkens opzettelijk overtreden van artikel 3 onder B (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) en/of C van de Opiumwet,

zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

(t.a.v. feit 3)

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overwogen:

Met betrekking tot het ten laste gelegde bedrag van 21.700 Engelse ponden (kortweg: storting 1) neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Blijkens het telefoongesprek van 9.16 uur deelt verdachte aan [medeverdachte 3] mede dat hij er aan komt. Volgens de waarnemingen van het observatieteam (OT) wordt de auto van verdachte (VW Bora) op 29 juli 2003 om 9.35 uur gezien bij het autobedrijf van [medeverdachte 3], [naam bedrijf medeverdachte 3]. Later die dag ziet het observatieteam verdachte in deze auto rijden. Het OT neemt waar dat [medeverdachte 3] een oranje plastic tas op de balie van de receptie legt. Om 9.43 uur neemt het OT waar dat [medeverdachte 3] en een vrouw geldbiljetten uit de tas halen. Daarbij constateert het OT blijkens het proces-verbaal van 31 juli 2003 (ordner 2, set 2, bijlage 7, p. 364-368) dat de vrouw uit de plastic tas een bundel Engelse ponden pakt.

Om 10.02 belt [medeverdachte 3] verdachte en zegt tegen hem zonder nadere toelichting: “het klopt in ieder geval nie, dan witte gij dat vast, want ik ben nog bezig”, waarna [medeverdachte 3] verdachte om 10.14 uur terugbelt met de mededeling: “vals alarm” (tapgesprekken p. 342 en 343 van voormelde bijlage 7). Verdachte geeft in beide gesprekken niet te kennen dat hij niet weet waarover [medeverdachte 3] het heeft.

Om 10.20 gaat [medeverdachte 3] met een eveneens oranje plastic tas naar de Rabobank. Daarbij valt een stortingsbewijs op naam van [naam bedrijf medeverdachte 3] op de grond waarop een totaalbedrag van 21.700 Engelse ponden is gespecificeerd (bijlage 7, p. 363). Kort daarop ziet het OT dat [medeverdachte 3] de Rabobank uitkomt zonder tas.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, en mede gelet op de korte tijdspanne waarin zich bovengenoemde gang van zaken heeft afgespeeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die op 29 juli 2003 21.700 Engelse ponden bij [naam bedrijf medeverdachte 3] heeft gebracht en dat dit bedrag vervolgens diezelfde dag door verdachte [medeverdachte 3] is omgewisseld bij de Rabobank in Berlicum.

Met betrekking tot het ten laste gelegde bedrag van 39.200 ponden (kortweg: storting 2) neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Blijkens het proces-verbaal van 9 december 2003 ziet het OT verdachte die dag om 10.49 uur vertrekken vanuit zijn woning met een donkerkleurige tas onder zijn arm (bijlage 7, p. 419). Om 11.02 uur loopt verdachte de werkplaats van [naam bedrijf medeverdachte 3] binnen. Om 11.11 uur vertrekt hij weer.

Om 11.20 uur vindt een doorzoeking van het bedrijfspand van [naam bedrijf medeverdachte 3] plaats. In een kluis wordt een zwarte plastic tas aangetroffen, met daarin een witte tas met 39.200 Engelse ponden. Op de zwarte zak worden twee dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen.

Voorts heeft een medewerkster van [medeverdachte 3], [getuige 1], verklaard dat zij op 9 december 2003 van [medeverdachte 3] een plastic tas heeft ontvangen. “[medeverdachte 3]] kwam vanuit de buitendeur naar binnengelopen met een plastic tas. Hij heeft mij de tas direct overhandigd en ik heb direct de tas in de kluis gezet. Er is verder niets met die tas gebeurd. Dat weet ik 100% zeker. Direct daarna kwamen jullie binnenvallen.” (proces-verbaal 26 september 2004, bijlage 7, p. 857)

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die op 9 december 2003 39.200 Engelse ponden bij [naam bedrijf medeverdachte 3] heeft gebracht.

Met betrekking tot het ten laste gelegde bedrag van 8.100 Engelse ponden (kortweg: storting 16) stelt de rechtbank het volgende vast.

In de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 3] is vermeld dat door verdachte op 15 oktober 2003 een bedrag van € 10.000,-- is aanbetaald ten behoeve van een Audi A4 Cabriolet (p. 570, bijlage 7). Daarbij is een handgeschreven berekening gevoegd (p. 571, bijlage 7) waarop staat vermeld: “10.000 p”, daarboven “x 1.35 pond” en daaronder “13.500”. Uit een dagafschrift van de Rabobank van het rekeningnummer van [naam bedrijf medeverdachte 3] (p. 558, bijlage 7) blijkt dat op 15 oktober 2003 een bedrag van 8.100 Engelse ponden was gestort (tegenwaarde uitgaande van een koers van 1,35 euro per pond: € 10.935,--). [getuige 2], medewerker van [medeverdachte 3] heeft hierover het volgende verklaard: “De aantekening 10000 p onderstreept 13500,- is mijn handschrift. Ik kan u vertellen dat de twee kladbriefjes bij elkaar horen en betrekking hebben op de huur van de Audi A4 voor [verdachte]. [medeverdachte 3] heeft tegen mij gezegd dat hij 10.000 euro aan ponden zou ontvangen of al had ontvangen van [verdachte]”. (zaakdossier 8, bijlage 20.1a.2, p. 416).

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aanbetaling van de Audi A4 op 15 oktober 2003 in Engelse ponden heeft gedaan.

De rechtbank acht ten aanzien van storting 1, 2 en 16 bewezen dat verdachte wist dat het om crimineel geld ging, aangezien niet is gebleken van legale inkomsten van verdachte in Engelse ponden.

Het hof kan zich met deze overwegingen verenigen en maakt die tot de zijne.

Het hof overweegt voorts dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegegeven dat een deel van de aanbetaling voor de aankoop van de Audi A4, die hij voor zijn dochter heeft gekocht, is betaald met geld dat hij met de illegale hennephandel heeft verdiend. Uit de omstandigheden dat verdachte eerder over de herkomst van dit geld heeft gelogen, dat verdachte zich, in de periode dat hij deze feiten heeft gepleegd, heeft schuldig gemaakt aan

– kort gezegd – de handel in hennep en dat van een legaal inkomen in die periode waaruit het voorhanden hebben van dergelijke geldbedragen kan worden verklaard niet is gebleken, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en dat verdachte dit heeft beseft.

Met betrekking tot storting 1 heeft de raadsman in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat leden van het observatieteam niet hebben kunnen waarnemen dat de vrouw in de receptie van [naam bedrijf medeverdachte 3] ponden in haar hand nam. Voorts heeft het openbaar ministerie belet dat de observanten vragen van de verdediging hebben beantwoord die de onderzoeksmethodiek konden onthullen. De passage in voormeld proces-verbaal van

31 juli 2003 waarin deze waarneming is beschreven dient volgens de raadsman daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

Evenals de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de waarneming in twijfel te trekken. Het proces-verbaal van 31 juli 2003 is opgemaakt op ambtseed en vindt bovendien steun in de overige bewijsmiddelen. Dat de verdediging is belet om vragen te stellen aan de observanten, die bij beantwoording de onderzoeksmethodiek in gevaar zouden kunnen brengen, is naar het oordeel van het hof nog geen reden om het proces-verbaal van de observanten niet als bewijs te gebruiken.

(feit 4)

Met betrekking tot de Opel Corsa heeft de raadsman aangevoerd dat uit het aanvullende proces-verbaal blijkt dat het vermogen van verdachte de aanschaf van deze auto beslist toeliet, zeker indien de extra inkomsten na detentie worden meegenomen.

Het hof verwerpt het verweer.

Uit de Kopie Verkoopboek en de Kopie Kas/Bank van [naam bedrijf medeverdachte 3] (pg. 154 en 155 ordner Procesdossier [verdachte] Zaakdossier bijlage 8) blijkt dat de betreffende auto op

16 december 2002 is geleverd aan [medeverdachte 6] voor een bedrag van EUR 10.500,-- en dat deze auto op die datum contant is voldaan. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 6] (pg. 248 van laatstgenoemde ordner: dat zij dit bedrag niet heeft voldaan) en de verklaring van [medeverdachte 3] (pg. 193 van laatstgenoemde ordner: dat de auto op papier is verkocht aan [medeverdachte 6], dat hij niet weet wie de Corsa betaald heeft, maar dat hij denkt dat het verdachte was en dat de boetes, de verzekering en de wegenbelasting contant door verdachte werden betaald) acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze betaling heeft verricht.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van bevindingen van [naam verbalisant] d.d. 24 april 2008. Hieruit leidt het hof af dat verdachte aan het einde van zijn detentie in april 1999 maximaal EUR 48.689,-- tot zijn beschikking had, waarvan hij op 1 januari 2000 (na aftrek van getraceerde uitgaven inzake de borgsom voor een Mercedes [kenteken], huur en reis naar Mexico) nog EUR 26.000,-- over had. In het jaar 2000 en januari 2001 heeft verdachte voorts nog diverse huishoudelijke uitgaven gedaan ten behoeve van [medeverdachte 6] (EUR 21.642). Ook heeft hij een lening verstrekt aan zijn zoon ten behoeve van de opstart van het bedrijf [naam bedrijf]. Blijkens de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van [naam verbalisant] is deze lening in het jaar 2000 verstrekt en is het bedrijf eind 2001, begin 2002 gestopt. Het uitstaande saldo ten tijde van de aankoop van de Opel Corsa bedroeg EUR 62.466.

Verder is slechts bekend dat verdachte sinds 1998 een WAZ-uitkering ontving (proces-verbaal bevindingen inzake belastinggegevens d.d. 4 augustus 2003, pg. 607 ordner Procesdossier [verdachte], algemeen dossier) van EUR 8.707,-- per jaar in 2000 tot EUR 9.600,-- per jaar in 2002. Overige (legale) inkomsten zijn door verdachte niet geconcretiseerd en ook overigens niet aannemelijk geworden.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte op 16 december 2002, op het moment dat hij die Opel Corsa contant betaalde, niet over legale inkomsten of legaal vermogen beschikte waaruit de uitgave van EUR 10.500,-- verklaard kan worden. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat de Opel Corsa is betaald met geld dat uit misdrijf afkomstig was.

Uit de omstandigheden dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over de betaling van deze auto en over de inkomsten waaruit de betaling is voldaan en dat de auto noch op naam van [medeverdachte 6], noch op naam van verdachte is gesteld, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft dat hij de auto heeft betaald met uit misdrijf afkomstig geld.

(feit 6)

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen dat de ten laste gelegde hennephandel heeft plaatsgevonden in een georganiseerd verband in de zin van artikel 140 Sr. Het hof wijst in dit verband op de tot het bewijs gebezigde telefoongesprekken tussen de onder feit 6 genoemde personen en op de verklaringen van [medeverdachte 4] over de taakverdeling tussen deze personen. [medeverdachte 4] heeft onder meer verklaard (zie ordner Procesdossier

[verdachte], zaakdossier bijlage 7):

- dat [medeverdachte 2] de baas van [naam growshop 1] was en bijna altijd in de zaak was te vinden (pg. 754);

- dat [verdachte] ook vaak in de [naam growshop 1] was als hij daar kwam (pg. 754);

- dat verder [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 5] uit Tilburg werkzaam waren in [naam growshop 1] (pg. 754);

- dat als [verdachte] er niet was, hij zaken deed met [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] dan de zaken met mensen deed over de verkoop en aankoop van henneptoppen

(pg. 763);

- dat, als [verdachte] of [medeverdachte 1] goede kwaliteit henneptoppen binnen kregen hij, [medeverdachte 4], altijd werd gebeld (pg. 764);

- dat hij zelf ook in [naam growshop 1] heeft gewerkt en dat hij ook met de handel in hennep hielp, maar dat daar dan altijd iemand bij moest zijn zoals [verdachte] zelf of [medeverdachte 2] (pg. 772).

Uit de bewijsmiddelen komt verdachte naar voren als de leider van een organisatie gericht op de handel in hennep. Er was sprake van een duidelijk hiërarchische relatie en van een taakverdeling tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 1], [medeverdachte 2],

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] anderzijds. De aan-/afvoer van hennepstekken vanuit de [naam growshop 1] werd vooral geregeld door [medeverdachte 1] en [verdachte], [medeverdachte 4] was een tussenpersoon bij de verkoop aan derden, [medeverdachte 6] regelde het knippen van henneptoppen. Dit alles onder regie van verdachte.

Voorts blijkt uit de telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 5], zoals weergegeven in met name het proces-verbaal nr. 24-065417, dat er tussen hen geregeld afspraken werden gemaakt over de levering van hennep door verdachte aan [medeverdachte 5] en vice versa. Soms kochten ze ook samen hennep(stekken) in en verdeelden deze onder elkaar. Mede door het aandeel van [medeverdachte 5] in met name de aanvoer van hennep voor de verkoop werd de organisatie van verdachte draaiende gehouden. Voorts was [medeverdachte 5] ook betrokken bij het telen van hennep op de [adres] in Sint-Michielsgestel. In die zin heeft [medeverdachte 5]een aandeel gehad in de gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte leider is geweest van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer van de raadsman dat uit het dossier afdoende blijkt dat de verschillende personen die in het dossier voorkomen elkaar gebruikten als het hen uitkwam en er derhalve geen sprake was van de vereiste hechtheid van de organisatie, wordt door het hof verworpen. De enkele omstandigheid dat deelnemers aan de organisatie ook nog buiten de organisatie criminele activiteiten zouden hebben ontplooid doet immers niet af aan bovenstaande conclusie dat er van een criminele organisatie sprake was.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is telkens voorzien bij artikel 3 aanhef onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud), tweede lid, van die wet en, voor zover verdachte de feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd, juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is telkens voorzien bij artikel 3 aanhef onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud), derde lid, van die wet juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, eerste lid aanhef sub b, juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, eerste lid aanhef sub a, juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 5 is telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Met betrekking tot het pistool is het bewezen verklaarde strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid aanhef sub a (oud), van die wet en met betrekking tot de munitie bij artikel 55, eerste lid (oud), van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140 (oud), eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en voorts met de volgende omstandigheden:

- dat verdachte de leider was van een criminele organisatie;

- dat verdachte heeft bewerkstelligd dat diverse personen voor deze organisatie werkzaam waren;

- dat verdachte de legale growshop van zijn zoon heeft misbruikt als dekmantel voor zijn criminele activiteiten;

- dat verdachte in aanzienlijke mate de Opiumwet heeft overtreden;

- dat verdachte geld dat hij uit zijn criminele activiteiten verdiende heeft witgewassen via de legale autohandel van zijn mededader [medeverdachte 3] en daardoor het vertrouwen in het handelsverkeer ernstig heeft geschonden;

- dat verdachte geld dat hij uit zijn criminele activiteiten verdiende heeft gebruikt voor de aanschaf van een dure auto voor zijn dochter;

- dat verdachte, ondanks eerdere veroordeling wegens doodslag, een doorgeladen vuurwapen voorhanden heeft gehad, en door de verklaring die verdachte heeft gegeven voor het voorhanden hebben van dit wapen tevens zichtbaar wordt dat de hennephandel gepaard kan gaan met fors geweld.

De advocaat-generaal heeft bij de door hem gevorderde straf rekening gehouden met een schending van het recht dat verdachte conform het bepaalde in artikel 6 EVRM heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht en een korting van twee maanden gevangenisstraf toegepast. Door de verdediging is gesteld dat er bij de strafoplegging in grotere mate rekening moet worden gehouden met een schending van de redelijke termijn dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verdachte is op 21 september 2004 aangehouden en in verzekering gesteld.

Op deze datum zijn vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte handelingen verricht waaraan verdachte de verwachting kon ontlenen dat een strafvervolging tegen hem werd ingesteld. Het eindpunt van de redelijke termijn is in eerste aanleg geëindigd op 8 mei 2007, zijnde de datum van de uitspraak in deze zaak door de rechtbank. In de onderhavige zaak heeft het ruim 2 jaar en 8 maanden geduurd voordat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg was afgerond.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een verdachte die zich niet (meer) in voorlopige hechtenis bevindt binnen een termijn van twee jaar te zijn afgerond. Van dit uitgangspunt kan onder meer worden afgeweken indien de complexiteit van de strafzaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld daartoe aanleiding geeft. Naar het oordeel van het hof was er hier sprake van een complexe strafzaak met meerdere verdachten en verschillende internationale aspecten. Verder is er op verzoek van de verdediging in deze zaak dan wel op verzoek van de verdediging in de zaken tegen de medeverdachten, bij welke verzoeken de verdachte zich heeft aangesloten, een groot aantal getuigen gehoord, hetgeen de nodige tijd in beslag heeft genomen. Te meer daar er getuigen dienden te worden gehoord in het buitenland.

Voornoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redenen om af te wijken van de termijn van twee jaren. Het hof is van oordeel dat de termijn van twee jaren en acht maanden voor verdachte weliswaar lang is geweest, maar niet zodanig lang dat geen sprake meer is van behandeling binnen een redelijke termijn.

Nu er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn, ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder

1 tot en met 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 tot en met 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2.

Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3.

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

4.

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (t.a.v. het pistool)

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (t.a.v. de munitie).

6.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij van die organisatie leider was.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en

6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 4 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.