Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3039

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
20-001893-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 5, 225, 420ter/420bis Sr. en 4 Wet inzake de wisselkantoren; hoofdverdachte in de Carwash-zaak. Witwassen van geld en auto’s, fungeren als illegaal wisselkantoor en valsheid in geschrift.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in grote lijnen bevestigd en verdachte veroordeeld tot een hogere straf (3 jaar gevangenisstraf m.a.). Verdachte heeft aanzienlijke stortingen (voor ongeveer 15 miljoen euro) van vreemde valuta in Nederland gedaan. Deze bedragen kunnen naar het oordeel van het hof niet worden teruggevoerd op exportverkopen van het autobedrijf van verdachte. Het hof rekent verdachte met name aan dat hij zijn (legale) autohandel uit winstbejag heeft gebruikt om geld uit de criminele sfeer wit te wassen en dat verdachte daarbij zijn verkoopkanalen heeft benut om het spoor weg te poetsen waarlangs crimineel geld in het legale circuit terecht is gekomen.

En verder:

- verweer niet-ontvankelijkheid OM in verband met onjuiste CIE-informatie verworpen;

- hof neemt m.b.t. het strafproces in eerste aanleg (2 jaar en 8 maanden) gelet op de complexiteit van de zaak en het horen van getuigen in het buitenland geen overschrijding van de redelijke termijn aan;

- verklaringen getuigen à décharge terzijde geschoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001893-07

Uitspraak : 4 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 mei 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-089051-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is door de officier van justitie blijkens de bij de appelakte gevoegde opgave van bezwaren gericht tegen de vrijspraak voor feit 3 (partieel) en feit 5. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 23 januari 2008 het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de partiële vrijspraak van feit 3.

Het hoger beroep is door de verdachte blijkens de bij de appelakte gevoegde opgave van bezwaren uitsluiten gericht tegen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 is bewezen verklaard.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 is ten laste gelegd.

Met betrekking tot de gevorderde straf heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden (in plaats van 36 maanden), met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag.

Verzoek tot schorsing

Door de verdediging is verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen in afwachting van de uitkomsten van de door de advocaat-generaal aangekondigde meineedprocedure tegen de [getuige 1].

Het hof wijst dit verzoek af, omdat het zich zelfstandig een oordeel zal vormen omtrent de betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaring ter terechtzitting van dit hof van 16 mei 2008. Het hof verwijst daarbij naar hetgeen hierna in de bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 wordt overwogen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 9 december 2003 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, en/of in België,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), (onder meer) op na te melden tijdstippen na te melden hoeveelheden geld verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, bestaande dat verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten uit het in ontvangst nemen en/of (vervolgens) het via of bij (een) bank(en) (doen of laten) omwisselen van vreemde valuta, te weten:

a. in of omstreeks de periode van 19 december 2001 tot en met 15 oktober 2003 een aantal (ongeveer 132) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Engelse ponden 6.140.355,-- en/of (in België) een aantal (ongeveer 9) ontvangsten en/of overdrachten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van Engelse ponden 488.340,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Engelse ponden en/of

b. op of omstreeks 9 december 2003 de ontvangst van (ongeveer) Engelse ponden 39.200,--, in ieder geval enige hoeveelheid Engelse ponden (delictsdossier 1; storting 2) en/of

c. op of omstreeks 26 september 2003 de ontvangst en/of wisseltransactie voor een (totaal) bedrag van (ongeveer) Noorse Kronen 120.000,--, in ieder geval een of meer hoeveelheden Noorse Kronen (delictdossier 1; storting 15) en/of

d. in of omstreeks de periode van 1 februari 2002 tot en met 22 mei 2003 een aantal (ongeveer 8) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Deense kronen 1.505.300,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Deense kronen en/of

e. in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 11) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Italiaanse lires 400.000.000,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Italiaanse lires en/of

f. in of omstreeks de periode van 19 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Duitse marken 73.800,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Duitse marken en/of

g. in of omstreeks de periode van 8 februari 2002 tot en met 14 februari 2003 een aantal (ongeveer 7) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Zwitserse francs 821.630,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Zwitserse francs en/of

h. in of omstreeks de periode van 1 maart 2002 tot en met 25 juni 2002 een aantal (ongeveer 3) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Schotse ponden 16.590,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Schotse ponden en/of (in België) een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en/of overdrachten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van Schotse ponden 38.350,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Schotse ponden en/of

i. in of omstreeks de periode van 19 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en/of wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Belgische francs 270.000,--, in ieder geval (telkens) een of meer hoeveelheden Belgische francs,

zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat geld en/of die valuta -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(delictsdossier 1)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot 19 juli 2002 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (in strijd met artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren), als wisselkantoor werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en daar, beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van een of meer (onbekende) ander(en), (onder meer) telkens (opzettelijk)

a. een aantal (in totaal ongeveer 15) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Engelse ponden, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens en/of euro’s, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Engelse ponden 516.240--, althans enig totaalbedrag, en/of

b. een aantal (in totaal ongeveer 11) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Italiaanse lires, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Italiaanse lires 400.000.000,-- althans enig totaalbedrag, en/of

c. een aantal (in totaal ongeveer 2) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Duitse marken, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Duitse marken 73.800,-- althans enig totaalbedrag, en/of

d. een aantal (in totaal ongeveer 5) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Zwitserse francs, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens en/of euro’s, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Zwitserse francs 769.030,-- althans enig totaalbedrag;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet inzake de wisselkantoren)

(Delictsdossier 1)

EN/OF

B.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 juli 2002 tot en met 9 december 2003 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (in strijd met artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren) als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en aldaar beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van (een) derde(n) (onder meer) (opzettelijk)

a. een aantal (in totaal ongeveer 117) geldtransactie(s) uitgevoerd van/met Engelse ponden, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden euro’s, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Engelse ponden 5.624.115,--, althans enig totaalbedrag, en/of

b. een aantal (in totaal ongeveer 6) geldtransactie(s) uitgevoerd van/met Deense kronen, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden euro’s, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Deense kronen 914.500--, althans enig totaalbedrag en/of

c. een geldtransactie uitgevoerd van/met Noorse kronen, bestaande uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden euro’s, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Noorse kronen 120.000--, althans enig totaalbedrag (delictsdossier 1, storting 15) en/of

d. een aantal (in totaal ongeveer 2) geldtransactie(s) uitgevoerd van/met Zwitserse francs, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden euro’s, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Zwitserse francs 52.600--, althans enig totaalbedrag;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet inzake de geldtransactiekantoren)

(Delictsdossier 1)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot 14 december 2001 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (in strijd met artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren), als wisselkantoor werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en daar, beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van een of meer (onbekende) ander(en), (onder meer) (opzettelijk)

a. een aantal (in totaal ongeveer 32) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Engelse ponden, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Engelse ponden 1.148.630,--, althans enig totaalbedrag, en/of

b. een aantal (in totaal ongeveer 17) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Deense kronen, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Deense kronen 7.289.650,--, althans enig totaalbedrag, en/of

c. een aantal (in totaal ongeveer 53) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Italiaanse lires, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Italiaanse lires 1.780.200.000,--, althans enig totaalbedrag, en/of

d. een aantal (in totaal ongeveer 30) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Duitse marken, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, in elk geval tegen enige hoeveelheid valuta, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Duitse marken 1.133.100--, althans enig totaalbedrag;

(artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren juncto artikelen 1, sub 2, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten) (delictsdossier 1)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 21 september 2004, in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten het/de voertuig(en):

- Opel Corsa (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 1, pag. 18-28 en pag. 146 -266) en/of

- Audi A4 cabriolet (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 1a, pag. 29-46 en 267-444)

en/of

- Mercedes type S320 (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 2a, pag. 71-76 en

628-670) en/of

- Audi, type S8 (kenteken [nummer]) (hoofdstuk 2, feit 2b, pag. 77-81 en 671-713) en/of

- Porsche, type Carrera, (kenteken [nummer])(hoofdstuk 2, feit 3, pag. 83-91 en

714-776)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van dat/die voertuig(en) was/waren

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en)

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

(delictsdossier 3)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 21 september 2004 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk voorhanden heeft gehad een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), zijnde -telkens- (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een (kopie)overeenkomst (gedateerd 9 juli 2001) betreffende de verhuur van een auto (Porsche, kenteken [nummer]) aan [betrokkene 1], bestaande die valsheid of vervalsing hierin –zakelijk weergegeven - dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat die auto op die dag is verhuurd aan die [betrokkene 1] voor een periode van een jaar zulks terwijl de verhuur toen niet heeft plaatsgevonden (delictdossier 3, feit 3, pag. 83-91 en pag. 714-776) en/of

- een (kopie)verkoopfactuur (gedateerd 25 november 2002) betreffende de verkoop van een auto (Mercedes S320, kenteken [nummer]) aan

[betrokkene 2], bestaande die valsheid of vervalsing hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat die auto aan voornoemde [betrokkene 2] is verkocht en/of afgeleverd, zulks terwijl die verkoop en/of aflevering toen niet heeft plaatsgevonden aan die [betrokkene 2] (delictsdossier 3, feit 2a, pag. 71-76 en pag. 628-670) en/of

- een (kopie)verkoopfactuur ten name van [bedrijf 1] (gedateerd 10 juli 2002) betreffende de verkoop van een auto (Toyota Landcruiser), bestaande die valsheid of vervalsing hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de verkoopprijs van die auto een bedrag van

€ 90.756,04 bedroeg, zulks terwijl die verkoopprijs mede omvatte andere geleverde diensten (waaronder de verhuur van een of meer andere auto’s) (delictsdossier 4 ; feit 1; pag. 5-9) en/of

- een (kopie)verkoopfactuur ten name van [betrokkene 3] (gedateerd 22 juli 2003) betreffende de verkoop van een auto (Ferrari), bestaande die valsheid of vervalsing hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de verkoopprijs van die auto een bedrag van

€ 100.000,-- bedroeg zulks terwijl de werkelijke verkoopprijs hoger was (ongeveer € 116.500,--) en/of – tevens - omvatte de inruil van een quad en/of aanhangwagen (delictsdossier 4 ; feit 5; pag. 26-31 en pag.242-342)

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd waren/was voor gebruik als ware zij/het echt en onvervalst;

( delictsdossier 3 en 4)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de rechtbank het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten onrechte heeft verworpen. Naar de mening van de raadsman was er op het moment dat het opsporingsonderzoek tegen verdachte werd geopend (12 juni 2003) onvoldoende aanwijzing voor het vermoeden van schuld. Volgens de raadsman betekent dit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de CIE-informatie van 14 november 2002, gelet op hetgeen in het daarop volgende opsporingsonderzoek is gebleken, als onbetrouwbaar moet worden gekwalificeerd. Immers konden de valutastortingen, anders dan door de verbalisanten wordt gesteld, uit het normale bedrijfsresultaat van de onderneming, met name uit de autohandel met [bedrijf 2] in België, worden verklaard. Dit gegeven wordt volgens de raadsman bevestigd door de omstandigheden dat er, op het moment dat het opsporingsonderzoek werd geopend, noch bij de belastingdienst, waar sedert 2001 een belastingonderzoek tegen verdachte liep, noch bij de Rabobank, waar de betreffende valutastortingen plaatsvonden, redenen bestonden om aan te nemen dat de valutastortingen niet uit de zakelijke activiteiten van verdachte konden voortkomen. Daarbij dient te worden meegewogen dat de Rabobank in de drie aan de aanvang van het onderzoek voorafgaande jaren geen enkele MOT-melding heeft gedaan, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat de van de zijde van de verdachte daartoe aangevoerde feiten en/of omstandigheden op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Uit het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord met nummer 23-029173 (ordner Delictdossier 1 Witwassen inzake [verdachte], pg. 9), blijkt dat er op 14 november 2002 mondelinge CIE-informatie is verstrekt inhoudende dat:

“[verdachte] van het autobedrijf te Berlicum zich bezig houdt met het witwassen van drugsgeld. Hiervoor gebruikt hij zijn bedrijf. [verdachte] wisselt Engelse, Schotse en Ierse ponden en Canadese dollars. [verdachte] pakt 10% van het gewisselde geld. [verdachte] laat het geld op zijn rekening storten en zegt dat een klant een auto gekocht heeft”.

Hierna volgde een inventariserend onderzoek van de politie onder andere naar meldingen in het kader van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT). Het Meldpunt MOT berichtte vervolgens dat er tot 19 december 2002 zeven ongebruikelijke transacties van [verdachte] bekend waren. Uit het inventariserend onderzoek bleek onder meer dat er door [verdachte] grote bedragen aan Engelse ponden werden gewisseld, welke bedragen niet verklaard konden worden uit de handel in Europese auto’s. Dit deed de officier van justitie op 12 juni 2003 besluiten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek.

Op 27 mei 2003 werd de mondelinge CIE-informatie in een proces-verbaal vastgelegd. Deze gedetailleerde en concrete informatie werd door de chef van de CIE als betrouwbaar aangemerkt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bovenstaande voldoende is om [verdachte] op

12 juni 2003 als verdachte aan te merken en om een strafrechtelijk onderzoek te openen. De omstandigheden dat er tot op dat moment bij de belastingdienst nog geen vragen waren gerezen met betrekking tot deze valutastortingen en de Rabobank daarvan geen MOT-meldingen heeft gedaan doen daaraan niet af.

Het betoog van de raadsman dat uit later onderzoek zou zijn gebleken dat de binnengekomen informatie van dien aard is geweest dat zij geen grondslag kon vormen voor het doen ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ten aanzien van verdachte, laat onverlet dat er ten tijde van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek sprake was van een uit feiten en/of omstandigheden voortvloeiend vermoeden van schuld aan bedoeld strafbaar feit, welk vermoeden als redelijk kan worden gekwalificeerd.

Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Hoewel zich in het onderhavige geval niet één van de situaties voordoet als door de Hoge Raad beschreven in zijn arrest van 29 april 2008 (LJN-nummer BC3766), overweegt het hof met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nog het volgende. De Nederlandse strafwet is toepasselijk, aangezien verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en ook ten tijde van het plegen van de feiten die nationaliteit bezat, terwijl de mede in België gepleegde feiten, die hier bewezen worden verklaard, door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd en op die feiten door de Belgische strafwet (artikel 505 Belgisch Strafwetboek) ook straf is gesteld.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 9 december 2003 in Nederland en/of in België van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte:

op na te melden tijdstip na te melden hoeveelheid geld voorhanden gehad, bestaande dat voorhanden hebben uit het in ontvangst nemen van vreemde valuta, te weten:

b. op 9 december 2003 de ontvangst van (ongeveer) Engelse ponden 39.200,--

en

op na te melden tijdstippen na te melden hoeveelheden geld voorhanden gehad en omgezet, bestaande dat voorhanden hebben en omzetten uit het in ontvangst nemen en (vervolgens) het bij (een) bank(en) (doen of laten) omwisselen van vreemde valuta, te weten:

a. in de periode van 19 december 2001 tot en met 15 oktober 2003 een aantal (ongeveer 132) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Engelse ponden 6.140.355,-- en (in België) een aantal (ongeveer 9) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van Engelse ponden 488.340,-- en

c. op 26 september 2003 de ontvangst en wisseltransactie voor een (totaal) bedrag van (ongeveer) Noorse Kronen 120.000,-- en

d. in de periode van 1 februari 2002 tot en met 22 mei 2003 een aantal (ongeveer 8) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Deense kronen 1.505.300,-- en

e. in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 11) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Italiaanse lires 400.000.000,-- en

f. in de periode van 19 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Duitse marken 73.800,-- en

g. in de periode van 8 februari 2002 tot en met 14 februari 2003 een aantal (ongeveer 7) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Zwitserse francs 821.630,-- en

h. in de periode van 1 maart 2002 tot en met 25 juni 2002 een aantal (ongeveer 3) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Schotse ponden 16.590,-- en (in België) een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van Schotse ponden 38.350,-- en

i. in de periode van 19 december 2001 tot en met 21 december 2001 een aantal (ongeveer 2) ontvangsten en wisseltransacties voor een totaal bedrag van (ongeveer) Belgische francs 270.000,--,

zulks terwijl hij, verdachte telkens wist dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij in de periode van 1 januari 2000 tot 14 december 2001 in de gemeente Sint-Michielsgestel (telkens) opzettelijk in strijd met artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren als wisselkantoor werkzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte, toen en daar, bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van een of meer (onbekende) ander(en) opzettelijk

a. een aantal (in totaal ongeveer 32) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Engelse ponden, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Engelse ponden 1.148.630,-- en

b. een aantal (in totaal ongeveer 17) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Deense kronen, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Deense kronen 7.289.650,-- en

c. een aantal (in totaal ongeveer 53) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Italiaanse lires, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, voor een totaalbedrag van (ongeveer) Italiaanse lires 1.780.200.000,--, en

d. een aantal (in totaal ongeveer 30) wisseltransactie(s) uitgevoerd van/met Duitse marken, bestaande (telkens) uit een (in)wisseling tegen hoeveelheden guldens, voor enig totaalbedrag aan Duitse marken;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 september 2004, in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van voorwerpen, te weten de voertuigen:

- Opel Corsa (kenteken [nummer]) en

- Audi A4 cabriolet (kenteken [nummer]) en

- Mercedes type S320 (kenteken [nummer]) en

- Audi, type S8 (kenteken [nummer]) en

- Porsche, type Carrera, (kenteken [nummer])

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding heeft verborgen en/of verhuld

en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden van die voertuigen waren

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 21 september 2004 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals geschrift, -zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-, te weten

- een (kopie)overeenkomst (gedateerd 9 juli 2001) betreffende de verhuur van een auto (Porsche, kenteken [nummer]) aan [betrokkene 1], bestaande die valsheid hierin –zakelijk weergegeven - dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat die auto op die dag is verhuurd aan die [betrokkene 1] voor een periode van een jaar zulks terwijl de verhuur toen niet heeft plaatsgevonden en

- een (kopie)verkoopfactuur (gedateerd 25 november 2002) betreffende de verkoop van een auto (Mercedes S320, kenteken [nummer]) aan [betrokkene 2], bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat die auto aan voornoemde [betrokkene 2] is verkocht en/of afgeleverd zulks terwijl die verkoop en/of aflevering toen niet heeft plaatsgevonden aan die [betrokkene 2] en

- een (kopie)verkoopfactuur ten name van [bedrijf 1] (gedateerd 10 juli 2002) betreffende de verkoop van een auto (Toyota Landcruiser), bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de verkoopprijs van die auto een bedrag van € 90.756,04 bedroeg, zulks terwijl die verkoopprijs mede omvatte andere geleverde diensten (waaronder de verhuur van een of meer andere auto’s) en

- een (kopie)verkoopfactuur ten name van [betrokkene 3] (gedateerd 22 juli 2003) betreffende de verkoop van een auto (Ferrari), bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de verkoopprijs van die auto een bedrag van € 100.000,-- bedroeg zulks terwijl de werkelijke verkoopprijs hoger was (ongeveer € 116.500,--) en tevens omvatte de inruil van een quad en een aanhangwagen,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) telkens wist(en) dat dat geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

(feit 1)

De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde ten onrechte bewezen heeft verklaard. Volgens de raadsman dient eerst te worden onderzocht of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de geldbedragen als in de tenlastelegging opgenomen door misdrijf zijn verkregen dan wel van misdrijf afkomstig zijn. De veronderstelling dat de betalingen door [bedrijf 2] aan verdachte nagenoeg geheel geschiedden in Nederlandse guldens en, na 1 januari 2002, in euro’s is volgens de raadsman onjuist gebleken, gelet op hetgeen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] daarover ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard.

Ook de veronderstelling dat, nu de transacties in de administratie van [naam bedrijf verdachte] en [bedrijf 2] in guldens of euro’s vermeld staan, deze niet in andere valuta kunnen hebben plaatsgehad, is onjuist. Deze stelling is immers weerlegd door verdachte met de stukken die door hem ter gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris zijn overgelegd en de daarop gegeven toelichting van verdachte op 24 april 2006. Bovendien blijkt uit de kasadministratie dat er koerswinsten zijn geboekt en kan het niet anders zijn dan dat er een groot aantal valutawisselingen heeft plaatsgevonden.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank hieromtrent als volgt overwogen:

In het proces-verbaal van 16 september 2004 (p.v. 24-045993) zijn aan de hand van onder meer bankafschriften en stortingsbewijzen de wisselingen van vreemde valuta geïnventariseerd, welke in de periode van 1 januari 2000 tot en met 5 januari 2004 hebben plaatsgevonden op naam van het autobedrijf van verdachte, [naam bedrijf verdachte]. In de geïnventariseerde periode bedroeg het totaalbedrag aan niet-verklaarbare stortingen van vreemde valuta in Nederland

€ 14.831.917,61, waaronder ruim 10 miljoen euro in Engelse ponden. De Engelse ponden werden hoofdzakelijk gestort in kleine coupures (biljetten van 10 of 20 pond). De vreemde valuta werden tot en met 19 februari 2002 contant omgewisseld, na die datum gebeurde dat via sealbagstortingen. De in feit 1 onder a tot en met i genoemde bedragen aan vreemde valuta zijn terug te vinden in het overzicht dat is gevoegd bij voormeld proces-verbaal (ordner II, p. 254-266).

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de onder a tot en met i genoemde bedragen aan vreemde valuta niet worden teruggevoerd op exportverkopen van verdachte’s autobedrijf.

De ten laste gelegde valutawisselingen zijn niet opgenomen in de kasadministratie van het autobedrijf. In de boekhouding zijn ook geen verkooptransacties aangetroffen die erop zouden wijzen dat de gewisselde vreemde valuta afkomstig zouden zijn uit de reguliere autohandel. Daardoor wordt uit de bedrijfsadministratie van verdachte ook niet duidelijk waarom zo grote bedragen aan met name Engelse ponden zijn gewisseld.

Uit gegevens van de Belastingdienst (ordner II, delictdossier 1, p. 14) betreffende de exporthistorie van het autobedrijf van verdachte blijkt dat de export van auto’s in 2001, 2002 en 2003 nagenoeg geheel heeft plaatsgevonden via een Belgische onderneming, de [bedrijf 2]. [bedrijf 2] verkocht voor verdachte auto’s en betaalde [naam bedrijf verdachte] de inkoopprijs en een deel van de winst. [bedrijf 2] stelde wekelijks afrekenlijsten op betreffende de betaling aan [naam bedrijf verdachte] van ingekochte auto’s. Tot de invoering van de euro zijn deze afrekenlijsten opgemaakt in guldens, daarna in euro’s. Slechts op 7 afrekenlijsten (6 in 2000, 1 in 2001) staan bedragen in vreemde valuta vermeld. De rechtbank verwijst in dit verband naar het proces verbaal over de geldstromen tussen [bedrijf 2] en [naam bedrijf verdachte] (p.v. 25-006939, kortweg: p.v geldstromen, § 4.2.4.1). De verkoopfacturen van [bedrijf 2] zijn voor de jaren 2000, 2001 en 2002 hoofdzakelijk opgemaakt in Duitse marken, Belgische franken en guldens en in 2003 uitsluitend in euro’s. Er zijn geen verkoopfacturen aangetroffen in Engelse ponden.

Uit de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] blijkt dat vóór de invoering van de euro de van haar klanten ontvangen vreemde valuta op de KBC-rekening van [bedrijf 2] werden gestort en dat vervolgens Nederlandse guldens contant werden opgenomen. De afgestorte valutanota’s bestonden tot de invoering van de euro nagenoeg geheel uit Duitse marken (p.v. geldstromen, p. 21). Op de afrekenlijsten en op de kwitanties van voorschotbetalingen werd - met uitzondering van de bovengenoemde 7 afrekenlijsten - steeds vermeld dat verdachte was betaald in guldens en na 1 januari 2002 in euro’s. Tot oktober 2003 betaalde [bedrijf 2] verdachte in contanten.

In het dossier betreffende het witwassen (ordner II) is aan de hand van onder meer observaties en telefoontaps een aantal stortingen (kortweg: storting 1 tot en met 16) nader in kaart gebracht. Uit tellingen gemaakt vanuit de kasbladen van [naam bedrijf verdachte] is daarbij gebleken dat zonder de ontvangsten van [bedrijf 2] (in euro’s, vlak voor de wisseling van valuta bij de bank van verdachte) de meeste stortingen van vreemde valuta niet hadden kunnen plaats vinden, omdat [naam bedrijf verdachte] dan te weinig kassaldo had om de stortingen te kunnen voldoen. De ontvangsten van buitenlandse valuta werden bij [naam bedrijf verdachte] niet geboekt, terwijl de tegenwaarden in euro’s wel werden verwerkt als uitgave.

Voorts wijst de rechtbank op hetgeen [getuige 3], zaakvoerder van [bedrijf 2], heeft verklaard tijdens haar verhoor op 6 oktober 2004 (ordner II, p. 863-880). Daarin bevestigde zij dat de door haar van kopers ontvangen vreemde valuta op de rekening van [bedrijf 2] werden gestort en weer werden opgenomen in guldens/ euro’s. Verdachte werd volgens de normale procedure betaald in guldens en daarna euro’s. Tot medio 2003 werden de bedragen cash bij verdachte bezorgd of haalde hij het zelf op in Loenhout, aldus [getuige 3].

Een werknemer van [bedrijf 2], [getuige 4], heeft tijdens zijn verhoor op 8 december 2004 (ordner II, p. 763-768) verklaard dat hij wel eens geld naar verdachte had gebracht en dat dat euro’s waren. Een andere werknemer, [getuige 5], heeft verklaard op

8 december 2004 (ordner II, p. 754-762) dat hij euro’s en mogelijk ook guldens naar verdachte heeft gebracht, maar zich niet kan herinneren dat hij buitenlandse valuta heeft gebracht. [getuige 6], boekhoudster van [bedrijf 2], heeft verklaard tijdens haar verhoor op 23 september 2004 (ordner II, p. 844) dat [bedrijf 2] verdachte betaalde in guldens of euro’s.

Uit het geldstromenonderzoek blijkt tevens dat verdachte via [bedrijf 2] vreemde valuta (vrijwel uitsluitend Engelse ponden) in België heeft laten wisselen die niet zijn terug te voeren op handelsactiviteiten van verdachte.[getuige 3] heeft verklaard in voormeld verhoor dat hiertoe valse kwitanties werden opgemaakt en een rekening werd geopend op naam van [betrokkene 4] waarop Engelse ponden werden gestort. Deze ponden waren volgens [getuige 3] niet van [betrokkene 4], maar van verdachte afkomstig (p. 874). Medewerkers van [bedrijf 2] waren gemachtigd geld op te nemen van deze rekening. [betrokkene 4] zelf heeft bij de rechter-commissaris op 3 november 2006 verklaard dat hij de auto’s van [bedrijf 2] steeds in marken heeft betaald en dat hij voormelde bankrekening niet kende.

Op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden en van voormelde getuigenverklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de onder feit 1 in de tenlastelegging genoemde geldbedragen middellijk of onmiddellijk uit misdrijf afkomstig waren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat volgens vaste jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsmiddelen behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan (HR 28-09-2004, LJN AP2124).

(...)

De verklaring die verdachte op 24 april 2006 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd onder verwijzing naar een aantal overgelegde stukken brengen de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Uit die stukken zou volgens verdachte blijken dat [bedrijf 2] hem wel degelijk in buitenlandse valuta heeft betaald. Ter zitting heeft de raadsman deze stukken weer overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De rechtbank wijst in dat verband op het proces-verbaal van 8 mei 2006 dat is opgemaakt naar aanleiding van voormelde verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris. Daarin is er onder meer op gewezen dat slechts enkele afrekenlijsten melding maken van vreemde valuta en dat alle verkoopfacturen voor klanten uit niet EU-landen zijn opgemaakt in guldens of euro’s. Voorts heeft nader onderzoek naar de door verdachte genoemde transacties rond 28 maart 2003 en 22 april 2003 tot de conclusie geleid dat de betreffende Engelse ponden niet van [bedrijf 2] afkomstig kunnen zijn geweest.

Ter zitting is ook de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige 3] betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding de betrouwbaarheid van haar verklaring van 6 oktober 2004 in twijfel te trekken. Dit te meer niet nu zij een haarzelf belastende verklaring heeft afgelegd (met name ten aanzien van de valse kwitanties en de rekening van [betrokkene 4]) en zij bij haar verklaring is gebleven tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 12 april 2006.

Het hof kan zich in deze overwegingen van de rechtbank vinden en maakt deze tot de zijne.

Aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep – dat zij hebben meegekregen dat door [bedrijf 2] Engelse ponden overhandigd zijn, hetzij in de zakelijke sfeer ([getuige 1]), hetzij in de privésfeer ([getuige 2]) – hecht het hof geen geloof. Het hof heeft daarbij gelet op het navolgende.

De getuige [getuige 1] heeft ter terechtzitting van 16 mei 2008 verklaard dat zij met haar verklaring bij de politie - dat zij nooit buitenlandse valuta heeft ontvangen van [bedrijf 2] - bedoeld heeft te zeggen dat dit nooit rechtstreeks door haar in ontvangst is genomen, maar wel via verdachte. Zij heeft onder meer verklaard dat er meestal één keer per week iemand van [bedrijf 2] op

het bedrijf in Berlicum een afrekening kwam doen van de verkochte auto’s; dat men altijd op afspraak kwam; dat de afrekening altijd in haar bijzijn plaatsvond boven in het kantoor waar zij werkte; dat zij dan zag dat door de persoon van [bedrijf 2] een pakket met geld aan verdachte werd gegeven; dat verdachte dat pakket dan over de tafel aan haar gaf, waarna zij ervoor zorg droeg dat het geld bij de bank werd afgestort en dat in dat pakket dan diverse bundels met Engelse ponden zaten.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende verklaringen van [getuige 1] zoals opgenomen in de ordner Procesdossier Zaakdossier Bijlage 7 inzake [verdachte]:

- afgelegd bij de politie op 23 september 2004 omstreeks 20.28 uur (pg. 851-854):

dat zij altijd gedacht heeft dat de Engelse ponden van [bedrijf 2] afkomstig moesten zijn, maar dat zij nu wel inziet dat dit niet mogelijk is;

dat het altijd heel verschillend was hoe zij deze vreemde valuta van verdachte kreeg en dat het meestal in plastic tassen zat;

- afgelegd bij de politie op 26 september 2004 omstreeks 11.04 uur (pg. 855-858):

dat verdachte het geld van [bedrijf 2] in België ging halen, maar dat het ook voorkwam dat iemand van [bedrijf 2] het geld naar Nederland bracht;

dat zij dan een ontvangstbewijs maakte zonder dat zij dit geld gezien of ontvangen had;

dat zij weet dat normaal gesproken [bedrijf 2] in Nederlandse guldens en later in euro’s betaalde, voor zover deze betalingen aan haar zijn gedaan; dat zij niet kan spreken voor verdachte en dat zij niet weet wat verdachte van [bedrijf 2] ontvangen heeft;

- afgelegd op 12 april 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Hertogenbosch:

dat zij bij de politie de waarheid heeft verteld en dat zij bij die verklaringen blijft.

In het licht van deze verklaringen acht het hof niet geloofwaardig hetgeen deze getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 16 mei 2008 heeft gezegd. Immers, als deze verklaring waar zou zijn, is het onbegrijpelijk dat zij daarover bij de politie niets heeft verklaard. [getuige 1] heeft bij de politie zelfs verklaard, dat zij niet weet wat verdachte van [bedrijf 2] heeft ontvangen en dat zij wel inziet, dat het niet mogelijk is dat Engelse ponden van [bedrijf 2] afkomstig waren. De verklaring van [getuige 1] ter terechtzitting van 16 mei 2008 valt met deze verklaringen bij de politie niet te rijmen.

De verdachte heeft ten aanzien van de verklaringen die deze getuige als verdachte bij de politie heeft afgelegd ter terechtzitting aangevoerd dat de verhorende verbalisanten de getuige onzeker hebben gemaakt en dat zij slechts hebben genoteerd wat in hun straatje paste. Het hof merkt op dat in het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 22 september 2004 met de hand diverse correcties zijn aangebracht. Uit het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 september 2004 blijkt dat de getuige haar verklaring van 22 september 2004 nog niet had ondertekend, omdat zij eerst contact wilde hebben met haar advocaat. Tijdens dat verhoor zijn deze correcties door de getuige doorgegeven en door de verbalisanten verwerkt, waarna zij kennelijk het proces-verbaal heeft ondertekend. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de getuige haar latere verklaringen heeft ondertekend en vervolgens bij de rechter-commissaris al deze verklaringen integraal heeft bevestigd, als zij zich niet met de inhoud daarvan kon verenigen.

Ten aanzien van de verklaring die de getuige [getuige 2] heeft afgelegd heeft het hof kennisgenomen van de verklaring die zij op 23 maart 2005 omstreeks 10.43 uur bij de politie heeft afgelegd (pagina 544-545 van delictdossier 1 gevoegd in de ordner Aanvullend proces-verbaal, deel 1, inzake [verdachte]) en waarin zij zegt dat zij nog nooit Engels geld heeft gezien.

Ter terechtzitting van 16 mei 2008 heeft deze getuige verklaard dat zij wil terugkomen op de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd in die zin dat [getuige 3] en [getuige 5] regelmatig ’s avonds bij verdachte en haar thuis grote hoeveelheden Engelse ponden kwamen brengen. Dit gebeurde eenmaal per week of per twee weken. Dit heeft zij niet tegen de politie gezegd, omdat het goede vrienden van haar zijn en zij bang was dat zij hen in de problemen zou brengen.

Het hof zal geen acht slaan op deze verklaring van 16 mei 2008, omdat het niet geloofwaardig acht dat deze getuige haar verklaring bij de politie welbewust in strijd met de waarheid zou hebben afgelegd om haar vrienden te beschermen. Immers, indien het voornoemde brengen van Engelse ponden naar de getuige thuis op waarheid zou hebben berust, zou het in het belang van verdachte, haar levenspartner, die onder meer ter zake de verdenking van het witwassen van Engelse ponden gedetineerd was geweest van 21 september 2004 tot

16 maart 2005, zijn geweest om wel op 23 maart 2005 daarover openheid van zaken te geven.

Nu uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen kan worden afgeleid dat er in de reguliere autohandel van verdachte in relatie tot [bedrijf 2] nooit met Engelse ponden is betaald, dient ook het verweer van de raadsman te worden verworpen dat de veronderstelling, dat waar in de administratie van [naam bedrijf verdachte] en [bedrijf 2] guldens of euro’s vermeld staan ook in andere valuta kan zijn betaald, onjuist is.

Dat er koerswinsten in de kasadministratie zijn geboekt, wil nog niet zeggen dat de verkooptransacties ook in buitenlandse valuta hebben plaatsgevonden.

Naar het oordeel van het hof zijn er ook overigens geen aanwijzingen dat de grote hoeveelheden vreemde valuta die door verdachte zijn ontvangen en, met uitzondering van het in beslag genomen bedrag van 39.200 Engelse ponden, omgewisseld afkomstig zijn uit reguliere, niet criminele inkomsten.

(feit 3)

Het hof acht met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank wettig en overtuigend bewezen – zakelijk weergegeven – het witwassen van alle vijf ten laste gelegde auto’s en wel op grond van de bewijsmiddelen die zullen worden opgenomen in een aanvulling op dit verkort arrest indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld.

Ten aanzien van de Opel Corsa heeft het hof het volgende overwogen.

Uit de Kopie Verkoopboek en de Kopie Kas/Bank van [naam bedrijf verdachte] (pg. 154 en 155 ordner Procesdossier [medeverdachte 1] Zaakdossier bijlage 8) blijkt dat de betreffende auto op

16 december 2002 is geleverd aan [ex-echtgenote medeverdachte 1] voor een bedrag van EUR 10.500,-- en dat deze auto op die datum contant is voldaan. Gelet op de verklaring van [ex-echtgenote medeverdachte 1] (pg. 248 van laatstgenoemde ordner: dat zij dit bedrag niet heeft voldaan) en de verklaring van verdachte (pg. 193 van laatstgenoemde ordner: dat de auto op papier is verkocht aan [ex-echtgenote medeverdachte 1], dat hij niet weet wie de Corsa betaald heeft, maar dat hij denkt dat het [medeverdachte 1] was en dat de boetes, de verzekering en de wegenbelasting contant door [medeverdachte 1] werden betaald) acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] deze betaling heeft verricht.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het proces-verbaal van bevindingen van [naam verbalisant] d.d. 24 april 2008. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] aan het einde van zijn detentie in april 1999 maximaal EUR 48.689,-- tot zijn beschikking had, waarvan hij op

1 januari 2000 (na aftrek van getraceerde uitgaven inzake de borgsom voor een Mercedes

[nummer], huur en reis naar Mexico) nog EUR 26.000,-- over had. In het jaar 2000 en januari 2001 heeft [medeverdachte 1] voorts nog diverse huishoudelijke uitgaven gedaan ten behoeve van [ex-echtgenote medeverdachte 1] (EUR 21.642). Ook heeft hij een lening verstrekt aan zijn zoon ten behoeve van de opstart van het bedrijf [bedrijf 3]. Blijkens de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van [naam verbalisant] is deze lening in het jaar 2000 verstrekt en is het bedrijf eind 2001, begin 2002 gestopt. Het uitstaande saldo ten tijde van de aankoop van de Opel Corsa bedroeg

EUR 62.466.

Verder is slechts bekend dat [medeverdachte 1] sinds 1998 een WAZ-uitkering ontving (proces-verbaal bevindingen inzake belastinggegevens d.d. 4 augustus 2003, pg. 607 ordner Procesdossier [medeverdachte 1], algemeen dossier) van EUR 8.707,-- per jaar in 2000 tot EUR 9.600,-- per jaar in 2002. Overige (legale) inkomsten van [medeverdachte 1] zijn niet aannemelijk geworden.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [medeverdachte 1] op 16 december 2002, op het moment dat hij die Opel Corsa contant betaalde, niet over legale inkomsten of legaal vermogen beschikte waaruit de uitgave van EUR 10.500,-- verklaard kan worden. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat de Opel Corsa is betaald met geld dat uit misdrijf afkomstig was.

Het hof heeft voorts kennis genomen van het proces-verbaal van bevindingen tijdens het verhoor van verdachte d.d. 22 september 2004 (deel I algemeen dossier [verdachte], pg. 235-236) inhoudende dat verdachte verklaarde dat hij [medeverdachte 1] al geruime tijd kent en dat hij hem had leren kennen via een man die een pillenfabriekje had gehad; dat hij wist dat [medeverdachte 1] in de gevangenis had gezeten en dat hij sinds [medeverdachte 1] in 1999 is vrijgekomen weer contact met hem had; dat hij voor de growshop die [medeverdachte 1] met zijn zoon was begonnen nog een lening had verstrekt; dat [medeverdachte 1] wel eens bij hem kwam met [medeverdachte 2] uit Tilburg; dat hij wel wist dat hij zaken deed met een aantal dubieuze personen uit Tilburg, maar dat het goede klanten waren.

Uit deze (gerelateerde) verklaring van verdachte en uit de omstandigheden dat de auto noch op naam van[ex-echtgenote medeverdachte 1], noch op naam van [medeverdachte 1], maar op naam van verdachte is gesteld, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft dat het geld waarmee

[medeverdachte 1] de Opel Corsa heeft betaald uit misdrijf afkomstig was.

(overige feiten)

Er zijn door of namens verdachte voor het overige in hoger beroep geen verweren gevoerd die een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering opleveren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420ter juncto artikel 420bis, eerste lid sub b, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is telkens voorzien bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren (oud) en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid aanhef sub b (oud) van de Wet op de Economische Delicten.

Het bewezen verklaarde onder 3 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, eerste lid aanhef sub a, juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, tweede lid (oud), juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd

en voorts met de volgende omstandigheden:

- dat verdachte reeds eerder ter zake een soortgelijk strafbaar feit (heling) is veroordeeld;

- dat verdachte puur uit winstbejag zijn autohandel heeft gebruikt om geld uit de criminele sfeer wit te wassen en daarbij zijn verkoopkanalen heeft benut om het spoor weg te poetsen waarlangs crimineel geld in het legale circuit terecht is gekomen;

- dat verdachte daarbij professioneel te werk is gegaan en daardoor het vertrouwen in het handelsverkeer ernstig heeft geschonden;

- dat verdachte ongeveer 15 miljoen euro aan illegale transacties heeft bemanteld en daarbij steeds flinke bedragen aan Engelse ponden heeft gewisseld, aan welke wisseltransacties hij zelf in aanzienlijke mate heeft verdiend;

- dat verdachte anderen in dure auto’s heeft laten rondrijden en naar de buitenwereld heeft afgeschermd wie de rechthebbenden van die auto’s waren.

De advocaat-generaal heeft bij de door hem gevorderde straf rekening gehouden met een schending van het recht dat verdachte conform het bepaalde in artikel 6 EVRM heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht en een korting van twee maanden gevangenisstraf toegepast.

Het hof overweegt heeft daaromtrent het volgende overwogen.

Verdachte is op 21 september 2004 aangehouden en in verzekering gesteld en heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2008 verklaard dat hij vanaf dat moment ervan uitging dat hij door justitie vervolgd zou worden. Het hof gaat dan ook uit van deze datum als het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte handelingen zijn verricht waaraan verdachte de verwachting kon ontlenen dat een strafvervolging tegen hem werd ingesteld. Het eindpunt van de redelijke termijn is in eerste aanleg geëindigd op 8 mei 2007, zijnde de datum van de uitspraak in deze zaak door de rechtbank. In de onderhavige zaak heeft het 2 jaar en 8 maanden geduurd voordat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg was afgerond.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een verdachte die zich niet (meer) in voorlopige hechtenis bevindt in eerste aanleg binnen een termijn van twee jaar te zijn afgerond. Van dit uitgangspunt kan onder meer worden afgeweken indien de complexiteit van de strafzaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld daartoe aanleiding geeft.

Naar het oordeel van het hof was hier sprake van een complexe strafzaak met meerdere verdachten en verschillende internationale aspecten. Verder is er op verzoek van de verdediging in deze zaak een groot aantal getuigen gehoord, hetgeen de nodige tijd in beslag heeft genomen. Te meer daar er getuigen dienden te worden gehoord in het buitenland. Voornoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redenen om af te wijken van de termijn van twee jaren. Het hof is van oordeel dat de termijn van twee jaren en acht maanden voor verdachte weliswaar lang is geweest, maar niet zodanig lang dat geen sprake meer is van behandeling binnen een redelijke termijn.

Nu er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn, ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen.

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde met betrekking tot dit geldbedrag is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 5, 24, 33, 33a, 47, 57, 63, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel

4 van de Wet inzake de wisselkantoren, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het

onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

2.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

3.

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

4.

Medeplegen van opzettelijk het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: 39.200 Engelse ponden.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 4 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.