Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2948

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
03/00264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht het aannemelijk dat al de onderhavige jaren door belanghebbende en/of zijn echtgenote en/of kinderen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om via de spoelbak in de stacaravan afvalwater af te voeren op het riool. Hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard over het exclusieve gebruik van de faciliteiten van het toiletgebouw kan daaraan niet afdoen. Het Hof neemt daarbij ten eerste in aanmerking dat deze verklaring niet op eigen waarneming van belanghebbende berust, maar op een mededeling van zijn echtgenote. Het Hof wijst er voorts op dat belanghebbende in de bezwaarschriften tegen de aanslagen over 1996, 1997 en 1998 heeft aangevoerd dat, indien hij eerder op de hoogte was geweest van de heffing van rioolrecht, het een kleine moeite zou zijn geweest om het spoelwater uit te gieten in de uitstortgootsteen van het openbare toiletgebouw. Het Hof leidt hieruit af dat er, anders dan belanghebbende stelt, in de jaren 1996 en volgende gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om via de spoelbak afvalwater op het riool te lozen. Het Hof acht voorts aannemelijk dat dit gebruik niet verwaarloosbaar is geweest. Op grond hiervan is belanghebbende terecht in de heffing van rioolrecht betrokken. Van onbehoorlijk bestuur is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1157
Belastingblad 2008/1010

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00264

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar van de gemeente Z (thans A) (hierna: de heffingsambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 wegens het gebruik van het object B-straat 555 VB01 te C aanslagen in de rioolrechten respectievelijk het rioolrecht van de gemeente D (thans: A) (hierna: de gemeente) opgelegd ten bedrage van respectievelijk ƒ 45,=(€ 20,42), ƒ 55,= (€ 24,95), ƒ 65,=(€ 29,49) en ƒ 75,=(€ 34,03). De tegen deze aanslagen tijdig gemaakte bezwaren zijn door de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken van 17 december 2002 ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van het instellen dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van € 29,=.

De heffingsambtenaar heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 oktober 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting van 18 oktober 2007 is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. In de gemeente gold in 1996 de "Verordening op de heffing en invordering van rioolrecht 1992" zoals gewijzigd bij wijzigingsverordeningen van 13 oktober 1994 en 5 oktober 1995 (hierna: de verordening 1992). Meerbedoelde verordening luidde, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Artikel 2

1. Onder de naam "rioolrechten" wordt geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(...)

Artikel 4

1. De grondslag waarnaar het in artikel 2 bedoelde recht wordt geheven is het aantal kubieke meters water dat in een verbruiksperiode is afgenomen van de N.V. Waterleiding Maatschappij E, in voorkomende gevallen vermeerderd met het aantal m3 water dat in genoemd tijdvak werd verkregen door middel van een eigen pompinstallatie.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder verbruiksperiode verstaan het tijdvak dat ligt tussen de eerste meteropname in het voorafgaande belastingjaar en de eerste meteropname in het belastingjaar. Indien de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herrekening wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

(...)

4. Voor zover de gegevens als bedoeld in het eerste lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door burgemeester en wethouders vastgesteld met dien verstande dat voor de berekening van het verschuldigde recht, zij zich richten naar het waterverbruik van vergelijkbare eigendommen.

(...)

Artikel 5

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, bedraagt bij een waterverbruik van:

0 tot en met 300 m3 f 30,-- per jaar

meer dan 300 m3 f 120,-- per jaar.

(...)

Artikel 6

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7

1. De rechten worden geheven bij wege van aanslag.

...

De wijzigingsverordening van 13 oktober 1994 luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

In artikel 5. wordt het bedrag van f 30,-- vervangen door een bedrag van f 35,--.

(...)

De wijzigingsverordening van 5 oktober 1995 luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

In artikel 5. wordt het bedrag van f 35,-- vervangen door een bedrag van f 45,--

(...)

2.2. In het jaar 1997 is in de gemeente in werking getreden de "Verordening op de heffing en invordering van rioolrechten 1997" (hierna: de verordening 1997). Deze verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2

1. Onder de naam "rioolrecht" wordt geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(...)

Artikel 4

1. kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

2. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het einde van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald . Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

(...)

Artikel 5

Het recht als bedoeld in artikel 2, bedraagt bij een waterverbruik van:

0 tot en met 300 m3 f 55,-- per jaar

meer dan 300 m3 f 145,-- per jaar.

Artikel 6

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7

De rechten worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 16

(...)

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

(...)

De hiervoor bedoelde verordening is bekendgemaakt op 13 januari 1997 door opneming in het algemeen verkrijgbare register van geldende belastingverordeningen. Zij is gewijzigd bij Wijzigingsverordening van 9 oktober 1997. Die wijzigingsverordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

Artikel 5 komt te luiden als volgt:

Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt bij een hoeveelheid afvalwater van:

a. 0 tot 300 m3 f 65,00

b. meer dan 300 m3 f 155,00

(...)

Artikel 2

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

(...)

Deze verordening is nogmaals gewijzigd bij wijzigingsverordening van 20 oktober 1998, welke, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

Artikel 5 komt te luiden als volgt:

Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt bij een hoeveelheid afvalwater van:

a. 0 tot 300 m3 f 75,00

b. meer dan 300 m3 f 165,00

(...)

Artikel 2

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

(...)

Laatstbedoelde wijzigingsverordening is bekendgemaakt op 28 december 1998 door opneming in het algemeen verkrijgbare register van geldende belastingverordeningen.

2.3. Het onderhavige object betreft een aan belanghebbende in eigendom toebehorende stacaravan (hierna: de stacaravan). Deze staat op de camping F aan de B-straat te C (hierna: de camping). De stacaravan neemt op genoemde camping een zogenoemde seizoenplaats in.

2.4. De stacaravan was in de onderhavige jaren aangesloten op het rioolstelsel van de gemeente. De exploitant sloot in de onderhavige jaren van 1 oktober tot 1 april water en elektriciteit af.

2.5. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft op 24 juni 1996 het besluit genomen om met ingang van het jaar 1996 eigenaren van stacaravans in de heffing van rioolrechten te betrekken.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Heeft belanghebbende afvalwater geloosd op het riool van de gemeente?

3.1.2. Is daarbij van belang of belanghebbende in de stacaravan water heeft afgenomen van de N.V. Waterleiding Maatschappij E?

3.1.3. Moet de exploitant van de camping als belastingplichtige worden aangemerkt?

3.1.4. Is voor de hoogte van het verschuldigde recht van belang dat belanghebbende een seizoenplaats heeft?

3.1.5. Is het gelijkheidsbeginsel en/of het evenredigheidsbeginsel geschonden doordat van belanghebbende naar het zelfde tarief wordt geheven als van personen die hun eigendom permanent bewonen?

3.1.6. Is het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat van andere toeristen die in de gemeente verblijven geen rioolrecht wordt geheven?

3.1.7. Is de onderhavige heffing verenigbaar met de heffing van toeristenbelasting door de gemeente en/of de heffing van rioolrecht door de gemeente van de woonplaats van belanghebbende?

3.1.8. Is de heffing over 1996 met terugwerkende kracht opgelegd?

3.1.9. Is de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar overschreden?

3.1.10. Zijn de aanslagen voor de jaren 1997 en 1999 op een onjuist bedrag vastgesteld?

3.2. De belanghebbende beantwoordt de vragen 3.1.1 en 3.1.7 in ontkennende zin en de overige vragen in bevestigende zin. De heffingsambtenaar is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan tijdens het onderzoek ter zitting van 18 oktober 2007 hebben toegevoegd wordt verwezen naar de inhoud van het betreffende proces-verbaal.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraken en tot vermindering van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het Hof acht het aannemelijk dat al de onderhavige jaren door belanghebbende en/of zijn echtgenote en/of kinderen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om via de spoelbak in de stacaravan afvalwater af te voeren op het riool. Hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard over het exclusieve gebruik van de faciliteiten van het toiletgebouw kan daaraan niet afdoen. Het Hof neemt daarbij ten eerste in aanmerking dat deze verklaring niet op eigen waarneming van belanghebbende berust, maar op een mededeling van zijn echtgenote. Het Hof wijst er voorts op dat belanghebbende in de bezwaarschriften tegen de aanslagen over 1996, 1997 en 1998 heeft aangevoerd dat, indien hij eerder op de hoogte was geweest van de heffing van rioolrecht, het een kleine moeite zou zijn geweest om het spoelwater uit te gieten in de uitstortgootsteen van het openbare toiletgebouw. Het Hof leidt hieruit af dat er, anders dan belanghebbende stelt, in de jaren 1996 en volgende gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om via de spoelbak afvalwater op het riool te lozen. Het Hof acht voorts aannemelijk dat dit gebruik niet verwaarloosbaar is geweest. Op grond hiervan is belanghebbende terecht in de heffing van rioolrecht betrokken. Van onbehoorlijk bestuur is geen sprake.

4.2. Anders dan belanghebbende stelt, is voor de onderhavige heffing niet van belang of belanghebbende in de stacaravan water heeft afgenomen van de N.V. Waterleiding Maatschappij E. Van belang is slechts of gebruik is gemaakt van de aansluiting op het riool in de stacaravan. Daarvan is ook sprake indien er water is geloosd dat was afgenomen van de N.V. Waterleiding Maatschappij E buiten de stacaravan. Het Hof acht aannemelijk dat dit zich in de onderhavige jaren heeft voorgedaan. Nu niet bekend is hoeveel afvalwater er in de stacaravan is geloosd, is de gemeente er terecht van uitgegaan dat belanghebbende diende te worden aangeslagen naar het tarief voor een watergebruik van 0-300 m3.

4.3. De grief dat niet belanghebbende, maar de exploitant van de camping F belastingplichtig is ter zake van het gebruik van de stacaravan, vindt geen steun in de verordeningen. Gesteld noch gebleken is dat deze exploitant en niet belanghebbende in de onderhavige jaren het feitelijke gebruik van de stacaravan heeft gehad. De omstandigheid dat buiten de periode van 1 april tot 1 oktober de watertoevoer naar de stacaravan door de exploitant steeds is afgesloten doet daaraan niet af.

4.4. De omstandigheid dat belanghebbende een seizoenplaats op de camping heeft, brengt ook niet mee dat slechts de helft van het over het kalenderjaar verschuldigde rioolrecht mag worden geheven.

4.5. De stelling van belanghebbende dat er ten onrechte van belanghebbende naar hetzelfde tarief wordt geheven als van personen die hun eigendom permanent bewonen faalt eveneens. Het rioolrecht wordt geheven ter zake van het gebruik in een kalenderjaar van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Daarbij is niet van belang of dit gebruik slechts tijdelijk is, zoals in het geval van belanghebbende, of permanent is. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel is, mede gelet op de hoogte van de gehanteerde tarieven, geen sprake.

4.6. In het kader van zijn grief dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, heeft belanghebbende voorts aangevoerd dat van personen die tijdelijk in een hotel, een pension of andere dergelijke gelegenheid verblijven, geen rioolrecht wordt geheven. Dit betoog faalt, aangezien van gelijke gevallen geen sprake is. De bedoelde personen zijn immers geen gebruiker van een eigendom, als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 3 van de Verordening 1992 en artikel 2 juncto artikel 3 van Verordening 1997. Belanghebbende heeft in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ook nog aangevoerd dat van de gebruikers van een (eigen) caravan, tent of camper die hun afvalwater verzamelen en vervolgens op de camping in een daartoe bestemde (openbare) gelegenheid storten, evenmin rioolrecht wordt geheven. Van gelijke gevallen is naar het oordeel van het Hof ook hier geen sprake, nu de door belanghebbende bedoelde personen, anders dan hij zelf, niet gebruiker van een eigendom zijn van waaruit direct of indirect afvalwater op het riool van de gemeente kan worden afgevoerd.

4.7. Anders dan belanghebbende betoogt staat de gemeentewet noch enige andere rechtsregel eraan in de weg dat belanghebbende in de onderhavige jaren door de gemeente in heffing van rioolrecht is betrokken, ook al is van hem in deze jaren ook toeristenbelasting geheven en is hij in de gemeente van zijn woonplaats eveneens in de heffing van rioolrecht betrokken geweest.

4.8. De omstandigheid dat eerst in de loop van 1996 is besloten eigenaren van stacaravans in de heffing van rioolrechten te betrekken, brengt niet mee dat de heffing over 1996 met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. De verordening 1992 was immers, gelet op haar tekst, op 1 januari 1996 ook in gevallen als het onderhavige van toepassing. De omstandigheid dat de aanslag over 1996 pas op 31 december 1998 is opgelegd, brengt niet mee dat de heffing met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een aanslag nog worden opgelegd binnen drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geen sprake.

4.9. De grief dat in het onderhavige geval de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden, berust, naar het Hof aanneemt, op de opvatting dat genoemd artikel 6 EVRM van toepassing is in gevallen als het onderhavige. Die opvatting is onjuist. Fiscale verplichtingen zijn niet in aanmerking te nemen als "civil rights and obligations" in de zin van dat artikel omdat het publieke karakter van de betrekking tussen de belastingplichtige en de fiscale autoriteit overheersend blijft (Europees Hof voor de rechten van de mens, 12 juli 2001, no. 44 759/90, zaak-Ferrazzini, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/222).

Het betoog dat de heffingsambtenaar de bezwaren tegen de onderhavige aanslagen niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld, faalt ook voor het overige. De termijn voor het doen van uitspraak op de door belanghebbende tegen de onderhavige aanslagen gemaakte bezwaren beliep een jaar. Overschrijding van deze termijn heeft geen ander gevolg dan dat belanghebbende op de voet van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht na afloop van deze termijn beroep in had kunnen stellen bij de belastingrechter ter zake van het niet tijdig beslissen op een bezwaar.

4.10. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de aanslagen voor de jaren 1997 en 1999 niet op het juiste bedrag zijn vastgesteld slaagt zijn beroep. In artikel 139, lid 2, van de gemeentewet is bepaald dat besluiten van het gemeentebestuur die algemene verbindende voorschriften inhouden, slechts verbinden wanneer zij zijn bekendgemaakt en dat bekendmaking geschiedt door plaatsing in het gemeenteblad dan wel door opneming in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave. De Verordening 1997 is op 13 januari 1997 bekend gemaakt en is derhalve op 21 januari 1997 in werking getreden. Dit brengt mee dat in het daarvoor liggende gedeelte van het jaar 1997 het tarief van 1996 nog van toepassing was. Voorts is het raadbesluit tot wijziging van het tarief met ingang van 1 januari 1999 op 28 december 1999 bekendgemaakt. Deze tariefwijziging is op 8 januari 1999 in werking getreden. Dit brengt mee dat in het daarvoor liggende gedeelte van het jaar 1999 het tarief van 1998 nog van toepassing was.

4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen 3.1.1 tot en met 3.1.9 aan de zijde van de heffingsambtenaar. Met betrekking tot vraag 3.1.10 is het gelijk aan belanghebbende. Dit brengt mee dat de aanslag over 1997 met € 0,25 moet worden verminderd en de aanslag over 1999 met € 0,10.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, in goede justitie op 4 x € 20,= € 80 aan verletkosten.

6. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep voor zover het de aanslag 1997 en de aanslag 1999 betreft gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraken met betrekking tot de aanslag 1997 en de aanslag 1999,

* vermindert de over 1997 opgelegde aanslag naar een bedrag van

€ 24,70 en de over 1999 opgelegde aanslag naar een bedrag van € 33,93,

* verklaart het beroep ongegrond voor het overige,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=,

* veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 80,=, en

* wijst de gemeente aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 22 april 2008 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en J.Th. Simons, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.