Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2844

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
R200701255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het stelselmatig, zonder redelijke grond, niet nakomen van de wettelijke boekhoudverplichting en het niet nakomen van de aangifteverplichting heeft tot gevolg dat ambtshalve aanslagen te verwachten zijn die aangemerkt moeten worden als nieuwe schulden. Deze nieuwe schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan, waarmee onvoldoende aannemelijk is dat saniet de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MP

30 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701255

Zaaknummer eerste aanleg 121829 / FT RK 07. 561

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X.],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven. .

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 7 november 2007 waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 november 2007, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. J.W. Rauh, en mevrouw I.M.A. van Bruggen, vervangende mevrouw J.G.C. van Baar, de bewindvoerder, gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 31 oktober 2007;

- de brief van mr. J.G.C. van Baar, bewindvoerder, d.d. 17 januari 2008;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 18 januari 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 2 augustus 2007

€ 138.352,04, waaronder een belastingschuld van minimaal € 4.000,00, een schuld bij de gemeente [gemeentenaam] van minimaal € 19.000,00 en een schuld bij Essent van minimaal € 2.000,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het er geen minnelijke traject is gestart. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellant] afgewezen.

4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b Fw (oud) overwogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en voorts op de voet van artikel 288 lid 2 sub b (oud) dat aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Nu [appellant] niet beschikt over een deugdelijke boekhouding van de door hem gevoerde onderneming, heeft hij zich niet geconformeerd aan de toepasselijke wetgeving. Aangaande de schuld bij de gemeente overweegt de rechtbank dat [appellant] verwijtbaar gehandeld heeft nu hij de door de gemeente verzochte jaarstukken niet heeft overgelegd aan de gemeente. Indien [appellant] zulks wel had gedaan, had er verrekening kunnen plaatsvinden met een te verstrekken bijstandsuitkering, waardoor de huidige schuld bij de gemeente lager zou zijn. Met betrekking tot de schuld bij Essent overweegt de rechtbank dat [appellant] nalatig heeft gehandeld, aangezien hij Essent tijdig op de hoogte had moeten brengen van de juiste meterstanden. De rechtbank overweegt op grond van het voorgaande dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en er gegronde vrees bestaat dat [appellant] gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na zal komen.

Voorts hecht de rechtbank eraan op te merken dat tegen de achtergrond en strekking van de schuldsaneringsregeling moet worden aangenomen dat, naast de uit de wet voortvloeiende informatieplichten, ook een algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van die inlichtingen aan de bewindvoerder waarvan een verzoeker weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Noch uit het verslag van de bewindvoerder noch uit het verhandelde tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] de bewindvoerder naar behoren informatie heeft verstrekt. Dit vormt voor de rechtbank een duidelijke aanwijzing dat bij [appellant] de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering ontbreekt.

4.3. [appellant] kan zich met het vonnis en voornoemde beoordeling van de rechtbank niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

[appellant] is van mening dat er geen sprake is van een absoluut ondeugdelijke boekhouding. Dit heeft de rechtbank niet vastgesteld en/of niet vast kunnen stellen. Uit het eerste verslag van de bewindvoerder blijkt dat evenmin. Wel heeft de rechtbank vastgesteld dat over een aantal jaren fiscale aangiftes en jaarrekeningen ontbraken. De jaarstukken over het jaar 2003 konden eerst in de loop van het jaar 2004 worden vervaardigd. Vaststaat dat in dat jaar enige financiële problemen ontstonden, waardoor een bijdrage van de gemeente Heerlen diende te worden verzocht ten behoeve van zijn levensonderhoud en zijn onderneming. Deze is door de gemeente verstrekt. De voorwaarden met betrekking tot de leenbijstand zijn pas na aanvang van de eerste betaling aan [appellant] bekendgemaakt. Er zijn in die tijd ook problemen met de oorspronkelijke boekhouder gerezen en de kosten van het vervaardigen van jaarrekeningen en fiscale aangiftes konden destijds niet worden opgebracht. Kort nadien, in het jaar 2005, heeft [appellant] de onderneming in haar geheel moeten staken. Toen de financiële problemen duidelijk waren kon [appellant] geen boekhouder of administrateur bereid vinden om over de jaren 2004 en 2005 nog stukken te vervaardigen.

[appellant] is het ook oneens met het oordeel van de rechtbank dat hij een schuld van € 3.000,00 bij Essent heeft laten ontstaan omdat hij verzuimd heeft de meterstanden door te geven. [appellant] stelt ter zitting dat de woning sinds jaar en dag door familie van hem wordt bewoond. Het voorschot bleef als zodanig doorlopen. Volgens [appellant] was het voorschot niet zo onredelijk laag dat van hem kon worden verwacht dat hij dit zou aanpassen. Bovendien kan het vastgestelde voorschotbedrag in overleg met Essent alsnog worden gecorrigeerd.

Tenslotte stelt [appellant] dat hij alle informatie waarover hij de beschikking had aan de bewindvoerder heeft verschaft en dat daarmee niet kan worden gesteld dat [appellant] niet aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling voldoet.

4.4.1. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.2. Ingevolge artikel 288 lid 1, aanhef en onder sub b Fw (nieuw) wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsanering slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Van dergelijke situatie is in beginsel geen sprake indien in de genoemde periode:

- verzoeker een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding is bijgehouden en beschikbaar is;

- er vorderingen van de Belastingdienst zijn die betrekking hebben op onder meer het niet nakomen van aangifteverplichtingen of verplichten tot afdracht van (omzet)belasting.

4.4.3. Het hof overweegt dat in hoger beroep als onweersproken is vast komen te staan dat [appellant] onvoldoende aan zijn boekhoudverplichtingen en zijn aangifteverplichtingen heeft voldaan gedurende een reeks van jaren. In dat verband is namens de bewindvoerder ter zitting van het hof onweersproken gesteld dat slechts jaarstukken tot en met het jaar 1999 zijn aangereikt en dat over de relevante periode alle van belang zijnde stukken ontbreken.

Het niet voldoen aan boekhoudverplichting en aangifteverplichtingen heeft tot gevolg dat ambtshalve aanslagen te verwachten zijn die aangemerkt moeten worden als nieuwe schulden. Voorzover reeds ambtshalve aanslagen zijn opgelegd, geldt dat de omvang van die aanslagen naar de ervaring leert veel groter is dan de aanslagen die zouden zijn opgelegd wanneer tijdig aan de boekhoudverplichtingen en de aangifteverplichtingen zou zijn voldaan, zodat de ambtshalve belastingaanslagen aangemerkt moeten worden als schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan. Doordat is komen vast te staan dat [appellant] stelselmatig, zonder redelijke grond, zijn wettelijke boekhoudverplichting en zijn aangifteverplichting niet is nagekomen, is niet voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen, waaronder de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, naar behoren zal nakomen.

4.4.4. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.

4.4.5. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.