Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2458

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
20-002568-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat verdachte geen grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Het hof verklaart het hoger beroep van verdachte daarom op grond van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk, onder verbetering van enkele verzuimen van de rechtbank. De verdachte is door deze verbeterde lezing van het vonnis niet in zijn belangen geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002568-07

Uitspraak : 20 mei 2008

VERSTEK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 28 juni 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-615489-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [adres 1].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

A.

Artikel 416, tweede lid, Sv luidt als volgt: “Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”

Deze bepaling is van toepassing op zaken waarin – zoals in deze zaak - het vonnis in eerste aanleg is gewezen op of na 1 maart 2007.

B

Niet is gebleken dat de verdachte binnen de in artikel 410, eerste lid, Sv gestelde termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep, en evenmin daarna, schriftelijk grieven tegen het vonnis ingediend.

De verdachte is in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft derhalve ook niet mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven.

C.

In het dossier bevindt zich een drietal dagvaardingen in hoger beroep, gericht aan de verdachte, om te verschijnen ter terechtzitting van dit hof van 6 mei 2008.

De dagvaarding in hoger beroep van verdachte met als adres [adres 1], is op 20 maart 2008 aangeboden op genoemd adres, maar is niet uitgereikt kunnen worden omdat niemand op dat adres werd aangetroffen. Aldaar is wel een bericht van aankomst achtergelaten. De oproeping is niet opgehaald op het postkantoor. Op 3 april 2008 is de oproeping uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en is een afschrift verzonden aan het genoemde adres. Een aan de akte van uitreiking gehechte uitdraai uit de “Verwijs Index Personen” d.d. 3 april 2008 houdt in dat verdachte op die dag niet gedetineerd was alsmede dat verdachte reeds sedert 11 april 2007 ingeschreven staat op het adres waarop de dagvaarding is aangeboden.

De dagvaarding in hoger beroep van verdachte met als adres [adres 2], zijnde het adres dat verdachte bij het instellen van het hoger beroep op 4 juli 2007 heeft opgegeven, is op 20 maart 2008 op dat adres aangeboden maar is niet uitgereikt kunnen worden omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, verdachte daar niet woont noch verblijft. Op 27 maart 2008 is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en is een afschrift verzonden aan het genoemde adres. Een aan de akte van uitreiking gehechte uitdraai uit de “Verwijs Index Personen” d.d. 27 maart 2008 houdt in dat verdachte op die dag niet gedetineerd was alsmede dat verdachte ingeschreven staat op een ander adres dan waarop is aangeboden, te weten (sedert 11 april 2007) op het adres [adres 1].

De dagvaarding in hoger beroep van verdachte met als adres [adres 3], zijnde het kantooradres van verdachtes raadsman mr. Canoy dat als het “postadres” bij het instellen van het hoger beroep is opgegeven, is op 19 maart 2008 per gewone post naar dat adres verzonden.

Het hof stelt vast dat voldaan is aan de regels die zijn gesteld ten aanzien van de betekening van de dagvaarding om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Tevens is voldaan aan de eisen die gesteld worden teneinde te waarborgen dat de verdachte zijn recht kan uitoefenen om in hoger beroep in zijn aanwezigheid te worden berecht.

Het hof overweegt voorts dat van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt.

D.

Het hof heeft geconstateerd, dat de eerste rechter ten aanzien van feit 2,heeft verwezen naar de bewijsmiddelen 5 en 6 doch heeft verzuimd te vermelden op welk bewijsmiddel het oordeel steunt dat het onder 2 bewezenverklaarde feit op 31 mei 2006 te Roosendaal is gepleegd. Die dag en plaats volgen niet uit die twee bewijsmiddelen. Voorts heeft de eerste rechter verzuimd ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit een kwalificatie op nemen in het vonnis en tot slot heeft de eerste rechter er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op het te dezen toepasselijke art 63 Sr.

Naar het oordeel van het hof zijn deze verzuimen evenwel niet van dien aard dat die – in aanmerking genomen dat de verdachte, kort gezegd, geen opgave heeft gedaan van zijn bezwaren tegen het vonnis – in de weg zouden staan aan het oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Daartoe wordt overwogen dat de geconstateerde gebreken te duiden zijn als misslagen, die verbeterd gelezen kunnen worden.

Immers, het ambtsedig proces-verbaal van politie Team Roosendaal centrum, dossiernummer PL2023/06-008655, houdt op p. 15 in als verklaring van [getuige] dat de mishandeling plaats vond op 31 mei 2006 te Roosendaal. Voorts is het bewezenverklaarde onder 2 - ten aanzien waarvan de eerste rechter reeds had overwogen dat het een strafbaar feit is – te kwalificeren als “mishandeling”. Deze kwalificatie lag reeds besloten in de omstandigheid dat de eerste rechter art. 300 Sr heeft vermeld als een van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Tot slot is de door de eerste rechter opgelegde straf gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2, de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd alsmede de straffen die gewoonlijk voor dergelijke feiten plegen te worden opgelegd, een passende straf. De hoogte van de opgelegde straf is levert geen schending op van het bepaalde in artikel 63 Sr.

De verdachte is door deze verbeterde lezing van het vonnis niet in zijn belangen geschaad.

Ook overigens vindt het hof in het vonnis waarvan beroep ambtshalve geen gronden om de zaak in hoger beroep in behandeling te nemen.

E.

Gezien hetgeen hiervoor onder A tot en met D is overwogen, zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep, zonder onderzoek van de zaak zelf, niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Lemmers, griffier,

en op 20 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.