Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2282

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
HD 103.005.768
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken niet gezegd worden dat SWZ niet handelt volgens de voor hulpverleners geldende professionele standaard bij het nemen van het besluit om het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof te beëindigen en haar over te plaatsen naar een meer aangepaste setting. De visie van SWZ op de vraag wat het belang van [persoon 1] meebrengt wordt immers door het CCE en door de begeleiders uit de directe woon- en werkomgeving van [persoon 1] gedeeld. SWZ heeft voldoende tijd genomen om het mogelijke negatieve effect van de verhuizing en de periode van gewenning als oorzaak voor het mindere functioneren van [persoon 1] te kunnen uitschakelen. Ook is niet gebleken dat SWZ zich niet meer zou hebben ingezet voor het slagen van de woonvorm op de Eekelhof toen zij eraan begon te twijfelen of [persoon 1] daar op haar plaats was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. YH

rolnr. HD 103.005.768

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 6 mei 2008,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1]

en

2. [APPELLANTE SUB 2],

echtelieden,

wonende te [plaats],

in hun hoedanigheid van mentoren van [PERSOON 1],

appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2007,

geïntimeerden in incidenteel appel,

procureur: mr. Y. van der Linden,

tegen:

de stichting STICHTING SAMENWERKENDE WOON-EN ZORGVOORZIENINGEN VOOR LICHAMELIJK EN MEERVOUDIG GEHANDICAPTEN (SWZ),

gevestigd te Son, gemeente Son en Breugel,

voorheen de STICHTING VOORZIENIGEN LICHAMELIJK GEHANDICAPTEN (VLG) gevestigd te Rosmalen,

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. C.W.M. Verberne,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 1 oktober 2007 tussen appellanten in principaal appel – [appellant sub 1 c.s.] (enkelvoud) - als eisers en geïntimeerde in principaal appel - SWZ - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 162923/KG ZA 07-523)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis heeft [appellant sub 1 c.s.] een productie overgelegd, twaalf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van de vermeerderde eis, met veroordeling van SWZ in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft SWZ een productie overgelegd en de grieven bestreden.

Daarnaast heeft SWZ in incidenteel appel een grief naar voren gebracht.

2.3. De zaak is vervolgens op 3 april 2008 mondeling ter zitting van het hof bepleit, waarbij voor partijen het woord is gevoerd door hun procureurs aan de hand van pleitnota's die deel uitmaken van het dossier.

Bij die gelegenheid heeft [appellant sub 1 c.s.] drie maal een akte genomen en daarbij vijf, respectievelijk twee, respectievelijk één productie(s) overgelegd. SWZ heeft eveneens een productie in het geding gebracht.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel

[appellant sub 1 c.s.] beoogt met de grieven de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen.

Voor de tekst van de afzonderlijke grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

Voor de incidentele grief van SWZ verwijst het hof naar de memorie van antwoord, sub 39 en 78.

4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel

Vaststaande feiten

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.2. [persoon 1] (verder [persoon 1]), geboren [1980], is de dochter van [appellant sub 1 c.s.]. Zij is als gevolg van een vroegkinderlijke hersenbeschadiging in ernstige mate lichamelijk en matig mentaal gehandicapt. Door spasmen is zij volledig verzorgingsafhankelijk en aangewezen op een elektrische rolstoel. Daarnaast heeft zij ernstige visuele problemen.

4.1.3. Rond haar 13e jaar is [persoon 1] in Zonhove, een instelling van SWZ, gaan wonen. Zonhove legt zich toe op begeleiding en voorzieningen voor jonge meervoudig en ernstig meervoudig gehandicapten. Het wonen daar heeft een sociaal karakter, in die zin dat door de bewoners samen activiteiten worden gedaan in gemeenschappelijke ruimten.

Vanaf haar 20e jaar ondernam [persoon 1] dagbesteding op een activiteitencentrum bij Zonhove.

4.1.4. Op 28 januari 2005 is [persoon 1] op proef overgeplaatst naar De Eekelhof te Schijndel, eveneens een instelling van SWZ (voorheen VLG). VLG legde zich toe op de verzorging en begeleiding van lichamelijk en/of meervoudig gehandicapte mensen vanaf 18 jaar. In de woonvoorzieningen van VLG, waaronder de Eekelhof, beschikt iedere bewoner over een eigen appartement. Of men gebruik maakt van de centrale ontmoetingsruimte bepalen de bewoners zelf. De bewoners kunnen trainen naar een grotere mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

Vanuit de Eekelhof onderneemt [persoon 1] dagactiviteiten op het AC Duinendaal in Den Bosch. Zij speelt een avond in de week boccia in den Bosch en gaat een avond in de week rolstoeldansen in Rosmalen. Daar heeft zij een vriend ontmoet die woont in een woonvorm van (voorheen) VLG in Boxtel.

4.1.5. Op 11 juli 2005 heeft (toen nog) VLG aan [appellant sub 1 c.s.] gezegd voornemens te zijn het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof te beëindigen omdat dit niet de juiste woonmogelijkheden voor [persoon 1] biedt. Bij brief van 3 februari 2006 heeft de directeur van VLG dat nogmaals aan [appellant sub 1 c.s.] bevestigd en andere woonruimte binnen Zonhove aangeboden.

4.1.6. Op 7 oktober 2006 heeft het Centrum voor Consultatie en Expertise (verder: CCE) een rapport uitgebracht, geschreven door mevrouw A. van Arnhem, orthopedagoog/gz-psycholoog, van een op verzoek van [appellant sub 1 c.s.] ingesteld onderzoek naar de geschiktheid van de woonsituatie van [persoon 1] op de Eekelhof. VLG had [appellant sub 1 c.s.] bij brief van

16 februari 2006 toegezegd het besluit tot beëindiging van het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof op te schorten tot het advies van het CCE.

Mevrouw van Arnhem concludeert onder meer:

Wanneer ik kijk naar de context van wonen waarin [persoon 1] momenteel functioneert zie ik een situatie waarin zij zowel tekort komt in haar sociale behoeften (gezelligheid, aansluiting vinden bij anderen, erbij horen) als ook tekort komt in stimulering van haar cognitieve en sociale mogelijkheden. Er lijkt voor [persoon 1] binnen de Eekelhof eerder sprake van "zichzelf kunnen handhaven" dan van een optimale kwaliteit van bestaan. Binnen de doelstelling en populatie van de Eekelhof neemt [persoon 1] een aparte plaats in. De werkwijze en personele formatie is ingericht op mensen met primair een lichamelijke handicap en/of niet aangeboren hersenletsel. Cliënten wonen hier zo zelfstandig mogelijk en krijgen ondersteuning waar nodig. Naast praktische ondersteuning en verzorging is er (voor [persoon 1] te) beperkt ruimte voor sociaal emotionele ondersteuning en actieve invulling van vrije tijd. Haar hulpvraag wordt hier onvoldoende beantwoord. Voor het vormgeven van haar eigen leven en ter stimulering van haar cognitieve en sociale ontwikkeling heeft zij meer én m.i. een andere ondersteuning nodig dan zij nu geboden krijgt.

............................zou ik willen pleiten voor een andere begeleidingsvorm en andere leefsituatie voor [persoon 1]. Zij kan........niet optimaal functioneren in een omgeving die te complex is, die te hoge verwachtingen heeft en te hoge eisen stelt......Voor een zo zelfstandig en autonoom mogelijk functioneren én voor het vergroten van haar mogelijkheden heeft zij expliciete en methodische ondersteuning van anderen nodig. Een goede afstemming op haar ondersteuningsvraag is m.i. eerder te verwachten in een "groepsgerichte" leefvoorziening voor mensen met een (matige) verstandelijke beperking; een woning waarin zij leeft met anderen waar zij iets aan kan beleven, waar vanzelfsprekende gezamenlijke momenten, activiteiten en ondersteuning aangeboden worden. ........In een dergelijke setting verwacht ik dat beter tegemoet kan worden gekomen aan haar emotionele, sociale en cognitieve behoeften......

4.1.7. Bij brief van 20 december 2006 heeft [appellant sub 1 c.s.] aan de directeur van VLG geschreven dat het rapport van CCE niet adequaat en niet objectief is en dat hij overweegt een ander bureau in te schakelen. Op 29 december 2006 heeft de directeur geantwoord dat het rapport het oordeel van VLG dat [persoon 1] op de Eekelhof niet op de goede plek is bevestigt, dat het aangeboden alternatief van Zonhove voldoet aan het advies voor een andere woonvoorziening, en dat VLG het besluit om de plaatsing van [persoon 1] op Eekelhof te beëindigen handhaaft.

4.1.8. [appellant sub 1 c.s.] heeft naar aanleiding van deze brief een klacht ingediend bij de klachtencommissie van VLG tegen het besluit om de plaatsing van [persoon 1] in de Eekelhof te beëindigen.

De klachtencommissie heeft op 16 april 2007 overwogen dat zij de klacht slechts marginaal kan toetsen, dat zij vooral heeft getoetst of VLG in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 29 december 2006 zorgvuldig heeft gehandeld, en dat alles overziend niet gezegd kan worden dat VLG onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht werd ongegrond geacht.

4.1.9. De advocaat van [appellant sub 1 c.s.] heeft bij brief van

6 juni 2007 aan VLG medegedeeld dat [appellant sub 1 c.s.] een onafhankelijk deskundige wil inschakelen, en heeft verzocht het besluit tot beëindiging van de zorgverlening aan [persoon 1] op de Eekelhof zolang op te schorten. VLG heeft die opschorting bij brief van 25 juni 2007 geweigerd en medegedeeld dat zij [persoon 1] bovenaan de wachtlijst voor Zonhove plaatste, dat zij tevens onderzoekt of er bij andere gehandicaptenzorgaanbieders een passende plaats is voor [persoon 1], en dat ook [appellant sub 1 c.s.] zelf op zoek kan gaan naar een alternatief, daarbij ondersteund door zgn. MEE-organisaties (die een begeleidende en ondersteunende functie ten behoeve van geestelijk gehandicapten hebben).

4.1.10. Op 10 juli 2007 heeft mevrouw drs. A. Wibaut, orthopedagoog, op verzoek van [appellant sub 1 c.s.] een rapport geschreven naar aanleiding van de voorgenomen beëindiging van de plaatsing van [persoon 1] in de Eekelhof. Mevrouw Wibaut heeft alleen gesproken met [persoon 1] en met [appellant sub 1 c.s.].

In haar rapport schrijft zij onder meer:

Op de mening van [persoon 1] heb ik mij geconcentreerd, in aanvulling op eerdere rapportage van CCE..................De vraag zou moeten zijn (al aangenomen dat de zorg aan/het welbevinden van [persoon 1] op de Eekelhof niet optimaal zou zijn) wat is er nodig om te zorgen dat het beter gaat met [persoon 1] op die plek.................Ik kan nergens argumenten vinden dat VLG niet in staat zouden zijn de benodigde zorg te bieden, of dat geprobeerd is op zijn minst deze in hun ogen passende zorg te bieden. Het blijft een vraag waarom ze datgene wat [persoon 1] nodig heeft niet kunnen bieden in Schijndel.

Mevrouw Wibaut concludeert dat de uitgangspositie van [persoon 1] voor sociale contacten veel beter is in Schijndel dan in Son. Een overplaatsing naar Zonhove is niet gewenst vanuit het oogpunt van [persoon 1] en niet noodzakelijk met het oog op passende hulpverlening. Door verhuizing zal zij moeten veranderen van artsen, haar clubjes en het AC kwijtraken en op grotere afstand van haar ouders, familie en van haar vriend komen te wonen, aldus mevrouw Wibaut.

4.1.11. [appellant sub 1 c.s.] heeft VGL op 14 augustus 2007 gedagvaard in kort geding en gevorderd, kort weergegeven, het besluit tot verplaatsing van [persoon 1] van de Eekelhof naar Zonhove of een andere woonvorm op te schorten, dan wel dit besluit op te schorten totdat een deskundige een onderzoek heeft ingesteld welke woonvorm voor [persoon 1] een goed alternatief zou zijn en zij daar ook geplaatst kan worden, op straffe van een dwangsom.

In het vonnis, waarvan beroep, van 1 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant sub 1 c.s.] afgewezen.

4.1.12. Bij brief van 15 oktober 2007 heeft VLG aan [appellant sub 1 c.s.] bericht dat zij niet vóór 15 november 2007 tot verplaatsing van [persoon 1] zal overgaan en adviseert zij [appellant sub 1 c.s.] opnieuw om zich, eventueel ondersteund door MEE, ook te oriënteren op andere zorgaanbieders.

4.1.13. Bij exploot van 29 oktober 2007 heeft [appellant sub 1 c.s.] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 1 oktober 2007. Met wijziging van eis vordert hij thans, kort weergegeven,

A) de uitvoering van het besluit van VLG tot verplaatsing van [persoon 1] te verbieden althans op te schorten,

B) subsidiair, opschorting totdat een deskundige een onderzoek heeft ingesteld danwel tot de uitkomst van een (voorlopig) deskundigenbericht of bodemprocedure,

C) meer subsidiair opschorting totdat een door het hof aan te wijzen deskundige een oordeel heeft gegeven,

D) meest subsidiair opschorting totdat in overleg met [appellant sub 1 c.s.] een betere woonvorm is gevonden waar [persoon 1] ook geplaatst kan worden,

op straffe van een dwangsom en met veroordeling van VLG in de proceskosten in beide instanties.

4.1.14. Bij brief van 23 november 2007 heeft VLG [appellant sub 1 c.s.] dringend verzocht mee te willen werken aan de intake van [persoon 1] op Zonhove en heeft zij medegedeeld dat het traject tot overplaatsing niet zal worden stopgezet.

In een gesprek van de voorzitter van de commissie van plaatsing en de ouderbegeleider van Zonhove met [appellant sub 1 c.s.] op 11 december 2007 is afgesproken dat [appellant sub 1 c.s.] de verschafte informatie over Zonhove zal overdenken en binnen 14 dagen zal laten weten wat zijn beslissing is.

4.1.15. Op 21 maart 2008 heeft mevrouw drs. Wibaut op verzoek van [appellant sub 1 c.s.] een tweede rapport opgesteld, zulks na een gesprek met de persoonlijk begeleidster van [persoon 1] op de Eekelhof en met de begeleidend orthopedagoge van SWZ [orthopedagoge SWZ].

Daarin stelt zij dat de rapportage en beeldvorming van [persoon 1] zwaar leunt op de uitkomst van haar IQ-test, maar dat deze test een slechte voorspeller is van iemands ontwikkelingsmogelijkheden en ondersteuningsbehoefte. Naar de mening van [persoon 1] zelf over haar verblijf in de Eekelhof en een eventuele verhuizing is veel te weinig gevraagd. Terugplaatsing naar Zonhove, waar [persoon 1] het niet fijn vond, is een stap achteruit. Mevrouw Wibaut onderschrijft dat [persoon 1] op de Eekelhof niet de ondersteuning krijgt die ze nodig heeft, maar zij vraagt zich af waarom de Eekelhof niet aan die hulpvraag wil voldoen. SWZ denkt sterk aanbodgericht terwijl [persoon 1] en haar hulpvraag centraal zouden moeten staan. Mevrouw Wibaut ziet geen dringende, zwaarwegende reden waarom [persoon 1] niet op de Eekelhof zou kunnen blijven wonen.

4.1.16. Bij exploot van 22 maart 2008 heeft [appellant sub 1 c.s.] VLG in kort geding gedagvaard tegen de zitting van de voorzieningenrechter te 's-Hertogenbosch van 31 maart 2008. Stellende dat VLG op 10 maart 2008 had laten weten dat [persoon 1] op 1 april 2008 zou worden verhuisd vorderde [appellant sub 1 c.s.] dat VLG het besluit tot overplaatsing van [persoon 1] zou opschorten totdat het hof uitspraak zou hebben gedaan in het onderhavige hoger beroep, op straffe van een dwangsom.

Ter zitting op 31 maart 2008 is geconstateerd dat een niet meer bestaande rechtspersoon - VLG - was gedagvaard, waarop [appellant sub 1 c.s.] de vordering heeft ingetrokken.

SWZ heeft zich bereid verklaard tot een vrijwillige verschijning, waarop partijen ten overstaan van de voorzieningenrechter de navolgende in het proces-verbaal opgenomen regeling hebben getroffen:

- De overplaatsing van [persoon 1] naar de instelling Zonhove zal door SWZ worden opgeschort tot één week na het moment dat het hof 's-Hertogenbosch arrest heeft gewezen in de lopende procedure tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2007.

- De heer en mevrouw [appellant sub 1 c.s.] zeggen op hun beurt toe dat indien de uitkomst van de procedure bij het hof zal zijn de bekrachtiging van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter zij zonder enig voorbehoud zullen meewerken aan overplaatsing van [persoon 1]. Zij behouden zich het recht voor om indien [persoon 1] daadwerkelijk wordt verhuisd haar verhuizing naar een andere instelling of naar huis of naar een appartement, telkens met pgb te laten plaatsvinden. Zij zullen in de komende vijf weken de mogelijkheden daartoe onderzoeken en zeggen toe dat zij nadat een voor hen negatief arrest is gewezen, SWZ zo spoedig mogelijk op de hoogte zullen stellen of zij gebruik maken van dit recht.

- Zij zeggen verder toe dat indien [persoon 1] onverhoopt toch naar Zonhove verhuist zij zich in dat geval naar [persoon 1] toe niet negatief te zullen uiten ten aanzien van Zonhove. Jegens SWZ zullen zij dan verder afzien van gerechtelijke procedures tot overplaatsing van [persoon 1].

Partijen in hoger beroep

4.2. [appellant sub 1 c.s.] is als mentor, als zodanig benoemd bij beschikking van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 25 juli 2007, op grond van art. 1:453 lid 2 BW bevoegd [persoon 1] in dit geding in rechte te vertegenwoordigen.

4.3. SWZ is de rechtsopvolgster van de in eerste aanleg gedagvaarde Stichting Voorzieningen Lichamelijk Gehandicapten (VLG), welke laatste stichting op 31 december 2007 heeft opgehouden te bestaan en samen met de Stichting Triocen en de Stichting Zonhove is opgegaan in SWZ.

Het hof zal in het vervolg steeds de geïntimeerde aanduiden met SWZ, ook als het een periode betreft dat VLG nog bestond.

Grondslag van de vordering en het verweer

4.4.1. [appellant sub 1 c.s.] heeft zijn vordering gebaseerd op art. 7:460 BW en gesteld dat de overeenkomst tussen SWZ/de Eekelhof en [persoon 1](/[appellant sub 1 c.s.]) naar analogie kan worden gezien als een behandelovereenkomst als bedoeld in art. 7:446 BW, zodat deze overeenkomst door de hulpverlener alleen in geval van gewichtige redenen kan worden opgezegd, en dat dergelijke gewichtige redenen - waarvan SWZ volgens [appellant sub 1 c.s.] de bewijslast draagt - zich hier niet voordoen.

4.4.2. SWZ vraagt zich af of hier sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, maar stelt dat van een opzegging daarvan door SWZ in elk geval geen sprake is.

In zoverre moet hetgeen SWZ (bij memorie van antwoord, sub 39 en 78) heeft gesteld worden beschouwd als een incidentele grief tegen het oordeel van de voorzieningenrechter sub 4.5 van het vonnis, dat het besluit tot beëindiging van het verblijf van [persoon 1] op de Eekelhof is te beschouwen als een opzegging van de behandelingsovereenkomst.

[appellant sub 1 c.s.] heeft bij pleidooi de gelegenheid gehad op deze incidentele grief te reageren.

Oordeel van het hof over de maatstaf

4.5.1. Wat betreft de maatstaf aan de hand waarvan het onderhavige geschil dient te worden beoordeeld oordeelt het hof dat de incidentele grief van SWZ slaagt.

Het kan in het midden blijven of de overeenkomst tussen [persoon 1](/[appellant sub 1 c.s.]) en SWZ beschouwd moet worden als een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:446 BW of als een overeenkomst waarop naar analogie de bepalingen van een geneeskundige behandelingsovereenkomst van toepassing zijn.

Er is in dit geval naar het voorlopig oordeel van het hof echter geen sprake van opzegging van een dergelijke overeenkomst, nu [persoon 1] wat SWZ betreft binnen hetzelfde samenwerkingsverband - inmiddels dezelfde juridische entiteit - verzorgd en begeleid blijft.

4.5.2. Het gaat hier dus om de vraag of SWZ binnen de bestaande en - wat SWZ betreft - voortdurende behandel- en verzorgingsrelatie met [persoon 1] de zorg van een goed hulpverlener heeft betracht en heeft gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard; dat wil zeggen de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden had mogen verwacht.

4.5.3. Het hof stelt verder vast dat inmiddels is gebleken dat er op dit moment in Schijndel geen andere passende zorgaanbieders voor [persoon 1] zijn en dat [appellant sub 1 c.s.], zoals hij zelf schrijft in zijn bij akte overgelegde emailbericht aan zijn advocaat van 27 november 2007, aangewezen blijft op SWZ. Ook buiten Schijndel heeft [appellant sub 1 c.s.] geen alternatief voor het wonen van [persoon 1] aangedragen.

Tenslotte is gebleken dat SWZ binnen haar instellingen voor [persoon 1] sinds begin januari 2008 een plaats heeft in een woonvorm aan de Heriklaan te Son, welke bestaat uit twee aan elkaar geschakelde huizen waarbij in ieder huis vijf mensen wonen met een meervoudige beperking. Deze woonvorm is gericht op de meest zelfstandig functionerende cliënten van Zonhove en is gelegen in een woonwijk op 1 km afstand van het terrein van Zonhove.

SWZ heeft deze plek voor [persoon 1] open gehouden.

Concreet gaat het dus om het besluit van SWZ om het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof in Schijndel te beëindigen en haar te verplaatsen naar een woonvorm van Zonhove op de Heriklaan te Son.

De grieven

4.6. Bij de eerste grief heeft [appellant sub 1 c.s.] geen belang, aangezien in het kader van dit geschil niet van belang is welk leeftijdsequivalent voor [persoon 1] precies van toepassing is. Het hof heeft de gesteldheid van [persoon 1], voor zover in deze procedure van belang, omschreven in r.o. 4.1.2. De grief faalt.

4.7. Ook de tweede grief moet worden verworpen.

Uit verschillende in de procedure overgelegde stukken is voorshands voldoende gebleken dat (met [appellant sub 1 c.s.] is besproken dat) de plaatsing van [persoon 1] in de Eekelhof op proef voor een jaar zou geschieden, en dat als dat niet goed zou gaan zij terug zou gaan naar Zonhove of een andere locatie:

- voorstel [behandelaar Zonhove] (eindverantwoordelijk behandelaar Zonhove) van 14 oktober 2003 naar aanleiding van gesprekken met [appellant sub 1 c.s.], tot plaatsing van [persoon 1] in een uitdagender woonvorm: "evaluatie na een jaar, tenzij samen besloten wordt tussentijds het beleid te wijzigen vanwege gebleken nadelen bij [persoon 1]; na een jaar zijn er de volgende opties: 1. Het gaat goed en het blijft zo

2. het gaat niet goed en [persoon 1] zal toegeleid worden naar een minder uitdagende omgeving in werken en wonen."

- verslag van de intake van [persoon 1] op 24 januari 2005, in aanwezigheid van [appellant sub 1 c.s.] (prod. 12 pleitnota VLG in eerste aanleg): "Er is afgesproken dat [persoon 1] als het wonen op de Eekelhof niet goed gaat terug kan naar Zonhove of een andere optie binnen SWZ. Er is afgesproken na een jaar te evalueren, tenzij samen besloten wordt tussentijds het beleid te wijzigen vanwege gebleken nadelen bij [persoon 1]."

- verslag zorgconsulente MEE van 1 februari 2005 (prod. 13 idem): "De afspraak is dat 2005 een proefjaar is voor [persoon 1], en dat zij kan terugkeren naar Zonhoven wanneer blijkt dat het niet goed met haar gaat zit op de Eekelhof."

- evaluatieverslag van 1 maart 2005 (prod. 15 idem):

"[naam] (zorgconsulente MEE, toevoeging hof) geeft aan het verstandig te vinden de proefperiode te verkorten naar een half jaar. Beide ouders zeggen niet van de gemaakte afspraak van een proefperiode van een jaar te willen afwijken."

4.8. De derde grief van [appellant sub 1 c.s.] kan evenmin slagen. De omstandigheid dat VLG op 3 februari 2006 schriftelijk aan [appellant sub 1 c.s.] heeft bericht het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof te willen beëindigen sluit niet uit dat niet reeds eerder van de zijde van VLG is geventileerd dat de vraag rijst of [persoon 1] in de Eekelhof op haar plaats is.

4.9. In grief IV klaagt [appellant sub 1 c.s.] ten onrechte dat de voorzieningenrechter de beslissing van de klachtencommissie van 16 april 2007 niet juist zou hebben weergegeven.

Het hof verwijst naar r.o. 4.1.8 van dit arrest. Daarin staat als beslissing van de klachtencommissie naar de kern genomen niet iets anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen. De voorzieningenrechter is er niet van uit gegaan dat de klachtencommissie een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de verplaatsing van [persoon 1], zoals [appellant sub 1 c.s.] veronderstelt.

4.10.1. De grieven V t/m XII zullen gezamenlijk worden behandeld. Bij een afzonderlijke behandeling heeft [appellant sub 1 c.s.] geen belang nu deze grieven er grotendeels van uitgaan dat beoordeeld zou moeten worden of zich gewichtige redenen voor opzegging van een behandelingsovereenkomst voordoen, terwijl de door het hof gehanteerde maatstaf is of is gehandeld volgens de voor hulpverleners geldende professionele standaard.

4.10.2. Het hof stelt voorop dat uit de stukken blijkt dat vanaf het eerste begin dat er sprake was van het gaan wonen van [persoon 1] in een meer uitdagende omgeving blijkt van een groot verschil van inzicht in de mogelijkheden van [persoon 1] tussen [appellant sub 1 c.s.] enerzijds en SWZ anderzijds in die zin, dat [appellant sub 1 c.s.] het (mogelijke) niveau van sociaal functioneren van [persoon 1] voortdurend hoger inschat dan SWZ. Ook valt op dat [appellant sub 1 c.s.] en SWZ bij herhaling een verschillend beeld schetsen van het feitelijke functioneren van [persoon 1].

Eind 2003 is van de zijde van SWZ kennelijk besloten om de visie van [appellant sub 1 c.s.] een kans te geven en [persoon 1] te plaatsen in een meer uitdagende woongroep waarin een groter beroep op zelfstandigheid en onafhankelijkheid wordt gedaan. Het hof merkt op dat uit de stukken blijkt dat SWZ expliciet aangeeft alles te willen doen om de plaatsing tot een succes te maken.

4.10.3. Zodra het principebesluit tot verplaatsing was genomen heeft SWZ ter voorbereiding psychologische tests van [persoon 1] laten uitvoeren. [persoon 1] is regelmatig besproken in het team psychische en gedragsproblematiek om de verhuizing zo goed mogelijk voor te bereiden. In dat verband is ook speltherapie voor haar geregeld. Na de verhuizing is zeer regelmatig geëvalueerd hoe [persoon 1] het op de Eekelhof maakte. In de evaluatie op 1 maart 2005 wordt vanuit de Eekelhof de zorg uitgesproken of [persoon 1] niet wordt overvraagd. In april 2005 wordt deze zorg opnieuw uitgesproken maar wordt ook uitgesproken dat tot de volgende evaluatie enkele maanden daarna, wordt geprobeerd het optimale te bereiken. In de volgende maanden blijft echter de observatie van SWZ terugkeren dat [persoon 1] in de nieuwe woonomgeving wordt overvraagd, dat ze de tijd alleen op haar appartement niet zelf kan invullen en dan doelloos over de gang gaat rijden, en dat ze geen aansluiting heeft bij de andere bewoners. Ook vanuit het AC Duinendaal wordt gesignaleerd dat de indruk bestaat dat [persoon 1] aan haar top van functioneren zit en continu op haar tenen moet lopen. Omdat [appellant sub 1 c.s.] dit beeld niet onderschreef is uiteindelijk op voorstel van SWZ een CCE-rapport over [persoon 1] opgemaakt. Voor de inhoud daarvan verwijst het hof naar r.o. 4.1.6 van dit arrest. Dit advies bevestigde de visie van SWZ. Tevens is voor de Inspecteur voor de Gezondheidszorg een zgn. Procesverslag over [persoon 1] opgesteld.

4.10.4. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken niet gezegd worden dat SWZ niet handelt volgens de voor hulpverleners geldende professionele standaard bij het nemen van het besluit om het wonen van [persoon 1] op de Eekelhof te beëindigen en haar over te plaatsen naar een meer aangepaste setting. De visie van SWZ op de vraag wat het belang van [persoon 1] meebrengt wordt immers door het CCE en door de begeleiders uit de directe woon- en werkomgeving van [persoon 1] gedeeld. SWZ heeft voldoende tijd genomen om het mogelijke negatieve effect van de verhuizing en de periode van gewenning als oorzaak voor het mindere functioneren van [persoon 1] te kunnen uitschakelen. Ook is niet gebleken dat SWZ zich niet meer zou hebben ingezet voor het slagen van de woonvorm op de Eekelhof toen zij eraan begon te twijfelen of [persoon 1] daar op haar plaats was.

4.10.5. Het hof deelt niet de visie van mevrouw Wibaut dat onvoldoende rekening is gehouden met wat [persoon 1] zelf wil. Uit de evaluatieverslagen over het verblijf van [persoon 1] op de Eekelhof en het rapport van CCE blijkt immers dat heel goed gekeken is naar het dagelijks functioneren van [persoon 1] op de Eekelhof en dat daar regelmatig ook met haarzelf besproken is hoe ze het daar vindt. Uit de verslagen blijkt veelal dat [persoon 1] het niet zo leuk vindt, niet goed weet hoe ze haar tijd moet vullen, vaak huilt, en dat ze regelmatig tevergeefs contact zoekt met medebewoners voor gezamenlijke activiteiten - eten, een spelletje -.

Hoewel [appellant sub 1 c.s.], daarin ondersteund door mevrouw Wibaut, structureel een ander beeld schetst van het welbevinden van [persoon 1] op de Eekelhof is het hof voorshands van oordeel dat SWZ niet onzorgvuldig handelt door desondanks vast te houden aan haar visie, die op zorgvuldige wijze in jarenlange dagelijkse contacten met [persoon 1] en ondersteund door deskundigen, tot stand is gekomen.

4.10.6. Evenmin kan worden geoordeeld dat SWZ niet handelt conform de professionele standaard bij het nemen van haar besluit om [persoon 1], bij de stand van zaken zoals die thans is, te verplaatsen naar de woonvorm van Zonhove aan de Heriklaan te Son. Op die plaats kan in de zorgvuldig tot stand gekomen visie van SWZ aan [persoon 1] immers geboden worden wat zij nodig heeft. Het hof deelt niet het standpunt van [appellant sub 1 c.s.] en mevrouw Wibaut dat SWZ alle hulp en begeleiding die [persoon 1] nodig heeft, in de Eekelhof zou moeten bieden. SWZ heeft van de nodige flexibiliteit blijk gegeven door [persoon 1] in de Eekelhof meer ondersteuning aan te bieden dan eigenlijk in overeenstemming is met de bedoeling van die woonvorm, al kan SWZ uiteraard niets veranderen aan de andere bewoners op de Eekelhof, met wie [persoon 1] niet goed aansluit. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan echter niet van SWZ verwacht worden dat zij het verblijf van een cliënte in een, naar uit zorgvuldig onderzoek uiteindelijk is gebleken, voor die cliënte niet geschikte woonvorm handhaaft terwijl een plaats beschikbaar is in een woonvorm die volgens een eveneens zorgvuldig tot stand gekomen besluitvorming wél voor die cliënte geschikt is.

Daarbij onderkent het hof dat een verhuizing voor [persoon 1] ingrijpend is, maar het - tijdelijke - effect daarvan hoeft SWZ niet te laten opwegen tegen de andere, genoemde factoren. Overigens staat nog helemaal niet vast dat [persoon 1] vanuit Son niet een groot deel van haar huidige sociale en medische contacten kan handhaven.

Dat voor de Heriklaan in Son een alternatief zou bestaan in de buurt van Schijndel is niet gebleken. Ook [appellant sub 1 c.s.] zelf heeft geen andere mogelijkheid voor [persoon 1] kunnen vinden.

4.10.7. Al met al is het hof mitsdien van oordeel dat SWZ met haar besluit tot beëindiging van de plaatsing van [persoon 1] op de Ekelhof en tot plaatsing van [persoon 1] op de Heriklaan (Zonhove) handelt in overeenstemming met de eisen die aan de zorg die van een goed hulpverlener conform de geldende professionele standaard mag worden verwacht.

4.11. Uit het voorgaande blijkt dat ook de grieven V t/m XII worden verworpen.

Het vonnis, waarvan beroep, zal derhalve worden bekrachtigd.

[appellant sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep in principaal en incidenteel appel.

5. De uitspraak

In principaal en in incidenteel appel:

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2007;

veroordeelt [appellant sub 1 c.s.] in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van SWZ gevallen en begroot op EUR 300,-- voor verschotten en EUR 2.682,-- voor salaris procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en De Kok en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 6 mei 2008.