Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1422

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
06/00459
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De onderhavige beschikking betreft de waardering van de onroerende zaak naar de staat waarin de zaak op de peildatum 1 januari 1999 verkeerde of naar de staat waarin de onroerende zaak als gevolg van specifiek de onroerende zaak betreffende omstandigheden was komen te verkeren op 1 januari 2001. De in 4.2 c) en 4.2 d) genoemde feiten en omstandigheden hebben zich voorgedaan vanaf 2001 en op of omstreeks 24 februari 2007. Die feiten en omstandigheden kunnen derhalve geen invloed hebben op de onderhavige waardebeschikking. Zij zouden daarom, waren zij bij het Hof eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Op grond van het bepaalde in artikel 8:88, aanhef en onderdeel c, van de Awb kunnen de in 4.2 c) en 4.2 d) gestelde feiten daarom niet leiden tot toewijzing van het verzoek tot herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/956
Belastingblad 2008/817
V-N 2008/42.1.2

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 06/00459

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde enkelvoudige Belastingkamer, op het verzoek van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) om herziening in de zin van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Y (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking van 1 september 2001 heeft de verweerder de

waarde van de onroerende zaak vastgesteld op fl. 327.000 (€ 148.386).

Bij uitspraak van de verweerder is het tegen de beschikking ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het

Hof, bekend onder kenmerk 02/02380.

Het Hof heeft dit beroep ongegrond verklaard.

Een afschrift van deze uitspraak is op 18 mei 2005 aangetekend aan partijen verzonden.

De Hoge Raad heeft het tegen de uitspraak van het Hof ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de onherroepelijk geworden uitspraak van het Hof te herzien.

Ter zake van dit verzoek heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 januari 2008 te 's-Hertogenbosch.

Belanghebbende en de verweerder zijn, onder schriftelijke mededeling daarvan, niet verschenen.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij.

De verweerder heeft het Hof bij schrijven van 9 januari 2008 bericht niet ter zitting te verschijnen.

1.7. Van de zitting is een tot de stukken van het geding behorend proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gestuurd.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.9. Het Hof heeft in deze zaak op 25 januari 2008 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 31 januari 2008 aan partijen verzonden.

1.10. Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 25 februari 2008 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op of omstreeks 24 februari 2007 zijn vernielingen aangericht aan de onroerende zaak en is belanghebbende mishandeld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep van belanghebbende om herziening gegrond dan wel ongegrond dient te worden verklaard.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot toewijzing van het verzoek om herziening.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het verzoek om herziening.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 8:88 van de Awb kan het Hof op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c) waren zij bij het Hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2. Belanghebbende doet zijn verzoek steunen op de volgende door hem gestelde feiten of omstandigheden:

a) het Hof heeft de termijn voor het doen van uitspraak, gesteld in artikel 8:66 van de Awb laten verlopen,

b) laatstgenoemde termijn is dwingend voorgeschreven,

c) de onroerende zaak is vanaf 2001 tot heden in een onveilige en onwettige situatie komen te verkeren, welke situatie het gevolg is van de gedoogcultuur van burgemeester en wethouders van Y,

d) op of omstreeks 24 februari 2007 zijn vernielingen aangericht aan de onroerende zaak en is belanghebbende mishandeld.

4.3. Ten tijde van de uitspraak van het Hof had belanghebbende bekend kunnen zijn met de in onderdeel 4.2 a) gestelde termijnoverschrijding. De omstandigheid dat belanghebbende er niet van op de hoogte was dat deze termijn dwingend is voorgeschreven komt voor zijn rekening. De hiervoor in 4.2 a) en 4.2 b) genoemde feiten en omstandigheden kunnen daarom niet leiden tot toewijzing van het verzoek tot herziening. Opmerking verdient overigens dat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot artikel 8:66 Awb is vermeld dat geen sanctie is gesteld op overschrijding van de aldaar gestelde termijn. Zie Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3 (MvT), blz. 141. Dit heeft tot gevolg dat overschrijding van die termijn voor partijen in het geding geen gevolgen heeft.

4.4. De onderhavige beschikking betreft de waardering van de onroerende zaak naar de staat waarin de zaak op de peildatum 1 januari 1999 verkeerde of naar de staat waarin de onroerende zaak als gevolg van specifiek de onroerende zaak betreffende omstandigheden was komen te verkeren op 1 januari 2001. De in 4.2 c) en 4.2 d) genoemde feiten en omstandigheden hebben zich voorgedaan vanaf 2001 en op of omstreeks 24 februari 2007. Die feiten en omstandigheden kunnen derhalve geen invloed hebben op de onderhavige waardebeschikking. Zij zouden daarom, waren zij bij het Hof eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Op grond van het bepaalde in artikel 8:88, aanhef en onderdeel c, van de Awb kunnen de in 4.2 c) en 4.2 d) gestelde feiten daarom niet leiden tot toewijzing van het verzoek tot herziening.

4.5. Gelet op het voorstaande dient het verzoek van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het verzoek om herziening ongegrond.

Aldus gedaan op 20 maart 2008 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.