Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1354

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
HV 103.008.458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien partijen er voor gekozen hebben niet ter zitting van 14 februari 2008 te verschijnen, is het hof niet in staat zich een compleet beeld te vormen over het verdere feitelijke verloop van de omgangsregeling sinds de mondelinge behandeling op 26 maart 2007. Bij gebreke hiervan is het hof dan ook niet in staat om een, mede op basis van de actuele stand van zaken gebaseerde, concrete omgangsregeling te bepalen zoals verzocht door de vader. Daarbij tekent het hof meer in het algemeen aan dat de vader belang heeft bij zijn verzoek aangaande met name de feestdagen en de vakanties, nu het niet enkel aan de moeder is om, in voorkomend geval met voorbijgaan aan de wensen van de vader, naar eigen believen c.q. eigenmachtig invulling aan de feitelijk bestaande omgangsregeling inclusief de feestdagen en de vakanties, te geven. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om de thans geldende omgangsregeling in de weekenden te wijzigen. Per saldo komt het hof tot de hierna volgende, meer globale, op met name feestdagen en vakanties toegespitste regeling.

Het hof is van oordeel dat de vader [naam dochter] bij zich mag hebben gedurende de helft van de feestdagen zoals die in Nederland gelden. Voorts is het hof van oordeel dat de omgang tussen [naam dochter] en de vader tijdens de schoolvakanties in onderling overleg tussen partijen dient te worden geregeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DvdH

20 maart 2008

Sector civiel recht

HV: 103.008.458

Zaaknummer eerste aanleg: 76562/ FA RK 06-1625

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

procureur: mr A.S. Sanders-Sijbom.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 31 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 februari 2007, heeft de vader onder meer verzocht dat het hof bij arrest (het hof leest: beschikking), uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking zal vernietigen en alsnog de (in hoger beroep door het Oberlandesgericht Koblenz op 19 december 2001 bekrachtigde) beslissing van het Amtsgericht Neuwied van 21 augustus 2001 zal wijzigen en zal bepalen dat dochter [naam dochter] per veertien dagen één weekend bij de vader zal zijn, waarbij de vader [naam dochter] op de vrijdag om 12:30 uur van school haalt en hij haar op de maandag daaropvolgend weer tijdig naar school brengt. De vader heeft voorts verzocht dat het hof zal bepalen dat [naam dochter] tevens op de eerste woensdagmiddag na het omgangsweekend bij de vader zal zijn, die [naam dochter] dan uit school ophaalt en haar op de daaropvolgende ochtend weer tijdig naar school brengt. Tenslotte heeft de vader verzocht dat het hof zal bepalen dat de vader recht op omgang heeft met [naam dochter] gedurende de helft van de feestdagen en vakanties, waarbij telkens per half jaar vooraf de verdeling tussen partijen zal worden vastgelegd.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 maart 2007, heeft de moeder verzocht:

- de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking en het verzoek om opnieuw recht te doen op grond van de door hem aangevoerde grieven af te wijzen;

- de bestreden beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling te bekrachtigen en de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. L.A.C.M. van der Bruggen;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A.S. Sanders-Sijbom;

- de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Werger.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brieven met bijlagen van de procureur van de vader d.d. 15 maart 2007;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 4 januari 2007;

- het faxbericht met bijlage van de procureur van de moeder d.d. 19 maart 2007;

- de brief met bijlage (de abusievelijk niet bij verweerschrift overgelegde productie) van de procureur van de vader d.d. 5 december 2007;

- de brief met bijlagen van de procureur van de vader d.d. 19 december 2007;

- het faxbericht van de procureur van de moeder d.d. 12 februari 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De ouders hebben gedurende een aantal jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze, in de loop van 2000 verbroken, relatie is [naam dochter] (hierna te noemen: [naam dochter]) op [geboortejaar] te [geboorteplaats] (Duitsland) geboren. Op dat moment woonden partijen nog samen in Duitsland. De vader heeft [naam dochter] erkend. Nadat de relatie tussen partijen was verbroken, is de moeder samen met [naam dochter] in Nederland gaan wonen. De moeder is bij uitspraak van het Amtsgericht Neuwied van 21 augustus 2001 alleen belast met het ouderlijk gezag over [naam dochter]. Tevens is toen een omgangsregeling tussen de vader en [naam dochter] vastgesteld. De regeling houdt in dat de vader een keer per veertien dagen van vrijdag 15:00 uur tot de daaropvolgende zondag 18:00 uur omgang met [naam dochter] kan hebben. Deze uitspraak is in hoger beroep bekrachtigd door het Oberlandesgericht Koblenz bij uitspraak van 19 december 2001.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling en hem vervolgens op verzoek van de moeder veroordeeld in de proceskosten.

Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting er thans geen sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.3.1. In zijn beroepschrift voert de vader onder meer aan dat de thans vigerende, door de Duitse rechter vastgestelde, omgangsregeling tussen de vader en [naam dochter] dateert uit de periode dat [naam dochter] nog geen twee jaar oud was. Naar de mening van de vader is de verandering van [naam dochter] van baby, via peuter en kleuter naar schoolgaand kind op zich al een impliciete wijziging van omstandigheden die een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling rechtvaardigt.

Bovendien is in de genoemde omgangsregeling geen verdeling opgenomen van de (kinder-)vakanties, aldus de vader.

4.3.2. Daarnaast is de vader van mening dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de kosten van de procedure. Dienaangaande voert de vader onder meer aan dat dit in familierechtelijke procedures zeer ongebruikelijk is.

4.4.1. In haar verweerschrift voert de moeder onder meer aan dat de vader ook in hoger beroep geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een wijzigingsverzoek van de omgangsregeling rechtvaardigen. Hij kon die feiten en omstandigheden ook niet aanvoeren, omdat hij reeds ruimschoots omgang met [naam dochter] heeft, zo stelt de moeder. Ter onderbouwing van dit standpunt refereert de moeder aan een door haar in hoger beroep overgelegd schema d.d. 6 februari 2007. Uit dit van de moeder afkomstige schema blijkt dat [naam dochter] jaarlijks met Pasen, Kerst en in de vakanties – gedeeltelijk – bij de vader verblijft.

De vader moet volgens de moeder dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

4.4.2. Met betrekking tot de proceskostenveroordeling, waartegen door de man evenzeer is gegriefd, voert de moeder onder meer aan, dat als gevolg van de vele door de vader gestarte juridische procedures er inmiddels sprake is van een structurele financiële last. Zij verzoekt het hof dan ook de vader te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.5. Ontvankelijkheid

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vader ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Op basis van artikel 1:377e BW is volgens het hof wel degelijk sprake van gewijzigde omstandigheden sedert de eerdere omgangsbeslissing. Reeds het tijdsverloop in combinatie met [naam dochter]s’ ontwikkeling gedurende de afgelopen zes à zeven jaar, maakt dat de vader in diens verzoek ontvankelijk is met als gevolg dat het hof toekomt aan de vraag, of wijziging van de destijds door de rechter vastgestelde omgangsregeling is gerechtvaardigd .

4.6. Mediation

Ter zitting van het hof van 26 maart 2007 hebben de ouders zich bereid verklaard door middel van mediation te proberen onderlinge overeenstemming te bereiken. Daarop heeft het hof besloten de zaak een aantal maanden pro forma aan te houden teneinde de resultaten van de mediation af te wachten.

4.7.1. De ouders hebben evenwel geen overeenstemming door middel van mediation weten te bereiken. Daarop heeft het hof als nieuwe behandeldatum uiteindelijk 14 februari 2008 bepaald.

4.7.2. Vervolgens hebben partijen – eerst de vader, daarna de moeder – het hof verzocht op basis van de stukken de zaak af te doen. De geplande zitting is daarom niet doorgegaan.

4.8. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.8.1. Aangezien partijen er voor gekozen hebben niet ter zitting van 14 februari 2008 te verschijnen, is het hof niet in staat zich een compleet beeld te vormen over het verdere feitelijke verloop van de omgangsregeling sinds de mondelinge behandeling op 26 maart 2007. Bij gebreke hiervan is het hof dan ook niet in staat om een, mede op basis van de actuele stand van zaken gebaseerde, concrete omgangsregeling te bepalen zoals verzocht door de vader. Daarbij tekent het hof meer in het algemeen aan dat de vader belang heeft bij zijn verzoek aangaande met name de feestdagen en de vakanties, nu het niet enkel aan de moeder is om, in voorkomend geval met voorbijgaan aan de wensen van de vader, naar eigen believen c.q. eigenmachtig invulling aan de feitelijk bestaande omgangsregeling inclusief de feestdagen en de vakanties, te geven. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om de thans geldende omgangsregeling in de weekenden te wijzigen. Per saldo komt het hof tot de hierna volgende, meer globale, op met name feestdagen en vakanties toegespitste regeling.

4.8.2. Het hof is van oordeel dat de vader [naam dochter] bij zich mag hebben gedurende de helft van de feestdagen zoals die in Nederland gelden. Voorts is het hof van oordeel dat de omgang tussen [naam dochter] en de vader tijdens de schoolvakanties in onderling overleg tussen partijen dient te worden geregeld.

4.8.3. Het hof is van oordeel dat de proceskosten in beide instanties dienen te worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 31 januari 2007;

verklaart de vader ontvankelijk in zijn inleidend verzoek tot wijziging van de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beslissing van het Amtsgericht Neuwied van 21 augustus 2001;

wijzigt de bovenbedoelde, door de Duitse rechter vastgestelde omgangsregeling in die zin dat in aanvulling op de bestaande omgangsregeling, op grond waarvan [naam dochter] één keer per keer per veertien dagen van vrijdag 15:00 uur tot de daaropvolgende zondag 18:00 uur bij de vader is, de vader [naam dochter] de helft van de feestdagen (zoals die in Nederland gelden) en de helft van haar schoolvakanties bij zich mag hebben, zulks in onderling overleg tussen partijen te regelen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.