Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling mede op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en sub f Fw (nieuw) in samenhang met artikel 288 lid 1, aanhef en sub b Fw (nieuw). Niet te goeder trouw ten aanzien van schuld die vier jaar vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling is ontstaan. Onvoldoende grond voor beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

20 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701328

Zaaknummer eerste aanleg 07/324 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X.],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 november 2007, waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 november 2007, heeft [appellant] verzocht voorvermeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de schuldsanerings- regeling met gelijktijdige faillietverklaring af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. J.W. Rauh;

- mevrouw A.M.A. Bouwens, de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 14 november 2007;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 25 januari 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 juli 2007 is ten aanzien van [appellant] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet (Fw) (oud) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 8 oktober 2007 beëindigd, nu [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de voordracht van de rechter-commissaris volgt dat uit het eerste verslag van de bewindvoerder is gebleken dat [appellant] in de periode 2003-2004 ten onrechte een Wwb-uitkering van de gemeente heeft ontvangen. De gemeente heeft deze fraude in 2005 ontdekt.

Het betreft een bedrag van € 5.015,26, dat door de gemeente wordt teruggevorderd. [appellant] heeft tijdens het toelatings- gesprek medegedeeld dat hij deze uitkering in de periode 2002-2003 heeft genoten. Volgens de rechter-commissaris zijn deze omstandigheden dermate voor zichzelf sprekend en onoplosbaar dat [appellant] niet voor verhoor behoeft te worden opgeroepen. Het vorenstaande levert naar de opvatting van de rechter-commissaris een situatie op als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub c en d juncto artikel 288 lid 1 sub b en lid 2 sub b Fw (oud), nu blijkt dat [appellant] de rechtbank niet naar behoren heeft geïnformeerd, dat een deel van de schuldenlast bestaat uit een vordering die hij niet te goeder trouw heeft doen en/of laten ontstaan en dat deze schuld binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat [appellant] verwijtbaar heeft gehandeld door tijdens het toelatingsgesprek met de gerechtssecretaris op 28 juni 2007 onjuiste informatie te verstrekken over de periode waarin hij ten onrechte een Wwb-uitkering heeft ontvangen. In tegenstelling tot wat [appellant] beweert, is, zo overweegt de rechtbank, na onderzoek door de bewindvoerder gebleken dat [appellant] deze uitkering in de periode 2003-2004 heeft ontvangen. Indien deze informatie bekend was geweest vóór de datum van toepassing van de schuldsanering, zou de schuldsaneringsregeling niet van toepassing zijn verklaard ten aanzien van [appellant].

Gelet op deze omstandigheden en op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de beëindigingsvoordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank geconcludeerd tot toewijzing van die voordracht. Al hetgeen [appellant] meer of anders heeft aangevoerd, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.

4.3. [appellant] kan zich met dit vonnis niet verenigen en komt daarvan in beroep.

In het beroepschrift voert hij aan dat de bewindvoerder in haar verslag spreekt over een terugvordering van € 5.015,26 betreffende de genoten inkomsten over de periode 2003-2004. Uit de beslissing van de gemeente [gemeentenaam] van 2 mei 2006, verzonden op 30 maart 2006 en 16 mei 2006, blijkt dat het gaat om een terugvordering van € 1.806,50 bruto. Dit betreft slechts een bescheiden gedeelte van het totale bedrag aan vorderingen. [appellant] erkent dat hij over de bedoelde periodes ten onrechte geen melding heeft gemaakt van zijn inkomsten. Hij stelt echter dat hij destijds nog onvoldoende geïntegreerd was en deels afhankelijk was van hulp van derden. [appellant] stelt dat hij te lichtvaardig is afgegaan op de mededeling van de diverse werkgevers dat de relevante informatie al naar de gemeente [gemeentenaam] was verzonden. Volgens [appellant] hebben zich nadien geen problemen meer voorgedaan.

[appellant] stelt dat hij niet wist, althans niet besefte dat deze nadere informatie voor de rechtbank noodzakelijk was bij de beoordeling van zijn WSNP-aanvraag, temeer nu het ging om gebeurtenissen die vier jaar daarvoor hadden plaatsgevonden, en het naar zijn mening een incidentele omissie betreft.

[appellant] erkent dat hij weliswaar niet geheel te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van de vordering van de gemeente [gemeentenaam], maar vindt dat dit gelet op de beperkte omvang en in het licht van de overige omstandigheden onvoldoende reden oplevert voor het oordeel dat hij bij het bekend zijn van deze feiten en omstandigheden niet zou zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. [appellant] wijst erop dat het thans goed gaat, dat hij en zijn partner een gezamenlijke uitkering hebben en dat zich verder geen problemen hebben voorgedaan. [appellant] verzoekt dan ook om afwijzing van de voordracht van de rechter-commissaris en voortzetting van de regeling.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Op grond van artikel 350 lid 1 en lid 3 sub c en sub f Fw (nieuw) kan de schuldsaneringsregeling worden beëindigd, indien de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert of indien feiten of omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de regeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw.

4.4.2. Op grond van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, constateert het hof dat de door de uitkeringsinstantie en de gemeente [gemeentenaam] aan [appellant] en de bewindvoerder verschafte informatie vooralsnog niet eenduidig is. Hierdoor staat op dit moment niet méér vast dan dat er sprake is van een vordering van de gemeente op [appellant] van € 1.806,50 betreffende door hem in 2003 ten onrechte genoten Wwb-uitkering. Niet aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld aan de gemeente te goeder trouw is geweest. Bij beoordeling ingevolge artikel 350 lid 3, aanhef en sub f Fw in samenhang met artikel 288 lid 1, aanhef en sub b Fw wordt met betrekking tot het bedoelde niet te goeder trouw zijn van [appellant] een gedragsmaatstaf gehanteerd, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Het hof neemt in aanmerking dat de schuld aan de gemeente in 2003, derhalve vier jaar vóór de toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling, is ontstaan, dat deze schuld relatief beperkt van omvang is en dat ter zitting van het hof niet is gebleken van onregelmatigheden in het gedrag van [appellant] gedurende een langdurige periode vóór de toelatingsdatum.

Al met al acht het hof het feit dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van meergenoemde schuld aan de gemeente niet te goeder trouw is geweest onvoldoende voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw.

4.4.3. Het hof is anderzijds van oordeel dat [appellant] er ter zitting in hoger beroep onvoldoende blijk van heeft gegeven zich te realiseren dat hij zich tot het uiterste dient in te spannen om door middel van het verkrijgen van betaald werk baten voor de schuldeisers te genereren. De bewindvoerder heeft ter zitting ook verklaard dat [appellant] de inlichtingenplicht en de sollicitatieplicht nog onvoldoende nakomt. Gebleken is dat [appellant] niet aantoonbaar solliciteert en dat hij niet het eventueel voorhanden zijnde werk aanneemt. Daar staat weer tegenover dat hij geen nieuwe schulden heeft doen of laten ontstaan en dat hij de lopende betalingsregelingen nakomt. [appellant] blijkt thans te worden begeleid door maatschappelijk werk. Gelet op voornoemde omstandigheden, alles in onderlinge samenhang bezien, wil het hof [appellant] alsnog een laatste kans geven om zijn houding en gedrag onmiddellijk en ingrijpend te veranderen, in overeenstemming met de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling, en er blijk van te geven alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen correct na te komen, teneinde de ¬regeling tot een goed einde te brengen.

4.4.4. Vorenstaande brengt met zich dat het besteden vonnis zal worden vernietigd en dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] dient te worden voortgezet.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant].

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.