Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1292

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op grond van artikel 15b lid 1 jo. artikel 3 lid 1 Fw. Bekrachtiging. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem redelijkerwijs niet kan worden toegerekend dat hij niet binnen de termijn zijn verzoek heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

30 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701265

Zaaknummer eerste aanleg 164826/FT-RK 07.1763

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [de man],

procureur: mr. L.G.M. van Vugt-van Moorsel.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2007, waarvan de inhoud bij [de man] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 26 november 2007, heeft [de man] verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog zijn faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [de man], bijgestaan door zijn procureur;

- mr. T. Delmée namens mr. D.P. Schalken, de curator.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 12 november 2007;

- de brief met bijlagen van de procureur van [de man] d.d. 8 januari 2008;

- de brief met bijlagen van de curator d.d. 15 januari 2008.

2.4. Op 21 januari 2008 is ter griffie een faxbericht ingekomen van mr. Delmée. Het hof heeft de inhoud van dit faxbericht bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten, aangezien dit bericht ongevraagd na de sluiting van de mondelinge behandeling is ontvangen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1.1. [de man] is bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2006 failliet verklaard. Bij brief van 14 september 2007 heeft [de man] de rechtbank verzocht om opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toelating tot de schuldsaneringsregeling. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [de man] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

4.1.2. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 15b lid 1 jo. artikel 3 lid 1 Faillissementswet (Fw) overwogen dat [de man] wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet binnen de daartoe gestelde termijn een verzoekschrift heeft ingediend tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.

Volgens de rechtbank is niet gebleken dat er voor [de man] gegronde redenen waren die hem verhinderden om zijn verzoek binnen die termijn in te dienen.

[de man] kan zich met deze beschikking niet verenigen en komt hiervan in beroep.

4.2. [de man] heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij sinds 2000 psychische problemen heeft ondervonden en dat hij in december 2005 overspannen is geraakt en vervolgens een zwervend bestaan is gaan leiden. [de man] stelt dat zijn psychische toestand dusdanig was dat hij niet meer in staat was te beseffen wat er aan de hand was en hij alles op zijn beloop heeft gelaten. Hij is niet meer in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] geweest en hij heeft derhalve geen kennis genomen van de brief van de griffier van de rechtbank van 25 oktober 2006 noch van overige correspondentie met betrekking tot de faillissementsaanvraag en het vonnis tot faillietverklaring. [de man] stelt dat het hem gezien zijn psychische onvermogen destijds niet is toe te rekenen dat hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft ingediend. [de man] verzoekt het hof zijn verzoek alsnog te honoreren. Hierbij merkt hij op dat hij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van de schulden, nu hij deze is aangegaan in verband met zijn onderneming.

4.3. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.3.1. Het faillissement van [de man] is uitgesproken op verzoek van een van zijn schuldeisers. Een verzoek tot opheffing van dat faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan op grond van het bepaalde in artikel 15b lid 1 Fw worden toegewezen indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

4.3.2. Het hof is van oordeel dat [de man] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem redelijkerwijs niet kan worden toegerekend dat hij niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw zijn dit geding inleidende verzoek bij de rechtbank heeft ingediend.

Vast is komen te staan dat de griffier van de rechtbank het bericht als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw heeft toegezonden aan het adres waarop [de man] op dat moment stond ingeschreven in de GBA. Weliswaar heeft [de man] verklaard dat hij daar vanwege psychische omstandigheden al geruime tijd niet meer kwam en de voor hem bestemde post niet heeft afgehaald of laten afhalen, maar deze omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof aan hem toe te rekenen. Het is de verantwoordelijkheid van [de man] om - indien hij feitelijk niet woonachtig is op het adres waarop hij staat ingeschreven - te zorgen voor een deugdelijke voorziening, zodat post hem tijdig bereikt. Dit heeft hij echter nagelaten. Het feit dat hij daardoor geen kennis heeft genomen van enige correspondentie betreffende zijn faillissement komt voor zijn rekening en risico.

Hierbij komt dat [de man] zijn stelling dat de hiervoor bedoelde omstandigheden het gevolg zijn van zijn psychische toestand niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door [de man] overgelegde schriftelijke verklaring van zijn huisarts, [Y.], blijkt weliswaar dat [de man] in het verleden depressieve klachten heeft gehad, waarvoor hij is behandeld met medicatie, alsmede dat hij op 28 november 2007 wederom depressief was, maar [de man] heeft niet aan de hand van in rechte verifieerbare bescheiden aangetoond dat hij in de relevante periode in 2006 ernstig overspannen was.

Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat [de man] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek.

4.3.3. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.