Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1288

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

r.o. 4.3.2. De eerste periode van de schuldsaneringsregeling heeft partij weinig uren gewerkt, waardoor het inkomen beneden de bijstandsnorm voor een alleenstaande gelegen was. Partij had recht op (aanvullende) bijstand maar partij heeft die niet gekregen, omdat zij de aanvraag daartoe pas in een zeer laat stadium heeft ingediend en de daarvoor benodigde informatie onvoldoende heeft verstrekt. Partij heeft zich gedurende zeer lange tijd onvoldoende ingespannen voor het verkrijgen van (meer) betaalde arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AS

15 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701139

Zaaknummer eerste aanleg 05/323 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

procureur: mr. T.J.A. Winnubst.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 25 september 2007, waarvan de inhoud bij [appellante] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2007 heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2007 en 7 januari 2008. Bij die gelegenheden zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door haar advocaat mr. D.M. Terpstra, alsmede ter zitting van 7 januari 2008 tevens:

- mevrouw mr. E.A.M. van Uijthoven, de bewindvoerder;

- de heer S. Favié, maatschappelijk werker.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brieven van de bewindvoerder d.dis 30 oktober 2007 en 15 november 2007, met bijlagen;

- de brieven van de advocaat van [appellante] d.dis 12 november 2007 en 23 november 2007, met bijlagen;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 september 2007;

- het proces-verbaal van de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 26 november 2007.

2.4. Het beroepschrift van [appellante] is niet binnen de wettelijke termijn ontvangen. Omdat [appellante] stelde dat de rechtbank Breda tijdens de zitting geen uitspraakdatum heeft genoemd en dat het vonnis gedateerd 25 september 2007 haar niet eerder dan 5 oktober 2007 is uitgereikt, zodat haar naar haar mening de overschrijding van de termijn niet kan worden tegengeworpen, zijn om de ontvankelijkheid te kunnen vaststellen na aanhouding door het hof, op de nadere zitting van 7 januari 2008 eerst de bewindvoerder en de maatschappelijk werker, ieder afzonderlijk, als getuige gehoord. Beide getuigen hebben eenparig verklaard dat zij zich niet herinneren dat de rechtbank een concrete datum heeft genoemd waarop de rechtbank vonnis zou wijzen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van 6 juni 2005 is ten aanzien van [appellante] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.1.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op verzoek van de bewindvoerder d.d. 18 juni op voet van artikel 350, lid 3 sub c, Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, oordelende dat [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Het hof gaat ervan uit, dat de rechtbank met haar vaststelling dat [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen het oog heeft op de beëindigingsgrond als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c Fw (niet naar behoren nakomen) – nu het hier een tussentijdse beëindiging betreft, en leest het vonnis waarvan beroep in deze – verbeterde – zin.

4.1.2. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen, dat voldoende is komen vast te staan dat [appellante] gedurende ruim twee jaar niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting, terwijl [appellante] de rechtbank reeds op 22 augustus 2006 heeft toegezegd vanaf dat moment de bewindvoerder op correcte wijze te zullen voorzien van de benodigde informatie. Pas nadat de bewindvoerder in juni 2007 opnieuw een verzoek heeft gedaan om de regeling te beëindigen heeft [appellante] contact opgenomen met maatschappelijk werk, zonder overigens contact op te nemen met de bewindvoerder.

Ook met de hulp van maatschappelijk werk is volgens de rechtbank [appellante] nadien niet in staat gebleken volledig te voldoen aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

4.2. [appellante] kan zich met dit vonnis niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van dat beroep bespreken, aangezien het vonnis van de rechtbank gedateerd is 25 september 2007 en het beroepschrift op 12 oktober 2007 is ingekomen bij het hof.

Gelet op de verklaringen van de ter zitting van het hof van 7 januari 2008 gehoorde getuigen, die beiden aanwezig zijn geweest bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg door de rechtbank Breda (proces-verbaal zitting 18 september 2007), constateert het hof dat voldoende aannemelijk is geworden dat de rechtbank tijdens de zitting geen concrete uitspraakdatum heeft genoemd. Immers beide getuigen hebben, onafhankelijk van elkaar, verklaard zich niet te herinneren dat de rechtbank bij de mondelinge behandeling een datum van uitspraak heeft genoemd. De stelling van [appellante] dat zij – en pas door eigen navraag bij de rechtbank – niet eerder dan op 5 oktober 2007 in kennis werd gesteld van de uitspraak en ook pas op laatstgenoemde datum een exemplaar van het vonnis uitgereikt gekregen heeft, vindt daarin steun. Een en ander geeft het hof aanleiding de overschrijding van de beroepstermijn [appellante] niet aan te rekenen, zodat [appellante] – nu zij in ieder geval binnen 8 dagen na genoemde 5 oktober 2007 in beroep is gegaan – ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Daarmede komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

4.2.1. [appellante] heeft in het beroepschrift aangevoerd, dat zij haar verplichtingen in het kader van de schuldsanering naar behoren nakomt. In de beginperiode is dit mogelijk aan de ondergrens geweest van de noodzakelijke medewerking, maar naarmate de schuldsanering vorderde is in toenemende mate en overigens steeds naar behoren op verzoeken van de bewindvoerder geantwoord.

4.2.2. Hieraan heeft [appellante] ter zitting toegevoegd, dat zij zich inzet tot het verkrijgen van extra uren bij de Stichting Markenlanden, maar dat zij die uren tot nu toe nog niet toegewezen heeft gekregen. Samen met haar maatschappelijk werker neemt zij voorts iedere drie of vier weken de belangrijkste stukken door, waarna die gekopieerd en vervolgens, in een envelop van het maatschappelijk werk, verstuurd worden naar de bewindvoerder. Voor diverse ontstane nieuwe schulden zijn of worden volgens [appellante] regelingen getrokken.

4.2.3. De bewindvoerder heeft aangevoerd, dat zij door [appellante] altijd slecht is geïnformeerd. Uit de haar bekende stukken blijkt dat [appellante] gedurende een lange periode steeds gemiddeld 12 uur per week werkte en dat is onvoldoende, omdat [appellante] volgens de bewindvoerder in die periode in staat moest worden geacht gedurende meer uren per week te werken en zich onvoldoende heeft ingespannen om meer werk te krijgen.

De bewindvoerder heeft het afgelopen half jaar van [appellante] geen stukken ontvangen. Zij is van mening dat [appellante] dan ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in die periode maandelijks de bewindvoerder stukken heeft toegezonden. Het enige stuk dat zij ontvangen heeft dateert van 2 januari 2008. Van achterstand in de boedelafdrachten is overigens geen sprake.

4.3. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.3.1. Als maatstaf voor de vraag of grond bestaat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling geldt of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet voldoen aan de sollicitatie-/c.q. informatieplicht een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

4.3.2. Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking:

- [appellante] heeft ondanks herhaalde verzoeken de bewindvoerder onvoldoende geïnformeerd. Ook ter zitting in hoger beroep was bijvoorbeeld nog niet duidelijk hoeveel uren per week [appellante] feitelijk werkt;

- De eerste periode van de schuldsaneringsregeling heeft [appellante] weinig uren gewerkt, waardoor haar inkomen beneden de bijstandsnorm voor een alleenstaande gelegen was. [appellante] had recht op (aanvullende) bijstand maar [appellante] heeft die niet gekregen, omdat zij de aanvraag daartoe pas in een zeer laat stadium (augustus/september 2007) heeft ingediend en de daarvoor benodigde informatie onvoldoende heeft verstrekt;

- Van de betalingen van nieuwe schulden die [appellante] zegt te hebben verricht en de regelingen die zouden zijn getroffen zijn geen bewijzen overgelegd;

- [appellante] heeft zich gedurende zeer lange tijd onvoldoende ingespannen voor het verkrijgen van (meer) betaalde arbeid.

4.3.3. Op grond van deze omstandigheden is ook het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] beëindigd dient te worden.

4.4. Nu niet is gebleken dat er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, als bedoeld in art. 350 lid 5 Fw, zal het hof bepalen dat [appellante] niet van rechtswege in staat van faillissement verkeert zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

4.5. Omwille van de leesbaarheid zal het vonnis worden vernietigd en zal worden beslist als hierna te melden.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat [appellante] een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting niet naar behoren is nagekomen;

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 1.060,50, te vermeerderen met de verschotten ten bedrage van € 140,= en de gemaakte reiskosten ten bedrage van € 10,08 (alle genoemde bedragen exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting);

bepaalt dat [appellante] niet van rechtswege in staat van faillissement verkeert zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, de Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.