Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1272

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling ingevolge artikel 350 lid 1 en lid 3 en sub c en sub f Fw (nieuw) in samenhang met artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw (nieuw). Laakbare gedrag eenmalig, zij het ernstig, incident van geruime tijd vóór de toelatingsdatum. Onvoldoende grond voor beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

20 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701329

Zaaknummer eerste aanleg 07/325 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [X.],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 november 2007, waarvan de inhoud bij [appellante] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 november 2007, heeft [appellante] verzocht voorvermeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de schuld- saneringsregeling met gelijktijdige faillietverklaring af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door haar advocaat mr. J.W. Rauh;

- mevrouw A.M.A. Bouwens, de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 14 november 2007;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 25 januari 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 juli 2007 is ten aanzien van [appellante] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet (Fw) (oud) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 8 oktober 2007 beëindigd, nu [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de voordracht van de rechter-commissaris volgt dat uit het eerste verslag van de bewindvoerder is gebleken dat [appellante] in 2001 een Wwb-uitkering voor een alleenstaande van de gemeente ontving. Vervolgens raakte zij zwanger en is zij gaan samenwonen. De gemeente heeft hierop de uitkering stopgezet, maar destijds niets teruggevorderd. De uitkering is vanaf januari 2005 niet meer uitbetaald. In april 2005 heeft [appellante] opnieuw een uitkering aangevraagd. Ze heeft daarop in de periode van 29 mei 2005 tot en met 2 augustus 2005 voorschotten ontvangen ten bedrage van € 1.950,-. Haar aanvraag is in augustus 2005 afgewezen. De gemeente heeft vervolgens de voorschotten teruggevorderd. Voorts is de rechter-commissaris gebleken dat [appellante] niet voldeed aan haar informatieverplichting en dat zij weigerde mee te werken aan een huisbezoek. Deze laatste twee aspecten zijn met name kwalijk geoordeeld, aangezien een gedegen informatieverstrekking aan de bewindvoerder en het afleggen van een huisbezoek door de bewindvoerder ook in de schuldsaneringsregeling van groot belang zijn. [appellante] heeft het vorenstaande verzwegen tijdens het toelatingsgesprek met de gerechtssecretaris. Volgens de rechter-commissaris zijn deze omstandigheden dermate voor zichzelf sprekend en onoplosbaar dat [appellante] niet voor verhoor behoefde te worden opgeroepen. Het vorenstaande levert naar de opvatting van de rechter-commissaris een situatie op als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub c en d juncto artikel 288 lid 1 sub b en lid 2 sub b Fw (oud), nu blijkt dat [appellante] de rechtbank niet naar behoren heeft geïnformeerd, dat een deel van de schuldenlast bestaat uit een vordering die zij niet te goeder trouw heeft doen en/of laten ontstaan en dat deze schuld binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van [appellante] vóór de datum van toepassing van de schuldsanering de gegronde vrees rechtvaardigt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Dit heeft met name betrekking op de informatieverstrekking jegens de bewindvoerder. De stelling van [appellante] dat haar tijdens het toelatingsgesprek bij de rechtbank niets is gevraagd over de aan haar toegekende voorschotten in afwachting van een Wwb-uitkering in de periode mei 2005 tot en met augustus 2005 dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen, nu het op de weg van [appellante] lag om dergelijke informatie naar voren te brengen.

Gelet op deze omstandigheden en op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de beëindigingvoordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank geconcludeerd tot toewijzing van de voordracht. Al hetgeen [appellante] meer of anders heeft aangevoerd, heeft niet tot een ander oordeel van de rechtbank geleid.

4.3. [appellante] kan zich met dit vonnis niet verenigen en komt daarvan in beroep. In het beroepschrift stelt zij dat de rechtbank ten onrechte de schuldsaneringsregeling tussentijds heeft beëindigd, nu daartoe onvoldoende grond is. [appellante] voert aan dat het toegekende voorschot van € 1.950,- in een leenovereenkomst is vastgelegd met een terugbetalingsverplichting. Dit voorschot is op goede gronden aan haar verstrekt, nu zij geen inkomsten had. Volgens [appellante] was het de bedoeling dat zij aan de hand van de toekomstige maanduitkeringen zou terugbetalen. Dit kon zij echter niet, omdat de uitkering uiteindelijk niet aan haar is verstrekt. Bij het aangaan van de lening was zij zich er niet van bewust, en behoefde zij dat ook niet te zijn, dat zij mogelijk niet zou kunnen terugbetalen.

[appellante] voert voorts aan dat niet gesteld kan worden dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet zal nakomen. Gedurende de looptijd van de regeling hebben zich tot nog toe geen omstandigheden voorgedaan waaruit blijkt dat zij niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. [appellante] stelt dat zij niets te verbergen heeft en geenszins weigert informatie en medewerking te verlenen. Zij betwist dat zij heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek. Volgens haar verschenen de ambtenaren onverwachts op een tijdstip dat zij net ontwaakt was. [appellante] stelt dat culturele overwegingen haar verhinderden de ambtenaren onmiddellijk, voordat zij haar toilet had gemaakt, binnen te laten. [appellante] stelt voorts dat er geen algemene verplichting bestaat op grond waarvan zij bij de WSNP-aanvraag ten aanzien van elke schuld ongevraagd nadere informatie dient te verschaffen. Zij heeft naar haar zeggen de betreffende schuld opgegeven en de vragen naar eer en geweten beantwoord.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Op grond van artikel 350 lid 1 en lid 3 sub c en sub f Fw (nieuw) kan de schuldsaneringsregeling worden beëindigd, indien de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of laten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert of indien feiten of omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de regeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw.

4.4.2. Vast is komen te staan dat [appellante] schulden heeft aan de gemeente Sittard-Geleen, waaronder een schuld van tenminste € 1.950,- ter zake van door haar in 2005 ten onrechte genoten voorschotten in het kader van haar aanvraag Wwb-uitkering. Niet aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld aan de gemeente te goeder trouw is geweest. Voorts heeft zij nagelaten bij haar WSNP-aanvraag de achtergrond van deze schuld te vermelden. Naar het oordeel van het hof levert het vorenstaande evenwel in het licht van de overige omstandigheden onvoldoende grond op voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw, te meer nu deze schuld geruime tijd vóór de toelatingsdatum is ontstaan, het laakbare gedrag van [appellante] als een éénmalig, zij het ernstig, incident kan worden aangemerkt, nadien niet van onregelmatigheden in haar gedrag is gebleken en de betreffende schuld qua omvang relatief beperkt is.

4.4.3. Met de rechtbank rekent het hof [appellante] aan dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend en onvoldoende informatie heeft verschaft in het kader van het onderzoek in 2005 naar de vraag of zij in aanmerking kwam voor een Wwb-uitkering. Dit enkele feit brengt evenwel niet zonder meer met zich dat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de saneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [appellante] thans actief contact onderhoudt met de bewindvoerder en zich voldoende inspant om betaald werk te verkrijgen. De bewindvoerder heeft desgevraagd aangegeven dat zij er vertrouwen in heeft dat [appellante] bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling deze goed zal doorlopen. Voorts is vast komen te staan dat [appellante] geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan en dat zij voldoet aan de lopende betalings¬regelingen. Gebleken is dat zij thans begeleid wordt door maatschappelijk werk. Het hof is van oordeel dat [appellante] er aldus voldoende blijk van heeft gegeven in te zien welke inspanningen van haar verwacht worden om de regeling tot een goed einde te brengen.

4.4.4. Vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof met zich dat het besteden vonnis dient te worden vernietigd en dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] dient te worden voortgezet.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante].

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.