Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1265

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging vonnis van de rechtbank

Ingevolge artikel 288 lid 1, aanhef en sub b Fw (nieuw) wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Het hof overweegt dat de schulden die zijn ontstaan grotendeels van zakelijke oorsprong zijn en dat voldoende aannemelijk is geworden dat de thans bestaande en bekende schulden te goeder trouw zijn aangegaan. Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat saniet zijn onderneming begin 2007 heeft gestaakt en dat weliswaar alle aangiften tot en met 2006 zijn voldaan, maar van enige gedane aangifte van omzetbelasting en loonbelasting over 2007 blijkt niet, zodat (nog steeds) niet genoegzaam is voldaan aan de administratie- en aangifteplicht. Daaraan kent het hof ten deze een zwaarwegende betekenis toe. Immers dat brengt mede dat te verwachten valt dat saniet bij een eventuele toelating tot de regeling geconfronteerd zal worden met ambtshalve aanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BL

15 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701203

Zaaknummer eerste aanleg 177108/FT-RK 07.977

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. M. Stegeman.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 30 oktober 2007, waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 november 2007, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 januari 2008. Bij die gelegenheid is [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. D.M. Terpstra, gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 22 oktober 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 12 november 2007;

- het e-mail bericht van de heer [Y.], de voormalige boekhouder van [appellant], aan de advocaat van [appellant] d.d. 5 november 2007, ter zitting van het hof door de advocaat van [appellant] overgelegd;

- een intentieverklaring van de heer [Z.], de huidige werkgever van [appellant] van 6 november 2007, ter zitting van het hof door de advocaat van [appellant] overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de schuld¬saneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de ver¬klaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 27 juni 2007

€ 168.806,73, waaronder schulden aan Rechtnet Advocaten BV van in totaal € 44.338,15 en een schuld aan Solveon Incasso van € 37.519,29. In genoemde verklaring staat vermeld dat het minnelijke traject is mislukt, omdat er onvoldoende aflossingscapaciteit is. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellant] afgewezen.

4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b en lid 2 sub b Fw (oud) overwogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit die schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en dat aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

[appellant] is ten aanzien van zijn verplichtingen die voortvloeien uit het ondernemerschap in gebreke gebleven. Ondanks hoge bedragen die aan liquiditeit in korte tijd beschikbaar zijn gekomen heeft hij een hoge schuldenlast laten ontstaan. Er zijn buitensporige schulden aan adviseurs ontstaan die niet uit de normale exploitatie voldaan konden worden en derhalve niet te goeder trouw zijn ontstaan. [appellant] kan geen verklaring geven voor het ontbreken van de brief van de accountant waarom verzocht was. Evenmin toont hij anderszins aan dat jegens fiscus en bedrijfsvereniging is voldaan aan de aangifteplicht. Tenslotte heeft [appellant] medegedeeld zijn ondernemersactiviteit in naam van een kennis te zullen voortzetten. Hij geeft blijk van onvoldoende capaciteiten voor het ondernemerschap. Gelet op het voorgaande bestaat er thans gegronde vrees dat [appellant] tijdens de schuldsaneringsregeling de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.3. [appellant] kan zich met het vonnis en voornoemde beoordeling van de rechtbank niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] stelt dat hij begin 2002 is gestart met zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Vanaf begin 2004 is deze onderneming ondergebracht in een man/vrouw VOF die hij is aangegaan met zijn toenmalige echtgenote. In het verlengde van de echtscheiding tussen [appellant] en zijn medevennoot in 2005 is de VOF beëindigd en heeft [appellant] de onderneming als eenmanszaak voortgezet. De onderneming heeft als gevolg hiervan danig te lijden gehad. Bovendien brachten de echtscheiding en de beëindiging van de VOF substantiële kosten met zich. De financiële omstandigheden waren van dien aard dat [appellant] zich heeft gewend tot de Gemeente [gemeentenaam] voor een zelfstandigenkrediet, welk krediet op basis van een positief advies van het IMK door de gemeente is verstrekt. Ondanks de inzet van extra liquide middelen en arbeidsinspanning bleek de onderneming niet langer levensvatbaar en heeft [appellant] zijn ondernemingsactiviteiten met ingang van 23 maart 2007 gestaakt. Zowel [appellant] als zijn adviseurs waren in de veronderstelling dat de onderneming, ondanks de echtscheiding en beëindiging van de VOF, levensvatbaar zou zijn. Bovendien heeft [appellant] de echtscheiding en de ontvlechting niet op zijn beloop ge¬laten. [appellant] is dan ook van mening dat geen sprake is van het niet te goeder trouw aangaan en onbetaald laten van schulden. Voorst stelt [appellant] dat hij, ondanks het vorengaande, de afgelopen jaren wel in staat is gebleken een goede en winstgevende onderneming te voeren. Hij betwist dat hij zijn activiteiten in naam van een kennis zal voortzetten en stelt op basis van het vorengaande dat er geen gegronde vrees bestaat dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal nakomen, temeer nu hij met ingang van februari 2008 als kok in dienst zal treden van de heer [Z.]. Uit de e-mail van de boekhouder van 5 november 2007 blijkt bovendien dat alle administratie tot en met 2006 en ook het grootste gedeelte van 2007 tot en met februari is verwerkt en dat alle aangiften omzetbelasting en loonbelasting tot en met 2006 in principe door KME zijn gedaan.

4.4.1 Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.2. Ingevolge artikel 288 lid 1, aanhef en sub b Fw (nieuw) wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

4.4.3. Het hof overweegt dat de schulden die zijn ontstaan grotendeels van zakelijke oorsprong zijn en dat voldoende aannemelijk is geworden dat de thans bestaande en bekende schulden te goeder trouw zijn aangegaan. Hoewel er thans slechts een e-mail van de boekhouder is overgelegd, acht het hof dit uitblijven van uitvoeriger bericht op zichzelf niet zodanig ernstig, dat op die enkele grond toelating tot de schuldsaneringsregeling geweigerd zou moeten worden. Tevens is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Bovendien geeft de boekhouder in zijn e-mail van 5 novem¬ber 2007 aan dat hij van mening is dat [appellant] altijd te goeder trouw heeft gehandeld, maar dat hij voor de zakelijke kanten van zijn bedrijfsvoering te veel heeft vertrouwd op de verkeerde personen en instanties. Daarenboven zal [appellant] in de loop van februari 2008 in loondienst treden, hetgeen blijkt uit de intentieverklaring van de heer [Z.]. Ter zitting van het hof is evenwel komen vast te staan dat [appellant] zijn onderneming op 23 maart 2007 heeft gestaakt en dat weliswaar alle aangiften (omzetbelasting – overigens behoudens de suppletieaangifte omzetbelasting 2006 – en loonbelasting) tot en met 2006 zijn voldaan, zoals de boekhouder heeft laten weten, maar van enige gedane aangifte van omzetbelasting en loonbelasting over 2007 blijkt niet, zodat (nog steeds) niet genoegzaam is voldaan aan de administratie- en aangifteplicht. Daaraan kent het hof ten deze zwaarwegende en doorslaggevende betekenis toe. Immers dat brengt mede dat te verwachten valt dat [appellant] bij eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling geconfronteerd zal worden met ambtshalve aanslagen. Op grond van het vorengaande is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellant] thans afgewezen dient te worden.

4.4.4. Het hof merkt hierbij op dat [appellant] een administratie- en aangifteplicht heeft en dat wanneer hij ten spoedigste aan zijn verplichtingen zal voldoen, hij zich opnieuw tot de rechtbank kan wenden met een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

4.4.5. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met verbetering van gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van de gronden;

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.