Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1260

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
R200701184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

r.o. 4.4.1. Indien partij het advies van zijn huisarts terstond zou hebben opgevolgd zou al snel duidelijk zijn geworden dat hij niet aan een ernstige ziekte leed en zou hij niet gedurende enkele jaren, ten nadele van de belangen van zijn schuldeisers, zijn verplichtingen hebben veronachtzaamd. Het hof merkt op dat, in verband met de vraag of partij gedurende drie jaar consequent zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, ten aanzien waarvan algemeen bekend is dat deze niet licht zijn, naar behoren zal nakomen, partij bij door hem ondervonden tegenslagen in het leven blijkbaar gedurende een zeer lange periode en in ernstige mate zijn verplichtingen jegens derden heeft verwaarloosd.

r.o. 4.4.2. Partij heeft het hof, door het ontbreken van bescheiden, niet in staat gesteld om te beoordelen of wellicht toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in art. 288 lid 3 Fw (nieuw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AS

15 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701184

Zaaknummer eerste aanleg 81880 FT RK 07.536

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X.],

procureur: mr. A.T.L. van Zandvoort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Roermond, van 25 oktober 2007, waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 november 2007, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en ten aanzien van hem alsnog de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 januari 2008. Bij die gelegenheid is [appellant] gehoord, bijgestaan door zijn advocaat mr. K.G.J. Boddaert.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 24 oktober 2007;

- de fax van de procureur van [appellant] met bijlagen, ingekomen ter griffie d.d. 27 december 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsa¬ne¬rings¬regeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt € 450.351,54, blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 21 september 2007, waaronder € 429.067,- bij Belastingdienst Venlo, € 3.439,19 bij het Justitieel Incasso Bureau en € 4.611,68 bij de gemeente [gemeentenaam]. In genoemde verklaring wordt vermeld dat het minnelijke traject is mislukt, omdat Belastingdienst Venlo aandringt op aanvraag faillissement.

4.2.1. De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep het verzoek van [appellant] afgewezen. Zij heeft op de voet van artikel 288 lid 2 aanhef en sub b Fw (oud) overwogen dat [appellant] met betrekking tot het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest en op de voet van artikel 288 lid 1 sub b Fw (oud) overwogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit die schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De schulden zijn grotendeels ontstaan, doordat [appellant] onvoldoende de op hem, als ondernemer, rustende verplichtingen is nagekomen. Daarmee is [appellant] met betrekking tot het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw geweest. Voorts is [appellant] eerst tot het aanpakken van zijn schulden gekomen, nadat tegen hem een faillissements- verzoek aanhangig was gemaakt en hij door de rechtbank werd gewezen op de mogelijkheid van de WSNP.

4.3.1. [appellant] kan zich met het vonnis van de rechtbank en de beoordeling door de rechtbank niet verenigen en is daartegen in hoger beroep gekomen.

4.3.2. [appellant] heeft in het beroepschrift aangevoerd, dat zijn huidige uitzichtloze financiële situatie oorzaak vindt in zorgwekkende persoonlijke omstandigheden en een faillissement van een van zijn grote opdrachtgevers. Met het ontbreken van goede trouw heeft een en ander volgens hem niets te maken.

Als overigens al geoordeeld zou moeten worden dat [appellant] niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, geldt dat daarmee niet zonder meer gezegd is dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling achterwege dient te blijven. Bij de beoordeling van het verzoek dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden. De doelstelling van de WSNP is immers dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze situatie terecht zijn gekomen, onder omstandigheden de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen.

De vrees dat [appellant] niet aan de verplichtingen, die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, zal voldoen is ongegrond en moet los staan van de wijze waarop de schulden zijn ontstaan. Dat [appellant] door een bijzonder vervelende periode in zijn leven voor een niet te betalen schuldenlast is komen te staan, wil niet zeggen dat hij nooit meer in staat zal zijn om afspraken na te komen en inspanningen te leveren die van hem in het kader van de oplossing van zijn financiële problemen gevraagd worden.

[appellant] heeft zich daarnaast ruimschoots voordat tegen hem een faillissementsverzoek aanhangig was gemaakt en de rechtbank hem heeft gewezen op de mogelijkheid van de WSNP, tot de gemeente [gemeentenaam] gewend met het verzoek schuldhulp te verlenen. Een medewerkster van de gemeente [gemeentenaam] heeft op 5 december 2006 tijdens een gesprek met [appellant] geconcludeerd dat de gemeente niet in staat was de gewenste schuldhulpverlening te bieden, maar zou navraag doen bij een bedrijf in [plaatsnaam] dat zich speciaal heeft toegelegd op schuldhulpverlening aan ondernemers en voormalig ondernemers. Daarna hoorde [appellant] geruime tijd niets. Na het faillissementsverzoek is [appellant] zelf naar het betreffende bedrijf gereden, maar bleek daar niet bekend te zijn. Hij heeft op dat moment verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling, hoewel hij dat al geruime tijd daarvóór, bij de gemeente [gemeentenaam], had gedaan.

Uit de verklaring van 21 september 2007 van de schuldhulpverlener van de gemeente [gemeentenaam] blijkt bovendien dat [appellant] zijn afspraken goed is nagekomen en wordt de kans groot geacht dat hij het wettelijk traject doorloopt.

4.3.3. Hieraan heeft [appellant] ter zitting toegevoegd, dat het nu goed met hem gaat en dat de schulden aan het CJIB zijn betaald. Bewijzen daarvoor heeft hij niet meegebracht, omdat hij niet wist dat dat van hem verwacht werd. Hetzelfde geldt voor inzage in zijn financiële situatie van 2007 en voor wat betreft zijn financiële toekomstverwachtingen.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Ingevolge artikel 288, lid 1, aanhef en sub b Fw (nieuw) wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

[appellant] heeft in de toelatingsprocedure verklaard, kort samengevat, dat zijn vriendin hem in september 2003 heeft verlaten en dat hij een maand later vreesde dat hij een ernstige ziekte had. Zijn huisarts adviseerde hem zich nader in het ziekenhuis te laten onderzoeken, welk advies [appellant] niet eerder heeft opgevolgd dan tegen het eind van 2005. In de tussentijd dacht hij dat hij spoedig zou overlijden, heeft hij zichzelf verwaarloosd, liet hij nieuwe schulden (waaronder verkeersboetes) ontstaan, stelde hij zich onder behandeling bij een psychiater en raakte hij, mede als gevolg van zijn levenswijze waarbij hij zijn verplichtingen verwaarloosde, de boekhouding van zijn eenmanszaak definitief kwijt, als gevolg waarvan de fiscus hem een - in zijn ogen veel te hoge - ambtshalve aanslag van ruim € 429.000,-- oplegde. Overigens bleek eind 2005 de vrees dat hij aan een ernstige fatale ziekte leed ongegrond.

Reeds op grond van voornoemde eigen verklaring van [appellant] acht het hof onvoldoende aannemelijk dat hij ten aanzien van het ontstaan van het veruit het grootste deel van zijn omvangrijke schuldenlast te goeder trouw is geweest. Hierbij geldt dat [appellant] ter zitting in hoger beroep aan het hof niet duidelijk heeft kunnen maken waarom hij ruim twee jaar heeft gewacht met het opvolgen van het advies van zijn huisarts om zich in het ziekenhuis nader medisch te laten onderzoeken. Indien [appellant] dit advies aanstonds zou hebben opgevolgd, zou al snel duidelijk zijn geworden dat hij niet aan een ernstige ziekte leed en zou hij niet gedurende enkele jaren, ten nadele van de belangen van zijn schuldeisers, zijn verplichtingen hebben veronachtzaamd. Dat zijn handelen en nalaten in verband zouden staan met een psychische aandoening heeft [appellant] evenmin aannemelijk kunnen maken, waarbij wordt opgemerkt dat uit een in het geding gebrachte verklaring van psychologenpraktijk [Y.] d.d. 2 november 2007 blijkt dat [appellant] slechts van 14 maart tot 9 mei 2005, dus nog geen twee maanden, bij psycholoog mevrouw drs. [Z.] onder behandeling heeft gestaan.

Voorts merkt het hof op dat, in verband met de vraag of [appellant] gedurende drie jaar consequent zijn uit de schuld- saneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, ten aanzien waarvan algemeen bekend is dat deze niet licht zijn, naar behoren zal nakomen, [appellant] bij door hem ondervonden tegenslagen in het leven blijkbaar gedurende een zeer lange periode en in ernstige mate zijn verplichtingen jegens derden heeft verwaarloosd.

4.4.2. Artikel 288 lid 3 Fw (nieuw) bepaalt dat, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen.

In dat verband heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat het met hem sinds eind 2005 weer de goede kant is opgegaan, dat hij weer aan het werk is gegaan, dat hij het sindsdien zeer druk heeft gehad als tourmanager, geluidstechnicus en als elektricien. Met de inkomsten die hij weer genereert heeft hij schulden afgelost, waaronder schulden aan het CJIB, terwijl hij geen nieuwe schulden is aangegaan, zo stelt [appellant].

[appellant] heeft deze stellingen evenwel in het geheel niet met (financiële) bescheiden, zoals al dan niet tussentijdse of voorlopige verlies- en winstrekeningen, stukken waaruit de omvang van de door [appellant] bedoelde schulden blijkt, betalingsbewijzen, verklaringen van hulpverleners of behandelend artsen etc., onderbouwd. Aldus heeft [appellant] het hof niet in staat gesteld om te beoordelen of wellicht toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in art. 288 lid 3 Fw (nieuw). Bij deze stand van zaken kan de conclusie geen andere zijn dan dat niet voldoende aannemelijk is dat de in art. 288 lid 3 Fw (nieuw) bedoelde situatie zich met betrekking tot [appellant] thans voordoet.

Wanneer [appellant] in de toekomst in staat is om zijn stellingen met betrekking tot de verbeteringen in zijn persoonlijke situatie afdoende te onderbouwen, kan hij zich desgewenst met een nieuw verzoek tot toelating tot de schuldsanerings- regeling tot de rechtbank wenden.

4.4.3 Vorenstaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd met aanvulling van gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, de Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.