Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1210

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
R200800012-103.009.809-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging vonnis van de rechtbank

Uit het eerste lid van artikel IV Wijzigingswet Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, blijkt dat ten aanzien van de schulde¬naren op wie de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing is verklaard, het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet van toepassing blijft, totdat onherroepe¬lijk op het verzoek is beslist.

Nu saniet op 24 oktober 2007 voorlopig is toegelaten tot de schuldsane¬ringsregeling geldt ten aanzien van hem het oude recht.

Anders dan de rechtbank acht het hof het niet aannemelijk dat saniet niet aan zijn verplich¬tingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsre¬geling zal voldoen, op grond van de enkele omstandigheid dat hij niet aanwezig was bij de behande¬ling ter zitting van de rechtbank: saniet heeft voldoende aanne¬melijk ge¬maakt dat zijn afwezigheid ter zitting van de rechtbank op een misverstand berust¬te. Bovendien heeft hij ter zitting van het hof zijn hoger beroep op serieuze wijze toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 311

Uitspraak

BL

5 maart 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200800012/103.009.809/01

Zaaknummer eerste aanleg 07/976 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. ing. H.J.M. Smelt.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 januari 2008, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 januari 2008, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door zijn advocaat mr. ing. H.J.M. Smelt;

- mr. R.C.J. Theuns, de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de processen-verbaal van de behandelingen in eerste aanleg d.dis 24 oktober 2007 en 21 december 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van hem de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens een concept verklaring ex artikel 285 Faillisse¬mentswet (Fw) d.d. 6 december 2007 € 141.647,49, waaronder een schuld aan de Belastingdienst van € 75.000,-- en een schuld aan de ABN AMRO bank van € 14.100,--. Uit genoemde verklaring blijkt dat geen minnelijk traject doorlopen is omdat [X.] zelfstandig ondernemer is geweest.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b Fw (oud) over¬wogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [X.] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en er ge¬gronde vrees bestaat dat hij tijdens de toepassing van de schuldsa¬ne¬ringsre¬geling zijn uit die regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Nu [X.] op 21 december 2007 niet ter zitting is verschenen teneinde de rechtbank de nodige inlichtingen te verschaffen en het verzoekschrift nader toe te lichten, is de rechtbank onvoldoende in staat gesteld het verzoekschrift te beoor¬delen. Dientengevolge is de rechtbank van oordeel dat niet de verwachting bestaat dat [X.] zich aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal houden.

4.3.1. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [X.] stelt dat alle schulden te goeder trouw zijn ontstaan als gevolg van de teruglopende omzet van zijn onderneming (gestart in juni 2003). Uiteindelijk heeft de belastingdienst op 28 september 2007 zijn faillissement aangevraagd. [X.] stelt dat het merendeel van de schulden zakelijke schulden zijn en dat de overige schulden, zoals de schuld bij de CZ groep, hun oorzaak vinden in een tekort aan middelen door de ondernemings¬schulden. De huurschuld is volgens [X.] voldaan.

Voorts stelt [X.] dat het niet verschijnen op de zitting van de rechtbank van 21 december 2007 hem niet kan worden toegerekend daar dit naar zijn zeggen berust op mis¬com¬municatie tussen hem en de secretaresse van de bewindvoerder.

Ten slotte stelt [X.] dat er geen contra-indicaties aanwezig zijn die definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zouden staan. Zo stelt [X.] dat hij na de voorlopige toelating tot en met heden coöpera¬tief is ge¬weest en dat hij alle informa¬tie en bescheiden aan de bewindvoerder heeft doen toe¬komen. Daarnaast heeft hij aan zijn sollicitatieplicht voldaan nu hij per 19 novem¬ber 2007 in loondienst was bij [Y.] te [vestigingsplaats] en thans sinds 6 weken bij ASML te [vestigingsplaats]. Bovendien zal de echtgenote van [X.], met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, zo spoedig mogelijk bij de recht¬bank eveneens een verzoek tot toela¬ting tot de schuldsaneringsregeling indienen en gaan sollici¬teren naar een betrekking in loondienst.

4.3.2. De bewindvoerder stelt dat [X.] inderdaad na de voorlopige toelating tot de schuldsaneringsregeling informatie en administratie heeft over¬gelegd. Echter, er ontbreekt nog een aantal gegevens, zoals informatie over de inkomsten van [X.] vanaf 19 november 2007. De bewindvoerder is door het ontbreken van deze informatie niet in staat geweest de boedelbijdrage te berekenen, hetgeen met zich brengt dat er reeds een achterstand is ontstaan. Er zijn nog geen boedelbijdragen betaald. Ondanks het vorenstaande is de bewind¬voerder van mening dat [X.] voldoende aan zijn informatie¬plicht heeft voldaan.

Voorts stelt de bewindvoerder dat [X.] (soms iets te) voort¬varend te werk gaat. Zo heeft [X.] eigenhandig zijn auto’s verkocht voor een be¬drag van € 500,--, welk bedrag op de derdenrekening van de bewind¬voerder is ge¬stort. [X.] zal dergelijke stappen aan de bewindvoerder moeten overla¬ten of in ieder geval slechts in overleg met de bewindvoerder mogen ondernemen.

De bewindvoerder acht het aannemelijk dat [X.] gedurende de schuld¬saneringsregeling een redelijk bedrag voor zijn schuldeisers bij elkaar kan krijgen nu hij nog enige activa bezit en in loondienst werkzaam is.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Uit het eerste lid van artikel IV Wijzigingswet Faillissementswet in verband met herziening van de schuld- saneringsregeling natuurlijke personen, blijkt dat ten aanzien van de schuldenaren op wie de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing is verklaard, het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet van toepassing blijft, totdat onherroepelijk op het verzoek is beslist.

Nu [X.] op 24 oktober 2007 voorlopig is toegelaten tot de schuldsane¬ringsregeling geldt ten aanzien van hem het oude recht.

4.4.2. Artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Fw (oud) betreft een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze facultatieve afwijzingsgrond - waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan - gaat het om een gedragsmaatstaf, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

4.4.3. Het hof overweegt dat in dit hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat de schulden die zijn ontstaan grotendeels van zakelijke oorsprong zijn en dat niet is gebleken dat deze niet te goeder trouw zijn aangegaan. Ter zit¬ting van het hof heeft voorts de bewindvoerder gesteld dat [X.] vol¬doende invulling heeft gegeven aan zijn informatie- en sollicitatieplicht. Bovendien is het hof gebleken dat [X.] thans in loondienst werkzaam is en niet langer een eigen onderneming voert én dat ook zijn echtgenote voorne¬mens is de schuldsaneringsregeling aan te vragen en een betrekking in loon¬dienst te aanvaarden. Voorts is het hof van oordeel dat allerminst valt uit te sluiten dat de in de concept artikel 285 Fw verklaring opgeno¬men belastingschuld substantieel minder zal blijken, nu dit ambtshalve aanslagen zijn.

Anders dan de rechtbank acht het hof het niet aannemelijk dat [X.] niet aan zijn verplich¬tingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsre¬geling zal voldoen, op grond van de enkele omstandigheid dat hij niet aanwezig was bij de behande¬ling ter zitting van de rechtbank: [X.] heeft voldoende aanne¬melijk ge¬maakt dat zijn afwezigheid ter zitting van de rechtbank op een misverstand berust¬te. Bovendien heeft [X.] ter zitting van het hof zijn hoger beroep op serieuze wijze toegelicht.

Niet aannemelijk acht het hof voorts dat [X.] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest of dat er gegronde vrees bestaat dat [X.] tijdens de toepassing van de schuld¬saneringsregeling zal trachten schuldeisers te benadelen en/of de uit die schuldsa¬neringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de weigeringsgronden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling zich thans niet (langer) voordoen.

4.4.5. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden vernietigd. Nu de defini¬tieve toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep is uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 8 Fw (oud).

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant], wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [adres];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Klerk-Leenen, Van Etten en Gründemann en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 maart 2008 in tegen¬woordigheid van de griffier.