Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1206

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
20-004338-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ6525, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ6525
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 289 Sr.: 8 jaar en tbs voor moord in Maastricht (hamermoord).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004338-07

Uitspraak : 8 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 november 2007 in de strafzaak met parketnummer 03-703491-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Tilburg, HvB Koning Willem II te Tilburg.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met last dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en met teruggave van de onder nummers 21 tot en met 25 genoemde in beslag genomen voorwerpen en bewaring ten behoeve van de rechthebbende van al het overige.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen, met name voor wat betreft de opgelegde straf en maatregel, de overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf en maatregel en de overwegingen met betrekking tot het bewijs, alsmede voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hamer, in elk geval met een hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen en/of genoemde [slachtoffer] (vervolgens) een plastic zak, in elk geval een soortgelijk voorwerp, over het hoofd getrokken en/of (vervolgens) een snoer, althans een soortgelijk voorwerp om dat hoofd en/of die zak gebonden, in elk geval zodanige gewelddadige handeling jegens die [slachtoffer] heeft begaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hamer, in elk geval met een hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen en/of genoemde [slachtoffer] (vervolgens) een plastic zak, in elk geval een soortgelijk voorwerp, over het hoofd getrokken en/of (vervolgens) een snoer, althans een soortgelijk voorwerp om dat hoofd en/of die zak gebonden, in elk geval zodanige gewelddadige handelingen jegens die [slachtoffer] heeft begaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een personenauto (merk Mazda 323, kenteken [kenteken]) en/of autopapieren, identiteitskaart(en), (bank-)pasjes en/of een GSM en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hamer, in elk geval met een hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, en/of genoemde [slachtoffer] (vervolgens) een plastic zak, in elk geval een soortgelijk voorwerp, over het hoofd getrokken en/of (vervolgens) een snoer, althans een soortgelijk voorwerp om dat hoofd en/of die zak gebonden, in elk geval zodanige gewelddadige handelingen jegens die [slachtoffer] heeft begaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 augustus 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hamer meermalen op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen en genoemde [slachtoffer] vervolgens een plastic zak over het hoofd getrokken en vervolgens een snoer om dat hoofd en die zak gebonden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt alsdan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd, dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het hof is van oordeel, dat de door of namens verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing ter terechtzitting van verdachte, afwijkende bewijsmiddelen, te twijfelen.

Het hof voegt hier nog het navolgende aan toe.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd, dat uit de bewijsmiddelen niet af te leiden valt, dat verdachte met voorbedachten rade, opzettelijk, na een moment van kalm beraad en rustig overleg, tot handelen is overgegaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg alsmede in hoger beroep komt het hof tot de navolgende vaststelling van feiten:

Het doden van [slachtoffer], de vader van verdachte, heeft plaatsgevonden in de keuken van de woning. Verdachte heeft daartoe een vuisthamer gebruikt. Deze hamer was 1,8 kg zwaar en had een totale lengte van 35 centimeter. Met die hamer heeft verdachte meerdere malen op het hoofd van het slachtoffer geslagen waaronder een aantal keren toen het slachtoffer al op de grond lag. Er is met kracht geslagen. Vervolgens heeft verdachte een plastic vuilniszak afgescheurd van een rol en deze om het hoofd van het op de grond liggende slachtoffer geschoven. Tenslotte heeft verdachte deze plastic zak met een elektriciteitssnoer om het hoofd van het slachtoffer dichtgebonden. Verdachte heeft zich op zijn kamer omgekleed en is nog tot de volgende ochtend in de woning gebleven. Hulp voor het slachtoffer heeft hij niet ingeroepen.

Daarna is hij vanuit de woning vertrokken.

Verdachte heeft verklaard, dat hij vanuit zijn slaapkamer op de eerste verdieping de trap af is gelopen en in de keuken is uitgekomen. Zijn vader stond in de keuken tussen de bar en het aanrecht. In het verlengde van deze keuken bevindt zich de berging. Op 7 september 2006, direct na zijn aanhouding, heeft verdachte in zijn eerste verklaring gezegd, dat hij de hamer uit de berging heeft gehaald. In latere verklaringen komt hij hierop terug en zegt hij dat de hamer in een krantenbak in de keuken lag. Het hof zal, evenals de rechtbank aan deze latere verklaringen voorbij gaan en verdachte houden aan zijn eerste verklaring, die het hof op dit punt als het meest betrouwbaar beschouwt, nu hij deze direct na zijn aanhouding heeft afgelegd.

Op grond van deze verklaring, de ligging van de keuken en de berging in de woning en de positie van het slachtoffer in de keuken gaat het hof ervan uit, dat verdachte naar de berging is gelopen om daar de hamer te pakken. Daarna is hij naar de keuken teruggegaan om zijn vader te doden.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat “voorbedachten rade” een term is die bedoeld is om het tegenovergestelde van een “ogenblikkelijke gemoedsopwelling” aan te duiden. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister gezegd, dat ook degene die het voornemen in een hevige gemoedsbeweging opvat, maar dat vervolgens in koelen bloede uitvoert, met voorbedachte raad handelt.

Voor het bewijs van de voorbedachte raad is reeds voldoende, dat vaststaat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij is niet van belang of die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.

Het feit dat verdachte de berging is ingelopen, de hamer heeft gepakt, daarmee is teruggegaan naar de keuken en toen heeft toegeslagen, heeft aan verdachte een korte tijdsspanne gegeven, gedurende welke hij zich zou hebben kunnen beraden op zijn voorgenomen daad.

Daarnaast leidt het hof, evenals de rechtbank het bestaan van de voorbedachte raad af uit de wijze waarop het delict is gepleegd. Het slachtoffer is immers meerdere keren met een zware hamer geslagen. Aanvankelijk toen het slachtoffer nog stond, maar ook nadat hij al op de grond was gevallen. Daarbij heeft verdachte met kracht met de zware hamer op het achterhoofd van het op de grond liggende slachtoffer ingeslagen. Vervolgens is verdachte een plastic zak en een elektriciteitssnoer gaan halen en heeft hij de zak om het hoofd van het slachtoffer getrokken. Tenslotte heeft hij deze zak met het elektriciteitssnoer dichtgebonden.

Het hof leidt hieruit af, dat er dus ook tijdens het uitvoeren van het delict momenten zijn geweest waarop verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof komt dan ook, evenals de rechtbank, tot de conclusie, dat verdachte niet alleen met opzet heeft gehandeld, maar tevens ook met voorbedachten rade, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard.

Het verweer wordt mitsdien - in al haar onderdelen - verworpen.

Voor zover de raadsman in zijn betoog bedoeld heeft te stellen, dat het niet toegestaan is tussen verschillende - tegenstrijdige - verklaringen van één en dezelfde persoon een keus te maken, wordt dit verweer verworpen. Het aldus verwoorde standpunt vindt geen steun in het recht. Voor zover de raadsman in zijn betoog bedoeld heeft te stellen, dat alleen de verklaring van verdachte onvoldoende is voor het vaststellen van het onderdeel “voorbedachten rade” wordt ook dit verweer verworpen. Ook dit standpunt vindt geen steun in het recht.

Aan een bespreking van het verweer met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde komt het hof, gelet op de bewezenverklaring, niet toe.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid wordt verwezen naar het overwogene onder het kopje “Op te leggen straf en maatregel”. Het hof verenigt zich ook ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte met de vermelde conclusies en met de gestelde adviezen en maakt deze - voor zover de strafbaarheid van verdachte betreffend - tot de zijne.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf en maatregel welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en;

- het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde.

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft het hof in het bijzonder gelet op het navolgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn vader die hem belangeloos bij hem in huis had opgenomen. Moord is een van de ergste delicten uit het Wetboek van Strafrecht vanwege de zeer ingrijpende en onomkeerbare gevolgen van de daad.

Verdachte heeft zelf weinig inzicht verschaft in de wijze waarop de moord precies is gebeurd. Uit het dossier is echter wel duidelijk geworden dat deze op brute wijze heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft immers zijn vader met grote kracht met een zware hamer meerdere malen op het hoofd geslagen en heeft hem daarna, in plaats van de benodigde hulp te bieden, een plastic zak over het hoofd geschoven en deze zak strak om het hoofd dichtgebonden. Dit alles heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, een plaats waar het slachtoffer bij uitstek veilig geweest had moeten zijn.

In tegenstelling tot de vraag hoe de moord is gebeurd, blijft de vraag naar het motief onbeantwoord. Verdachte heeft daarvoor twee heel afwijkende beweegredenen gegeven, die beiden moeilijk tot niet invoelbaar zijn. Een derde mogelijkheid, onenigheid over het gebruik van de auto van vader, wordt door verdachte categorisch van de hand gewezen. Hiervoor zijn echter wel degelijk aanwijzingen in het dossier aanwezig. Een doorslaggevend antwoord op de vraag waarom heeft het hof echter niet kunnen vaststellen.

Deze onduidelijkheid zal de daad voor de familie nog onbevattelijker maken. De broer en de zus van verdachte zullen voorts moeten leven met het nauwelijks te bevatten feit dat hun broer hun vader heeft gedood. En zijn dochtertje met het besef dat het haar vader is geweest, die haar opa heeft gedood.

Ook rekent het hof het verdachte aan, dat hij zich na zijn daad de auto en diverse betaalmiddelen van zijn vader heeft toegeëigend. Hij is hiermee naar diverse hotels gegaan en heeft escortdames laten komen. Ook heeft hij een bordeel bezocht. Pas toen het geld van zijn vader nagenoeg op was, heeft hij zich (via een vriendin) bij de politie aangegeven. Enig teken van berouw over zijn daad kan het hof uit dit handelen niet afleiden. Verder heeft het hof ten aanzien van de op te leggen straf meegewogen, dat ook de samenleving door de bovenstaande feiten ernstig is geschokt.

Het hof ziet in het feit, dat hij navolgende maatregel zal opleggen, waarvan de duur doorgaans zeer aanzienlijk is, aanleiding een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.

Bij de straftoemeting en bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof voorts met name gelet op de inhoud van de rapportages van J. Loerakker psychiater en vast gerechtelijk deskundige en P.E. Geurkink, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige welke rapportages zijn vastgelegd in een (gezamenlijk) rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 25 mei 2007 welk rapport - onder meer - als conclusie vermeldt:

- Wij zijn van mening, dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

- In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden, dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanig ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Tevens wordt in voormeld rapport door de psycholoog P.E. Geurkink op bladzijde 36 het navolgende medegedeeld:

- psychodiagnostisch is er sprake van een autismespectrumstoornis in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis (niet anders omschreven). Verder is sprake van alcoholmisbruik, dat nu in remissie is door gedwongen onthouding.

Voorts wordt in voormeld rapport met betrekking tot verdachte het navolgende vermeld:

Gelet op de aard en de ernst van de stoornis, in het bijzonder betrokkene's beperkte probleemoplossende vermogens en zijn onvermogen om te anticiperen en generaliserend te leren uit eerdere ervaringen, moet zonder structuur van buitenaf de kans op herhaling van een agressief delict, zij het niet acuut, aanwezig worden geacht. Het eventuele slachtoffer zou degene zijn van wie betrokkene zich afhankelijk voelt en die om (haar) eigen reden geen steun meer wil zijn voor betrokkene. Betrokkene zal door zijn gebrek aan zicht op zijn problematiek de wens om weer met een vrouw een gezin te vormen blijven najagen. Deze nieuwe relatie loopt daarbij in de toekomst evenzeer gevaar als vader. Met name als de ander de relatie wil verbreken en betrokkene geen direct alternatief heeft, kan zijn problematiek weer escaleren en directe fysieke agressie kan dan niet worden uitgesloten.

De ernst van de stoornis en het gebrek aan ziekte-inzicht bij betrokkene brengen naar ons oordeel met zich mee dat een behandeling slechts klinisch en binnen een langdurig juridisch kader zou kunnen plaatsvinden. Wij adviseren Uw College daarom tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, met bevel tot verpleging van overheidswege. (….).

De raadsman van verdachte heeft de bovenstaande conclusies van het PBC zowel in eerste aanleg, alsook in hoger beroep bestreden. Hiertoe heeft de raadsman - kort samengevat - aangevoerd, dat het voornoemde rapport van het PBC de conclusies en het advies tot het opleggen van de maatregel TBS met dwangverpleging vanwege het recidivegevaar niet kan dragen .Er is bij nadere beschouwing onvoldoende overtuiging uit dit rapport te krijgen. De verdediging is van mening dat de rapportage om de in de pleitnota genoemde redenen zou moeten worden genegeerd; er zitten teveel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in.

In dit verband heeft de raadsman er onder meer op gewezen, dat het subjectieve oordeel van de rapporteurs onvoldoende toetsbaar, onnavolgbaar en door de manier van rapporteren onvoldoende onderbouwd is. Voorts heeft de raadsman onder meer betoogd, dat het verwachtingseffect een te grote invloed heeft gehad op de bevindingen van de rapporteurs, waarbij ook nog sprake is geweest van voorbarig getrokken conclusies (zogenaamde ‘confirmation bias’). Evenmin zijn de beschouwingen te herleiden naar de eerdere onderzoeksgegevens.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof geeft het rapport op een heldere en consistente wijze inzicht in de persoon van verdachte en zijn persoonlijkheidsproblematiek. De conclusies van het PBC vloeien logisch voort uit de bevindingen zoals die in het rapport staan vermeld. Daarbij merkt het hof nog op dat de twee deskundigen die voorafgaand aan het PBC hebben gerapporteerd en verdachte ook hebben gesproken te weten A.F.J.M. Zwegers, psycholoog en dr. C.E.P Dillen, psychiater, na lezing van het rapport van het PBC als hun mening hebben kenbaar gemaakt, dat zij zich in deze conclusies kunnen vinden. Dat zij eerder tot andere bevindingen zijn gekomen, wijten zij met name aan de veel kortere periode, enkele uren, gedurende welke zij contact met verdachte hebben gehad, terwijl het PBC hem een aantal weken heeft kunnen observeren.

Het hof verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport van het PBC gegeven conclusie en met de gestelde adviezen en maakt deze mitsdien tot de zijne.

De verdachte is aldus strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Het primair bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Dit feit is door verdachte begaan vanuit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De algemene veiligheid van personen eist de oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling van de verdachte, alsmede dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt bovendien opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, alsmede de inhoud van de voornoemde rapportages van de deskundigen Zwegers en Dillen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht.

Het hof ziet - anders dan de advocaat generaal - geen aanleiding om in de uitspraak een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen.

Het hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort, strafmaat en maatregel het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen geregistreerd onder nummer 24 en 25 moeten worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

Moord

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan [rechthebbende] van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een gebroken simkaart KPN (24) en een simkaart [rechthebbende] (25) .

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een zwart lederen herenbeurs met daarin diverse pasjes (1)

- een regionale afvalpas voor [adres] 47, (2)

- een ANWB pas 2006 op naam van [slachtoffer] (3)

- een zorgpas VGZ op naam van [slachtoffer] (4)

- een tweede zorgpas VGZ op naam van [slachtoffer] (5)

- een ponsplaat AZM, [slachtoffer] (6)

- een memobrief op naam van [naam], [adres], Bentelo (7)

- een bankpas SNS, [slachtoffer] (8)

- een bankpas SNS, [slachtoffer] (9)

- een memobrief PGB 9269 Prive 1366 Victoria 7834 (10)

- een memo met opdruk Bavaria, tekst: mary-louse[geheim] (11)

- een gsm, merk Nokia (12)

- een uitdraai routeplanner, bestemming Heytsveld Gemert (13)

- een reçu van Domian te Bakel (14)

- een sleutelbos met twee sleutels en een locker, Hotel [naam], Bakel (15)

- een zwart etui met kentekenbewijs en rijbewijs [slachtoffer] (16)

- een grijs etui met agenda en bescheiden (17)

- een kleine zwarte beurs (18)

- een zwarte beurs met enkele pasjes (19)

- een groene personenauto, Mazda 323 sedan, [kenteken] (20).

Aldus gewezen door

mr. W. van Nierop, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Sampat, griffier,

en op 8 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.