Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0913

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
20-000550-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juridisch kader van de opname van verdachte in een kliniek / voorwaardelijke ISD-maatregel

In eerste aanleg is verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd. Het hof heeft de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst onder de voorwaarde dat verdachte zich zou laten opnemen in een kliniek. Aldus is geschied.

Het hof is, met verdachte, de raadsman en de advocaat-generaal, van oordeel dat bij de afdoening van de zaak de opname in de kliniek gecontinueerd moet worden.

Het hof geeft er de voorkeur aan dit te realiseren door middel van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke ISD-maatregel. Echter, nu de advocaat-generaal geen ISD-maatregel heeft gevorderd, staat die weg - gelet op het bepaalde in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht - niet open.

De advocaat-generaal vorderde 6 maanden gevangenisstraf met aftrek, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzonder voorwaarde voortzetting van de opname in de kliniek. Nu verdachte al meer dan 1 jaar in voorarrest had doorgebracht, zou naar het oordeel van het hof door de aftrek van dat voorarrest geen periode van voorwaardelijke gevangenisstraf resteren, zodat het beoogde doel (voortzetting van de opname in de kliniek) op die wijze niet kon worden afgedwongen.

Daarom resteerde naar het oordeel van het hof slechts de door de raadsman geopperde mogelijkheid om de proeftijd van een eerdere veroordeling, waarvan de tenuitvoerlegging was gevorderd, te verlengen, met gelijktijdige wijziging van de gestelde bijzondere voorwaarden, in die zin dat veroordeelde zich zal laten opnemen voor behandeling in de kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000550-07

Uitspraak : 20 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2007, parketnummer 01-845332-06 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-845153-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

verblijvende op het adres [adres kliniek], te [woonplaats] ([kliniek]).

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 4 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen verdachte onder 1, 2 en 4 is tenlastegelegd, en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een verblijf in de [kliniek] en toezicht door de reclassering, het verlengen van de proeftijd voor de duur van 1 jaar ten aanzien van de gevorderde tenuitvoerlegging, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover thans nog van belang - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 15 september 2006 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een fles/blik) parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [Slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2.

zij op of omstreeks 09 april 2006 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] (medewerker van tankstation [slachtoffer 2]) heeft bewogen tot de afgifte van geld (32 euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als eigenaar van een kan [naam] olie, welke zij - verdachte - wilde ruilen voor geld, waardoor [betrokkene 1] (een medewerker van tankstation [slachtoffer 2]) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 september 2005 tot en met 5 september 2005 te 's-Hertogenbosch (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] (eigenaar van en/of medewerker bij [slachtoffer 3]) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een tas uit/van [slachtoffer 3] gepakt en/of zich naar de kassa begeven en/of zich voorgedaan als eigenaar van een of meer tas(sen), welke zij, verdachte, wilde ruilen voor geld, waardoor [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]

(eigenaar van en/of medewerker bij [slachtoffer 3]) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 15 september 2006 te ’s-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blik parfum, toebehorende aan de [Slachtoffer 1].

2.

zij op 9 april 2006 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] (medewerker van tankstation [slachtoffer 2]) heeft bewogen tot de afgifte van geld (32 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als eigenaar van een kan [naam] olie, welke zij – verdachte – wilde ruilen voor geld, waardoor [betrokkene 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

4.

zij op tijdstippen op 5 september 2005 te ’s-Hertogenbosch telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] (eigenaar van respectievelijk medewerker bij [slachtoffer 3]) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – zich voorgedaan als eigenaar van een tas welke zij, verdachte, wilde omruilen voor geld, waardoor [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] telkens werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof overweegt nog het navolgende.

Feit 1.

Verdachte ontkent de tenlastegelegde diefstal van parfum.

Het hof overweegt het volgende.

Uit een geschrift van [Betrokkene 5], beveiligingsbeambte, blijkt dat hij op 15 september 2006 verdachte in de gaten hield middels het camerasysteem van de [Slachtoffer 1] te ‘s-Hertogenbosch. Hij ziet dat verdachte een blik parfum pakte bij de parfumerieafdeling en dit blik weg stopt, vermoedelijk in haar tas. Vervolgens loopt verdachte naar de kledingafdeling, alwaar zij een paskamer in loopt. Wanneer ze de paskamer uitloopt begeeft verdachte zich naar een kledingrek, alwaar ze iets met haar handen doet.

Wanneer [Betrokkene 5] verdachte aanspreekt, blijkt zij een blik parfum in haar tas te hebben. De verpakking van het blik parfum inclusief de beveiligingsstrip treft [Betrokkene 5] aan op de plek waar verdachte had gestaan (het hof begrijpt: bij het kledingrek).

De camerabeelden zijn vervolgens bekeken door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die de bevindingen van [Betrokkene 5] bevestigen. Ook verbalisant [verbalisant 3] komt tot dezelfde waarneming na het bekijken van de videobeelden .

Het hof leidt hieruit af dat verdachte een blik parfum van het schap heeft gehaald, dit blik niet heeft teruggelegd, zich naar een kledingrek heeft begeven waar zij haar handen in stak, dat een blik parfum is aangetroffen in de tas van de verdachte en dat de verpakking van een blik parfum inclusief de veiligheidsstrip is aangetroffen in het kledingrek waar verdachte haar handen in stak. Het hof acht op vorenstaande gronden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij het blik parfum dat in haar tas werd aangetroffen van buiten de winkel had binnengebracht teneinde de prijs in de [Slachtoffer 1] te vergelijken met soortgelijke blikken parfum. In de [Slachtoffer 1] heeft zij een blik uit het schap gepakt, naar de prijs gekeken en dit blik later bij de roltrappen weggelegd, aldus verdachte.

Desgevraagd kon verdachte geen antwoord geven op de vraag waarom zij – indien zij slechts een blik heeft gepakt teneinde de prijs van een blik parfum te bekijken – dit blik niet heeft teruggelegd in het schap.

Het hof acht daarom de verklaring van verdachte dat zij een blik parfum van buiten de winkel heeft binnengebracht niet aannemelijk

Feit 4.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 oktober 2007 ontkend dit feit te hebben gepleegd.

Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het onduidelijk is hoeveel tassen zijn betrokken bij het onderhavige feit, en of de gang van zaken in de tassenwinkel het karakter van oplichting draagt.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de aangifte van [betrokkene 2] blijkt dat verdachte op 5 september 2005 de winkel [slachtoffer 3] is binnengegaan alwaar zij de verkoper heeft medegedeeld dat zij met een andere verkoper had afgesproken dat zij zonder winkelbon een tas mocht terugbrengen, waarna zij een geldbedrag van EUR 61,- heeft terugontvangen. Later bleek de tas bleek niet door de winkel te zijn verkocht. Vervolgens heeft verdachte op dezelfde dag opnieuw genoemde winkel betreden alwaar zij een tas heeft ingeruild, terwijl zij mededeelde dat ze geen bon had maar dat zij de ontbrekende bon de volgende dag zou komen brengen. Zij heeft toen een geldbedrag van EUR 179,- ontvangen. Later bleek de betreffende tas bleek echter niet door de winkel te zijn verkocht.

Deze aangifte van [betrokkene 2] wordt bevestigd door de verklaring van [betrokkene 4] .

De handelwijze van de verdachte komt er dus op neer dat zij een tas uit de winkelvoorraad heeft gepakt en tegen de verkoper heeft verklaard dat deze tas eerder is gekocht en afgerekend, maar nu de tas wil teruggeven tegen restitutie van de koopprijs, hoewel ze de aankoopbon niet bij zich had.

Het hof is derhalve van oordeel dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326 (oud) juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Gedurende de behandeling in hoger beroep is door de verdediging een alternatief aangedragen voor de door de eerste rechter opgelegde onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Met instemming van advocaat-generaal heeft verdachte zich krachtens een daartoe strekkende voorwaarde, gesteld in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis laten opnemen in de [kliniek], onderdeel van de GGZ te [woonplaats]. Zij ondergaat aldaar een behandeling.

Het hof is met de verdachte en haar raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat de opname van verdachte in [kliniek] gecontinueerd moet worden.

Met betrekking tot het juridisch kader waarin de behandeling in [kliniek] dwingend kan worden opgelegd, overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft de voorkeur voor een voorwaardelijk op te leggen ISD-maatregel met een proeftijd van 3 jaren, aangezien dit het zwaarste drukmiddel is om de verdachte ertoe te brengen de behandeling vrijwillig te ondergaan. Aan de wettelijke voorwaarden om de ISD-maatregel te kunnen opleggen is voldaan. Echter, vanwege het bepaalde in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een (voorwaardelijke) ISD-maatregel niet worden opgelegd indien het openbaar ministerie deze maatregel niet heeft gevorderd.

De advocaat-generaal heeft geen ISD-maatregel gevorderd, maar een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden behandeling in [kliniek] en reclasseringstoezicht, om een strafrechtelijk kader te bieden voor de behandeling van verdachte.

Het hof zal niet kiezen voor de door de advocaat-generaal gevorderde afdoeningsmogelijkheid, nu verdachte reeds op 15 september 2006 in verzekering is gesteld en zich tot de schorsing door het hof met ingang van 7 januari 2008, in voorlopige hechtenis heeft bevonden (behoudens een schorsing van 27 september 2006 tot 20 oktober 2006 en van 24 december 2007 tot 26 december 2007). Verdachte heeft derhalve meer dan één jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Indien het hof de vordering van de advocaat-generaal zou volgen, zou door de aftrek van voorarrest geen periode van voorwaardelijke gevangenisstraf resteren, en derhalve geen strafrechtelijk kader geboden kunnen worden voor de continuering van de behandeling van verdachte in [kliniek].

Verdachtes raadsman heeft voorgesteld een strafrechtelijk kader voor de behandeling in [kliniek] te bewerkstellingen door de onder parketnummer 01-845153-06 gevorderde tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 62 dagen niet toe te wijzen, doch de proeftijd hiervan te verlengen voor de duur van één jaar.

Het hof is van oordeel dat, nu een strafrechtelijk kader voor de behandeling in [kliniek] middels de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel of een voorwaardelijke gevangenisstraf niet kan worden bewerkstelligd, slechts de door de raadsman geopperde mogelijkheid resteert. Het hof zal daarom de proeftijd van de bij vonnis van 10 augustus 2006 voorwaardelijk opgelegde straf verlengen met één jaar en voorts de in dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden wijzigen als hierna te melden.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 8 maanden met zich brengt. Deze gevangenisstraf is hoger dan door de advocaat-generaal gevorderd. Daarbij is rekening gehouden met:

• de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

• de omstandigheid dat de verdachte reeds veelvuldig wegens soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld tot taakstraffen en gevangenisstraffen (in 2000, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006) en dit verdachte niet heeft weerhouden van het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten;

• het feit dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd tijdens een haar opgelegde proeftijd.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Gezien hetgeen hierboven onder de strafmaatoverweging is opgenomen, is het hof van oordeel dat op de vordering van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2006 tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 augustus 2006 onder parketnummer 01-845153-06 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 62 dagen moet worden beslist dat de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar wordt verlengd en dat de in het vonnis genoemde bijzondere voorwaarden dienen te worden gewijzigd als hierna te melden.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 271,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen aangezien de eerste rechter van oordeel was dat er geen overeenstemming bestond tussen de in de aangifte genoemde bedrag (totaal EUR 240,-) en het gevorderde bedrag.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep per brief (ingekomen op 19 juli 2007) aangegeven de vordering in eerste aanleg te handhaven tot het bedrag van de reeds ingediende vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [betrokkene 2] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht van de in de aangifte genoemde bedragen van EUR 61,- en EUR 179,- (de geldbedragen die zijn afgegeven voor de tassen), derhalve in totaal EUR 240,-.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14f, 24c, 36f, 57, 63, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde oplevert:

1: Diefstal.

2: Oplichting.

3: Oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 240,00 (tweehonderdveertig euro).

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [betrokkene 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [betrokkene 2], wonende te [adres], [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 240,00 (tweehonderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de meervoudige kamer te 's-Hertogenbosch van 10 augustus 2006 onder parketnummer 01-845153-06 met een termijn van 1 (een) jaar.

Wijzigt de in genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarden als volgt:

1. dat veroordeelde zich zal laten opnemen voor behandeling in de [kliniek] te [woonplaats] en daar zal verblijven zolang de behandelaars zulks noodzakelijk achten, doch niet langer dan tot het einde van de proeftijd;

2. dat veroordeelde zich zal houden aan het door de behandelaars van [kliniek] opgestelde behandelplan, doch niet langer dan tot het einde van de proeftijd;

3. dat veroordeelde na ontslag uit de [kliniek] zal deelnemen aan een ambulante behandeling, voor zover en zo lang de behandelaars zulks nodig achten, doch niet langer dan tot het einde van de proeftijd;

4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal houden aan de aanwijzingen, door of namens de Stichting Reclassering Nederland te geven.

Geeft de Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. J.C.A.M. Claassens,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoekstra, griffier,

en op 20 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.