Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0910

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
20-003402-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak terzake belastingfraude Wet BPM. Nu aan verdachte geen uitnodiging is gedaan tot het doen van aangifte maar direct een naheffingsaanslag is opgelegd, komt het hof niet tot bewezenverklaring van het, op art. 69 AWR toegesneden, ten laste gelegde.

Verweren ter zake van ontvankelijkheid openbaar ministerie verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1015
NJFS 2008, 135

Uitspraak

Parketnummer: 20-003402-06

Uitspraak : 15 april 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juni 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-840132-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [woonplaats][adres], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2005 tot en met 19 april 2005 te Veghel en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) ingevolge de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, niet heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat er geen, dan wel te weinig belasting werd geheven;

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Daartoe is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

- Er is in strijd met het gelijkheidsbeginsel een vervolging ingesteld tegen verdachte nu (ook) zijn vader niet is vervolgd.

- Aan verdachte had een mogelijkheid tot herstel geboden moeten worden gelet op het herstelbeleid als bedoeld in het Besluit van de staatssecretaris van 13 december 2002, nr. CPP2002/1574M.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

B.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

- Op dinsdag 19 april 2005 is verdachte, als bestuurder gebruikmakend van de openbare weg, aangetroffen in een personenauto van het merk[kenteken]

- Uit informatie van de gemeente[gemeente]blijkt dat verdachte per 10 februari 2005 is uitgeschreven uit [gemeente] op het [adres] onder vermelding “vertrokken naar Denemarken”.

- Verdachte verklaart ten overstaan van de politie en de douane wisselend over zijn verblijfplaats (Denemarken en Duitsland) en kan geen feitelijk adres noemen in één van deze landen.

- Op vragen van de politie verklaart verdachte dat hij de papieren van de auto “thuis in de stacaravan op de [adres]l” heeft liggen.

- Op 11 februari 2005 is de auto waarin verdachte is aangetroffen gekocht bij [bedrijf] [verkoper]heeft – naar het hof begrijpt tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – verklaard dat het garagebedrijf in de periode voor de aankoop van deze auto regelmatig is bezocht door enkele broers van het gezin [verdachte], wonende aan de [adres]l, en dat de auto is betaald door de vader van verdachte (doorgenummerde p. 3).

- Op grond van (onder meer) bovenstaande omstandigheden waren ambtenaren van de Rijksbelastingdienst van oordeel dat de normale verblijfplaats van verdachte Nederland is als gevolg waarvan belasting van personenauto’s en motorrijwielen verschuldigd is aangezien verdachte een niet-geregistreerde personenauto ter beschikking had op de openbare weg.

- Naar aanleiding hiervan is op 22 april 2005 op het bureau van politie te Veghel door de deurwaarder van de belastingdienst een naheffingsaanslag uitgereikt aan verdachte.

C. Gelijkheidsbeginsel

Het hof stelt voorop dat aan het openbaar ministerie ten aanzien van de beslissing omtrent vervolging – op basis van het in de wet opgenomen opportuniteitsbeginsel – in ruime mate beleidsvrijheid toekomt. Nu verdachte op het moment dat hij werd aangetroffen in de auto als feitelijk gebruiker van de auto kon worden aangemerkt heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof in redelijkheid tot een vervolgingsbeslissing kunnen komen. De stelling dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging enkel en alleen omdat een ander niet wordt vervolgd, vindt geen steun in het recht. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

D. Herstelbeleid

D.1.

De aanvang van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto door een inwoner van Nederland is ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) een belastbaar feit.

D.2.

Als inwoner van Nederland wordt aangemerkt de persoon die in Nederland zijn persoonlijke bindingen heeft en daar regelmatig verblijft. Het gaat om het centrum van zijn belangen.

D.3

In aanmerking genomen dat verdachte tot 10 februari 2005 in Nederland stond ingeschreven, hij geen (nieuw) adres had in het buitenland, zijn naaste familie in Nederland woont of verblijft, hij in Nederland is aangetroffen en hij over [adres] sprak als zijn “thuis”, is het hof van oordeel dat verdachte ten tijde van het aantreffen op de weg op 19 april 2005 als inwoner van Nederland kon worden aangemerkt.

D.4.

Terzake de Wet BPM heeft de Staatssecretaris van Financiën een herstelbeleid geformuleerd en gepubliceerd (Besluit van de staatssecretaris van 13 december 2002, nr. CPP2002/1574M). Hoewel het desbetreffende beleid van de Staatssecretaris afkomstig is en niet van het openbaar ministerie, en het beleid ook ziet op de te hanteren administratieve (belasting)procedures, is dit voor het hof geen reden daar geen acht op te slaan nu het herstelbeleid van invloed kan zijn op de vraag of feitelijk belasting moet worden betaald. Immers, op grond van het herstelbeleid kan degene die daarvoor in aanmerking komt ervoor kiezen de niet in Nederland geregistreerde auto (alsnog) direct buiten Nederland te brengen. In dat geval wordt geen aanslag op grond van de Wet BPM opgelegd.

Op grond van het genoemd herstelbeleid wordt bij de constatering van het gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto door een inwoner van Nederland, zonder dat de belasting is voldaan, in beginsel direct een naheffingsaanslag opgelegd. Dit is slechts anders in de situatie dat sprake is van een buitenlandse huurauto, er een vrijstellingsvergunning is verleend op grond van artikel 2 of 3 Uitvoeringsbesluit BPM of wanneer er sprake is van “overige gevallen”. In deze drie situaties wordt het herstelbeleid toegepast.

D.5

Gesteld noch gebleken is dat de eerste twee uitzonderingen van toepassing zijn. Gelet daarop dringt zich de vraag op of verdachte onder de categorie “overige gevallen” in de zin van het herstelbeleid valt.

Als toelichting op deze categorie vermeldt het besluit van de Staatssecretaris van Financiën: “Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van (…) de door hem ontplooide activiteiten (…) bekend was of behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM.”.

D.6.

Op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof – in aanvulling op hetgeen hiervoor reeds is vastgesteld – het volgende vast.

- De factuur van de auto - alsmede de auto zelf, zo begrijpt het hof verdachtes opmerking dat hij nog geen tijd heeft gehad de auto op naam te stellen (doorgenummerde p. 13) - zijn op naam gesteld van de vriendin van verdachte. Zij heeft de Franse nationaliteit. Bij de koop werd een adres van de vriendin opgegeven te [adres te Frankrijk]waarvan bij nader onderzoek is gebleken dat het niet bestaat (doorgenummerde p.3).

- Het voor de auto van toepassing zijnde kenteken Internationale Zulassungsschein, afgegeven voor het[kenteken]was op 18 februari 2005 afgegeven voor een periode van een half jaar en derhalve geldig tot 13 augustus 2005.

D.7.

Ten behoeve van de afgifte van het tijdelijke kentekenbewijs in Duitsland heeft verdachte zich, in ieder geval op de hoogte gesteld van de voorwaarden waaronder dit moet geschieden. Mede gelet ook op de overige omstandigheden – waarbij het hof in het bijzonder ziet op de handelwijze met betrekking tot de aankoop van de auto, de tenaamstelling van de aankoopnota, het kort voor de aankoop van de auto uitschrijven van verdachte als ingezetene van [adres] in de gemeentelijke basisadministratie met als reden “naar Denemarken” en de “uitvoer van de auto naar Duitsland” – is het hof van oordeel dat verdachte bekend moet zijn geweest met de werking van de Wet BPM.

D.8.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het herstelbeleid niet op verdachte toegepast hoefde te worden. Het verweer wordt verworpen.

D.9

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

E. een bij de belastingwet voorziene aangifte

E.1.

De in de tenlastelegging voorkomende term "een bij de belastingwet voorziene aangifte" is daarin klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 69, eerste lid, AWR

E.2

De volgende wettelijke bepalingen zijn hier van belang.

Art. 6, eerste lid, AWR:

"Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden voldaan of afgedragen, kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte. (...)"

Art. 8, eerste lid, AWR:

"Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte is gehouden aangifte te doen door:

a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede

b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden."

Art. 10, eerste lid, AWR:

"Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van aangifte."

Art. 69, eerste lid, AWR:

"Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, (...) wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting."

Art. 1, eerste lid, Wet BPM:

Onder de naam "belasting van personenauto's en motorrijwielen" wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's.

Art. 1, tweede lid, Wet BPM:

De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

Art. 1, vijfde lid, Wet BPM:

Ingeval een niet geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel of een niet geregistreerde bestelauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Art. 5, tweede lid, Wet BPM:

Met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel of een niet geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

Art. 6, eerste lid, Wet BPM :

“De belasting moet op aangifte worden voldaan”

Art. 6, derde lid, Wet BPM:

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke de belasting in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, niet behoeft te worden betaald vóór de aanvang van het gebruik van de weg.

Art. 6, vierde lid, Wet BPM:

Indien in een geval als bedoeld in het derde lid, degene die de feitelijke beschikking heeft over een niet geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel of een niet geregistreerde bestelauto bij controle door ambtenaren van de rijksbelastingdienst of door opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering niet aannemelijk maakt dat de belasting is betaald, dient de belasting terstond te worden betaald.

E.3.

Gelet op het bepaalde in art. 6, eerste lid, Wet BPM in verbinding met art. 8, eerste lid, AWR en art. 10, eerste lid, AWR, ontstaat de verplichting tot het doen van aangifte niet als gevolg van een uit de heffingswet - te dezen: de Wet BPM - voortvloeiende belastingschuld, maar wordt zij eerst in het leven geroepen door de uitreiking op de voet van art. 6, eerste lid, AWR door de inspecteur van een aangiftebiljet; daardoor wordt de vermoedelijk belastingplichtige uitgenodigd tot het doen van aangifte. Daaraan doet naar het oordeel van het hof het bepaalde in de art. 1, vijfde lid en 6, vierde lid Wet BPM niet af, nu die voorschriften slechts bewerkstelligen dat de termijn waarbinnen de verschuldigde belasting op aangifte moet worden voldaan, wordt verkort. Strafrechtelijk relevant is de vraag of verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangifte.

E.4.

De processtukken houden niet in dat een uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan. Uit het dossier blijkt slechts, zoals hiervoor weergegeven, dat op 22 april 2005 een naheffingsaanslag is uitgereikt aan verdachte.

Desgevraagd heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat verdachte, nadat hij was aangetroffen in de auto en voordat aan hem de naheffingsaanslag was uitgereikt, niet is uitgenodigd aangifte te doen.

E.5.

Nu uit het vorenstaande blijkt dat aan verdachte geen uitnodiging is gedaan tot het doen van aangifte maar dat direct een naheffingsaanslag is opgelegd, komt het hof niet tot bewezenverklaring van het, op art. 69 AWR toegesneden, ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend , voorzitter,

mr. J.W.J. Huige en mr. ,A. de Lange

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 15 april 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.