Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0807

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
HD 103.003.561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door [appellante] is niet gemotiveerd weersproken dat [geïntimeerde sub 1] (zelf) geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop van de aandelen in Sportswear. Derhalve concludeert het hof dat van enig tekortschieten of onzorgvuldig handelen van [geïntimeerde sub 1] ten opzichte van [appellante] "rond 2000" niet is gebleken.

Het hof leest in de stellingen van [appellante] ook het standpunt dat volgens haar in de (hoofd)huurovereenkomst niet een huurperiode van vijf jaar (dus tot 1 januari 2004) had moeten zijn opgenomen, maar een huurperiode tot 1 januari 2006, zodat het einde van die huurperiode gelijk liep met het einde van de huurperiode in de onder-huurovereenkomst met Sportswear, indien deze huur door Sportswear met een beroep op haar optierecht per 1 januari 2001 met vijf jaar zou worden verlengd tot 1 januari 2006.

Voorzover [appellante] zich (ook) op dit standpunt stelt, is de (schade)vordering van [appellante] evenmin toewijsbaar. [appellante] wilde immers uitdrukkelijk zelf in 1998 geen langere duur van de hoofdhuurperiode dan 5 jaar (dus tot 1 januari 2004) met [geïntimeerde sub 1] overeenkomen (zie notitie [appellante] pag. 4 onder het kopje "Tot slot"). Verlenging van de hoofdhuur, waardoor [appellante] in staat werd gesteld haar huurverplichtingen jegens Sportswear na te komen, was bovendien geen probleem (zie de brief d.d. 12 januari 2006 van mr. Kruse, 4de alinea: prod. 11 mva); [appellante] wilde evenwel dat de huur met Sportswear eerder, namelijk per 1 januari 2004, eindigde "gelet op de wankele financiële positie" van Sportswear (notities [appellante] pag. 3, eerste alinea). De schade is dus, uitgaande van het als voormeld begrepen en geformuleerde standpunt van [appellante], een gevolg van de wens en beslissing van [appellante] om de huur met Sportswear eerder te doen eindigen dan per 1 januari 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. HD 103.003.561

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 22 april 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

gevestigd te [plaats] (L),

appellante bij exploot van dagvaarding van 12 mei 2006,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 1 maart 2006 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerden - tezamen [geïntimeerde sub 1 c.s.], afzonderlijk [geïntimeerde sub 1], respectievelijk [geïntimeerde sub 2] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 104271/HA ZA 05-888)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] acht grieven aangevoerd, haar eis en de grondslag daarvan vermeerderd en verbeterd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vermeerderde eis.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde sub 1 c.s.] bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van gronden van de eis en onder overlegging van twee producties de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten toegelicht door middel van een schriftelijke pleitnota waarbij [appellante] nog een productie in het geding heeft gebracht.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellante] strekken ten betoge dat de rechtbank haar vordering ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellante] had tot 7 augustus 2002 de statutaire naam [bedrijf 1] (prod. 5b en 5c inl. dagv. en prod. 7 cva). Enig bestuurder van [appellante] is [persoon 1], verder: [persoon 1]. [bedrijf 1], nadien [appellante], was enig aandeelhoudster van [bedrijf 2] (verder: de Beleggingsmij) (prod. 8 cva) en de Beleggingsmij was enig aandeelhoudster van [bedrijf 3] (verder: Sportswear).

b. [geïntimeerde sub 1], respectievelijk [geïntimeerde sub 2] verrichtte als advocaat werkzaamheden ten behoeve van voormelde vennootschappen, waaronder het adviseren ten aanzien van en het opstellen van huurcontracten.

c. Bij huurovereenkomst van 31 augustus 1996 (prod. 3 inl. dagv.) heeft de Beleggingsmij aan Sportswear verhuurd het bedrijfspand aan de Dr. Nolenslaan 140 te Sittard, zulks met ingang van 1 januari 1996.

Overeengekomen is een huurperiode van 5 jaar, eindigend per 1 januari 2001, en een optierecht voor de huurder Sportswear om telkens voor 5 jaar opnieuw te huren.

d. Op 28 juli 1998 heeft [geïntimeerde sub 1] (privé) voormeld bedrijfspand van de Beleggingsmij gekocht en in eigendom verkregen (prod. 1 cva).

e. In samenhang met voormelde aankoop hebben [geïntimeerde sub 1] (privé) en [bedrijf 1] op 27 juli 1998 een (hoofd)huurovereenkomst gesloten met betrekking tot voormeld bedrijfspand, zulks met ingang van 1 januari 1999 voor de duur van vijf jaar, derhalve eindigend op 1 januari 2004 (prod. 1 inl. dagv.). Voorts heeft [geïntimeerde sub 1] in deze overeenkomst (art. 2.3.) aan [bedrijf 1] toestemming verleend om het bedrijfspand onder te verhuren aan Sportswear conform de voorwaarden en condities als omschreven in de aan die overeenkomst als bijlage 2 gehechte huurovereenkomst (dit is de hierboven onder c. vermelde huurovereenkomst tussen de Beleggingsmij en Sportswear). [bedrijf 1] heeft aldus het bedrijfspand dienovereenkomstig onderverhuurd aan Sportswear. De Beleggingsmij is een aantal jaren later, per 1 oktober 2002, ontbonden (prod. 8 cva).

f. Per 1 januari 2000 heeft [geïntimeerde sub 1] het bedrijfspand verkocht en in eigendom overgedragen aan een buitenlandse (Antilliaanse) vennootschap, verder te noemen Omani (prod. 2 cva). Het beheer van het pand heeft Omani opgedragen aan Kruse & Lampo Vastgoedmanagement (directeur mr. Kruse).

g. Bij overeenkomst van 3 februari 2000 heeft de Beleggingsmij haar aandelen in Sportswear verkocht en overgedragen aan B&M Holding BV i.o. (directeur H.F.H. Balter). [bedrijf 1] was eveneens partij bij deze overeenkomst. In deze overeenkomst is opgenomen dat de onderhuur van Sportswear wordt beperkt tot een deel van het bedrijfspand en dat de huurprijs dienovereenkomstig wordt verminderd. Deze overeenkomst is door [appellante] vermeld in haar ter comparitie in eerste aanleg overgelegde notitie als productie 3 (= notitie [appellante]) als een van de nog in het geding te brengen stukken.

h. De statutaire naam van Sportswear is vervolgens per 21 februari 2000 gewijzigd in Masita Sportswear.

i. Op 15 mei 2000 heeft [bedrijf 1] het leegstaand gedeelte van het bedrijfspand met ingang van 1 augustus 2000 onderverhuurd aan Case Audiovisuals BV, na 18 januari 2001 genaamd Netcase Holding BV (prod. 5 cva), zulks voor de periode tot 1 januari 2003, met een optierecht voor de huurder om de huur met een jaar te verlengen tot 1 januari 2004. [persoon 2], destijds werknemer van [geïntimeerde sub 2], heeft bijstand verleend bij de tot standkoming van deze huurovereenkomst.

j. In 2002 heeft [bedrijf 1] zich voorgenomen de huurovereenkomsten, zowel de hoofdhuurovereenkomst, als de onderhuurovereenkomsten, te beëindigen per 1 januari 2004.

k. Bij brief d.d. 7 maart 2002 bericht Sportswear (aan de Beleggingsmij t.a.v. [persoon 1]) dat de huurovereenkomst, die destijds met de Beleggingsmij was gesloten, per 1 januari 2001 stilzwijgend is verlengd met vijf jaar en dus loopt tot 1 januari 2006 (prod. 3 cva).

l. Bij vaststellingsovereenkomst d.d. 29 oktober 2002 (prod. 4a inl. dagv.) hebben [appellante] en Sportswear een regeling getroffen, inhoudende dat de huurovereenkomst tussen [appellante] en Sportswear zal eindigen op 31 december 2003 en dat [appellante] aan Sportswear een bedrag van € 80.000,- betaalt en daarvoor een bankgarantie stelt. De bankgarantie is op 1 oktober 2003 uitbetaald (prod. 4b en 4c inl. dagv.).

m. [appellante] heeft [geïntimeerde sub 1 c.s.] op 17 mei 2002 aansprakelijk gesteld voor het bedrag van voormelde bankgarantie (€ 80.000,-), de kosten van de bankgarantie (€ 764,28: prod. 4b inl. dagv.) en de advocaatkosten (€ 12.955,08) die zij, naar zij stelt, heeft moeten maken in de periode mei 2002 tot 1 juli 2005 in verband met het oplossen van problemen met de "Antilliaanse eigenaar".

4.2. [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde sub 1 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van voormelde bedragen van € 80.000,-, € 764,28 en € 12.955,08, vermeerderd met wettelijke rente.

In hoger beroep heeft [appellante] voorts gevorderd dat het hof de vordering zonodig naar redelijkheid aanpast, "indien daar volgens het hof redenen toe zijn", alsmede de terugbetaling van hetgeen [appellante] ter uitvoering van het beroepen vonnis aan [geïntimeerde sub 1 c.s.] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.3. Bij vonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank de vordering van [appellante], zoals die in eerste aanleg luidde, afgewezen.

4.4. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van € 80.000,- en € 764,28 overweegt het hof het volgende.

4.5. In hoger beroep heeft [appellante] de grondslag van deze vordering vermeerderd en verbeterd.

4.6. De grondslag van de vermeerderde vordering houdt in dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] niet alleen "in gebreke zijn gebleven, maar ook dat zij in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld in het samenstel van hoedanigheden en handelingen" (mvg pag. 4, laatste alinea).

[appellante] stelt dat er met de eerste huurovereenkomst van 31 augustus 1996 tussen de Beleggingsmij en Sportswear (zie 4.2. sub c) niets mis was. Toen [geïntimeerde sub 1] daarna het bedrijfspand kocht in juli 1998 had hij en/of [geïntimeerde sub 2], [appellante] (lees: [persoon 1]) er echter op moeten wijzen dat de huurperiode van de onderhuurovereenkomst met Sportswear twee jaar later afliep (nl. op 1 januari 2006) dan die van de hoofdhuurovereenkomst die [geïntimeerde sub 1] met [appellante] overeenkwam, nl. 1 januari 2004, en had [geïntimeerde sub 1 c.s.] ervoor moeten zorgen dat "alle contracten synchroon liepen qua eindduur" (pleitnota punt 4, laatste alinea). Daarvoor was niet alleen aanleiding in 1998, toen [geïntimeerde sub 1] het bedrijfspand kocht, maar ook "rond 2000" toen [geïntimeerde sub 1] het bedrijfspand verkocht aan Omani (1 januari 2000) en de aandelen in Sportswear werden overgedragen aan B&M Holding en daarmee buiten de macht van [appellante] werden gebracht (1 februari 2000). Deze zorgplicht van [geïntimeerde sub 1 c.s.] vloeit, zo begrijpt het hof het standpunt van [appellante], voort uit de opdrachten die [geïntimeerde sub 1 c.s.] als huisadvocaat van [appellante] en de aan haar gerelateerde vennootschappen heeft aanvaard.

[appellante] stelt voorts dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] jegens haar onzorgvuldig, en dus onrechtmatig, hebben gehandeld door enerzijds als verhuurder en anderzijds als advocaat voor [appellante] op te treden en daarin voor [appellante] geen kenbaar onderscheid te maken. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde sub 1] in 1998 op haar druk uitgeoefend om het bedrijfspand te verkopen, terwijl [appellante] (destijds [bedrijf 1]) dat pand niet wilde verkopen. Voorts heeft [geïntimeerde sub 1] van [bedrijf 1] geëist dat [bedrijf 1] als huurder optrad en niet Sportswear, omdat [geïntimeerde sub 1] wist dat Sportswear er financieel zwak voorstond welke wetenschap [geïntimeerde sub 1 c.s.] had verkregen ingevolge zijn vertrouwensrelatie met de [bedrijf 1] en haar vennootschappen. [geïntimeerde sub 1 c.s.] heeft, gezien deze vertrouwensrelatie en de kennis die zij uit dien hoofde had, onzorgvuldig gehandeld door niet te bewaken dat het einde van de periode van de onderhuur met Sportswear gelijk liep met die van de hoofdhuur, aldus [geïntimeerde sub 1 c.s.].

4.7. [geïntimeerde sub 1 c.s.] heeft de hierboven onder 4.6. vermelde uitoefening van druk tot verkoop als vermeerdering van de grondslag van de eis aangemerkt en zich tegen die vermeerdering verzet (mva punt 9 en 10), stellend dat feitelijk sprake is van een nieuwe vordering met als grondslag een andere onrechtmatige daad.

4.7.1. Dit bezwaar is ongegrond. Het hof heeft in de bovenvermelde stellingen van [appellante] geen "nieuwe vordering" en ook geen "andere onrechtmatige daad" kunnen ontdekken.

Het hof acht deze vermeerdering van gronden niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, nu de door [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten, waarvan de gestelde druk slechts een begeleidende omstandigheid vormt, nauwelijks verschillen van die welke zij in eerste aanleg had gesteld.

4.8. [appellante] stelt dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] de verplichting had te zorgen dat de huurperiode ingevolge de onderhuurovereenkomst tussen [appellante] en Sportswear op hetzelfde tijdstip zou eindigen als die ingevolge de tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellante] gesloten hoofdhuurovereenkomst.

In de pleitnota (punt 4, derde alinea) stelt [appellante] dat het in feite bij de hoofdhuurovereenkomst al fout ging (huurperiode eindigt op 1 januari 2004) en dat (pleitnota punt 4, laatste alinea) het geen zin heeft erop te wijzen dat het ene contract of het andere niet goed zou zijn: het enige waar het om gaat is dat niet alle contracten synchroon liepen qua eindduur.

4.9. Het standpunt van [appellante] houdt in de eerste plaats in dat, uitgaande van het feit dat in 1998 in de (hoofd)huurovereenkomst een huurperiode van vijf jaar (dus tot 1 januari 2004) was opgenomen, [geïntimeerde sub 1 c.s.] ervoor had moeten zorgen dat het einde van de huurperiode in de onderhuurovereenkomst met Sportswear ook op die datum zou vallen, althans [geïntimeerde sub 1 c.s.] er [persoon 1] tijdig op had moeten wijzen dat de einddata in die huurovereenkomsten uiteen liepen, zodat [appellante] de huurperiode in de onder-huurovereenkomst met Sportswear nog kon aanpassen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

4.10. [appellante] is met [geïntimeerde sub 1] in juli 1998 een hoofd-huurovereenkomst aangegaan die liep tot 1 januari 2004.

[appellante] heeft voorts de huurovereenkomst die Sportswear als huurder in 1996 had gesloten met de Beleggingsmij als onderhuurovereenkomst voortgezet.

[appellante] was dus in juli 1998 zowel bekend met de einddatum van de hoofdhuurovereenkomst (1 januari 2004) als met de huurperiodes in de onderhuurovereenkomst, waarvan de eerste vijf-jaarsperiode zou eindigen op 1 januari 2001 en de tweede vijf-jaarsperiode op 1 januari 2006. Gezien deze bekendheid was er voor [geïntimeerde sub 1], noch [geïntimeerde sub 1 c.s.] in juli 1998 aanleiding [appellante] erop te wijzen dat het einde van deze vijf-jaarperiodes niet samenviel met die van de hoofdhuurovereenkomst, te meer niet nu [appellante] in 1998 nog volledige zeggenschap had over Sportswear en zij geen feiten stelt op grond waarvan [geïntimeerde sub 1 c.s.] niettemin had moeten begrijpen dat zij reeds in 1998 een contractuele voorziening wenste dat zij de huur met Sportswear kon doen eindigen per 1 januari 2004.

4.11. [appellante] stelt dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] er rond 2000 als-nog voor had moeten zorgen dat bovengenoemde contractuele voorziening werd opgenomen in de onderhuurovereenkomst met Sportswear. In verband met de verkoop van het bedrijfspand door [geïntimeerde sub 1] aan Omani en de verkoop van aandelen in Sportswear was daartoe alle aanleiding, nu vanwege de verkoop van het bedrijfspand per 1 januari 2000 een "vage" Antilliaanse vennootschap de verhuurder werd en omdat vanwege de verkoop van de aandelen in Sportswear per 1 februari 2000 [appellante] geen zeggenschap meer zou hebben in Sportswear.

4.11.1. [geïntimeerde sub 1 c.s.] heeft hierop geantwoord dat [geïntimeerde sub 1] (zelf) geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop van de aandelen in Sportswear, maar dat mr. [persoon 2], destijds werknemer van [geïntimeerde sub 2], daarbij was betrokken. Deze heeft echter, aldus [geïntimeerde sub 1 c.s.], geen fout gemaakt omdat deze slechts de opdracht had de bereikte overeenstemming omtrent aandelenverkoop en de huur door Sportswear uit te werken in een letter of intent en een overeenkomst en niet om dienaangaande te adviseren en/of te onderhandelen (zie pv van comparitie pag. 3). [geïntimeerde sub 1 c.s.] stelt dat [persoon 1] destijds uitdrukkelijk aan mr. [persoon 2] heeft medegedeeld dat aan de huurovereenkomst met Sportswear, behoudens vermindering van de huur, niets veranderd mocht worden (cva punt 22a, mva punt 28) en dat dit ook blijkt uit de fax van [persoon 1] aan Balter van 20 januari 2000 (prod. 9 cva). In die fax staat bovendien :"Wat betreft het huurcontract blijft [bedrijf 1] garant staan voor de huurtermijn zoals overeengekomen." De huurperiode stond derhalve vast, aldus [geïntimeerde sub 1 c.s.].

4.11.2. Ter comparitie heeft [persoon 1] opgemerkt dat het best zo kan zijn dat met "de huurtermijn" waarvoor [bedrijf 1] zich als voormeld garant stelde, een tijdsspanne (en niet de huurpenningen) is bedoeld, maar dat hij daarbij toen is uitgegaan van een termijn tot 1 januari 2004 en niet tot 2006. [persoon 1] heeft ter comparitie voorts verklaard dat mr. [persoon 2] de beschikking had over alle stukken, waaronder de huurovereenkomsten, en dat mr. [persoon 2] hem - [persoon 1] - er toen op had moeten wijzen dat met Sportswear "een andere duur van de huur moest worden overeengekomen." Gelet op de bijzondere overname was, aldus [persoon 1], het overeenkomen van een andere duur van de huur met Sportswear op dat moment "zeker nog mogelijk".

4.12. Het hof oordeelt als volgt.

Door [appellante] is niet gemotiveerd weersproken dat [geïntimeerde sub 1] (zelf) geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop van de aandelen in Sportswear. Derhalve concludeert het hof dat van enig tekortschieten of onzorgvuldig handelen van [geïntimeerde sub 1] ten opzichte van [appellante] "rond 2000" niet is gebleken.

4.13. Op grond van de brief van 20 januari 2000, laatste alinea (prod. 9 cva) moet ervan worden uitgegaan dat de advocaat mr. [persoon 2] in januari 2000 de opdracht kreeg om aan de hand van de in die brief neergelegde afspraken een letter of intent en een overeenkomst op te stellen. Onderdeel van die afspraken vormde dat [bedrijf 1] garant stond voor de "huurtermijn". Met "de huurtermijn" kan redelijkerwijs niets anders bedoeld zijn dan de huur-periode, en niet de huurpenningen. Een garantstelling voor de huurpenningen zou immers betekenen dat [bedrijf 1] garant stond voor de betaling van de huurpenningen aan zichzelf. Een dergelijke bepaling zou zinledig zijn.

4.13.1. Gelet het bovenstaande mocht mr. [persoon 2] ervan uitgaan dat de bestaande huurtermijn in de onderhuurover-eenkomst (1ste vijfjaarstermijn tot 1 januari 2001, 2de vijf-jaarsperiode tot 1 januari 2006) voorwerp van bespreking tussen [persoon 1] en Balter was geweest en dat [persoon 1] in voormelde brief met de garantstelling bedoelde die huurperiode te garanderen. Niet gesteld of gebleken is dat mr. [persoon 2] toen bekend was of behoorde te zijn met het

- door [appellante] gestelde - feit dat [bedrijf 1] absoluut geen langere huurtermijn dan tot 1 januari 2004 wilde en daarom reeds in 1998 in de hoofdhuurovereenkomst met [geïntimeerde sub 1] een huurtermijn tot 1 januari 2004 was overeengekomen. Indien [bedrijf 1] reeds in 1998 bij voorbaat ook de onderhuur met Sportswear per 1 januari 2004 wilde beëindigen had het op haar weg gelegen zulks reeds in 1998 aan [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] kenbaar te maken. Daaromtrent heeft zij niets gesteld. Mede om deze reden behoefde mr. [persoon 2] op grond van het enkele feit dat de einddata van de hoofdhuur en de onderhuur uiteenliepen er niet op bedacht te zijn dat [appellante] (lees: [persoon 1]) zich niet bewust was van deze discrepantie en dat hij die discrepantie (eigener beweging) onder haar aandacht diende te brengen. Door [appellante] zijn verder geen feiten gesteld op grond waarvan mr. [persoon 2] zich had behoren te realiseren dat [persoon 1] zich wel eens zou kunnen hebben vergist toen hij in zijn brief aan Balter "de huurtermijn" garandeerde en dat [persoon 1] mogelijk ten onrechte de huurtermijn van de hoofdhuurovereenkomst tot 1 januari 2004 voor ogen heeft gehad in plaats van de huurtermijn in de onderhuurovereenkomst. Er waren ook geen aanwijzingen dat het garanderen van een huurtermijn tot 1 januari 2001, respectievelijk 1 januari 2006 (conform het bepaalde in de onderhuurovereenkomst) [bedrijf 1] in de problemen zou brengen vanwege de einddatum van 1 januari 2004 in de hoofdhuurovereenkomst, aangezien bij verlenging van de hoofdhuur die garantie zonder meer kon worden nagekomen. Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat mr. [persoon 2] niet te kort is geschoten in de nakoming van zijn in of omstreeks januari 2000 verkregen opdracht tot het opstellen van een letter of intent en een overeenkomst, en ook niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Derhalve is ook niet gebleken van een tekortschieten of onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 2] op dit punt.

4.14. Het hof leest in de stellingen van [appellante] ook het standpunt dat volgens haar in de (hoofd)huurovereenkomst niet een huurperiode van vijf jaar (dus tot 1 januari 2004) had moeten zijn opgenomen, maar een huurperiode tot 1 januari 2006, zodat het einde van die huurperiode gelijk liep met het einde van de huurperiode in de onder-huurovereenkomst met Sportswear, indien deze huur door Sportswear met een beroep op haar optierecht per 1 januari 2001 met vijf jaar zou worden verlengd tot 1 januari 2006.

4.14.1. Voorzover [appellante] zich (ook) op dit standpunt stelt, is de (schade)vordering van [appellante] evenmin toewijsbaar. [appellante] wilde immers uitdrukkelijk zelf in 1998 geen langere duur van de hoofdhuurperiode dan 5 jaar (dus tot 1 januari 2004) met [geïntimeerde sub 1] overeenkomen (zie notitie [appellante] pag. 4 onder het kopje "Tot slot"). Verlenging van de hoofdhuur, waardoor [appellante] in staat werd gesteld haar huurverplichtingen jegens Sportswear na te komen, was bovendien geen probleem (zie de brief d.d. 12 januari 2006 van mr. Kruse, 4de alinea: prod. 11 mva); [appellante] wilde evenwel dat de huur met Sportswear eerder, namelijk per 1 januari 2004, eindigde "gelet op de wankele financiële positie" van Sportswear (notities [appellante] pag. 3, eerste alinea). De schade is dus, uitgaande van het als voormeld begrepen en geformuleerde standpunt van [appellante], een gevolg van de wens en beslissing van [appellante] om de huur met Sportswear eerder te doen eindigen dan per 1 januari 2006.

4.15. De stellingen die [appellante] voor het overige aan haar vordering tot betaling van € 80.000,- en € 764,28 ten grondslag legt, kunnen evenmin tot toewijzing leiden. Uit die stellingen kan geen tekortschieten of onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 1] of [geïntimeerde sub 2] worden afgeleid, en al helemaal niet dat de genoemde schadebedragen een gevolg zijn van het geschetste "samenstel van hoedanigheden en handelingen".

4.16. Met betrekking tot de vordering tot betaling van advocaatkosten van € 12.955,08 overweegt het hof het volgende.

4.17. Ook met betrekking tot deze vordering kwalificeert [geïntimeerde sub 1 c.s.] de stellingen van [appellante] in de memorie van grieven (pag. 7 en 8) als een vermeerdering van de grondslag van de eis. [geïntimeerde sub 1 c.s.] maakt daar bezwaar tegen (mva punt 51).

4.18. Het bezwaar is ongegrond.

Reeds in eerste aanleg heeft [appellante] aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de gestelde advocaatkosten door haar zijn gemaakt wegens de problemen die zij heeft gehad met Omani met betrekking tot de afwikkeling van de door haar betaalde waarborgsom van f 250.000,- (inl. dagv. pag. 5 en notitie [appellante] pag. 3). Als nieuw feit heeft [appellante] daar in hoger beroep aan toegevoegd dat zij met Omani ook problemen heeft gehad met betrekking tot "beschadigingen" aan het verhuurde. Met deze feitelijke invulling heeft [appellante] geen "nieuwe vordering" gesteld en ook geen "nieuwe grondslag" aangevoerd. De feitelijke onderbouwing van de gestelde problemen met Omani heeft plaatsgevonden op een zodanig tijdstip in de procedure dat [geintimeerde sub 1 c.s.] zich daartegen voldoende heeft kunnen verweren, zo niet in eerste aanleg, dan toch in hoger beroep, zodat een en ander niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

4.19. Omtrent het onderhavige onderdeel van de schadevordering heeft de rechtbank niets overwogen. De vordering acht het hof niet toewijsbaar.

4.19.1. Uit de stellingen van [appellante] leidt het hof af dat de problemen met Omani ten aanzien van de waarborgsom tot een gerechtelijke procedure heeft geleid die [appellante] heeft gewonnen, en dat de problemen met Omani ten aanzien van de beschadigingen aan het verhuurde in onderling overleg zijn opgelost.

De advocaatkosten die [appellante] ter afwikkeling van deze problemen heeft gemaakt, zijn, aldus [appellante], "rechtstreeks het gevolg van het totale handelen van mr. [geïntimeerde sub 1], maar ook van geïntimeerde sub 2 die als advocatenkantoor terzake de positie van appellante niet heeft afgedekt."

Het hof begrijpt dat [appellante] [geïntimeerde sub 1 c.s.] in dit verband verwijt dat hij niet deugdelijk (schriftelijk) heeft vastgelegd de schade aan het verhuurde voordat hij het verhuurde pand op 1 januari 2000 verkocht aan Omani alsmede dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] de waarborgsom van f 250.000,- aan Omani heeft doorbetaald zonder dat [appellante] dat wist. Deze verwijten bieden echter, bij gebreke van nadere feitelijke onderbouwing, onvoldoende grondslag om te concluderen dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellante] gestelde advocaatkosten.

Het beroep van [geïntimeerde sub 1 c.s.] op verjaring behoeft derhalve geen bespreking.

De vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.20. Op bovenstaande overwegingen stuiten alle grieven van [appellante] af. Nu de grieven niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden, dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dient [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 1 maart 2006, waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van dit geding, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde sub 1 c.s.] gevallen, worden begroot op € 2.810,- wegens griffierecht en op € 3.262,- wegens salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Zweers-Van Vollenhoven en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 april 2008.