Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0724

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
HD 103.003.889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat het AZM klachten van [appellant] die zouden kunnen wijzen op een compartimentsyndroom heeft genegeerd. Verder stelt het hof vast dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat het AZM vanaf de aanvang bedacht is geweest op het kunnen ontstaan van een compartimentsyndroom en daarnaar gericht onderzoek heeft gedaan. Ten slotte stelt het hof vast dat uit de verschillende medische rapportages genoegzaam blijkt dat een compartimentsyndroom zich bij een beenbreuk kan voordoen zonder dat de behandelend arts het tijdig opmerkt en zonder dat hem daarvan een verwijt gemaakt kan worden. De behandelend arts dient zich bewust te zijn van de mogelijkheid, gericht onderzoek te doen en adequaat te reageren op aanwijzingen, bijvoorbeeld in de vorm van specifieke klachten. Dat het AZM op een of meer van deze punten tekortgeschoten is, is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. HD 103.003.889

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 22 april 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2006,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

het rechtspersoonlijkheid bezittende ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 24 mei 2006 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - het AZM - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 103673/HA ZA 05-815)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van negen producties (nrs. 43-51) vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van het AZM in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft het AZM de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [appellant] heeft zich op 8 maart 1997 na een voetbalongeval tot de EHBO van het AZM gewend in verband met een breuk van zijn rechter scheenbeen en kuitbeen. Na onderzoek is bij hem gipsverband aangelegd.

b) Bij [appellant] is een compartimentsyndroom ontstaan, dat heeft geleid tot blijvend letsel aan zijn rechterbeen/voet. Omdat een en ander volgens [appellant] aan het onjuiste medisch optreden van het AMZ te wijten was, heeft hij op 22 oktober 1999 het AMZ schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de gevolgen daarvan (prod. 1 cva). Het AZM heeft de afhandeling van de claim in handen van de stichting Mebaz gesteld.

c) Bij brief van 19 juli 2000 heeft de stichting Mebaz namens het AMZ iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen (prod. 1 inl. dagv.).

d) Tussen de raadsman van [appellant] enerzijds en het AZM, de stichting Mebaz en het door deze ingeschakelde expertisebureau voor personenschade Cunningham

Boschman BV anderzijds is uitvoerig gecorrespondeerd. Deze correspondentie is voorlopig geëindigd op 28 januari 2003 en door de raadsman van [appellant] hervat op 2 maart 2005 met de aankondiging van een procedure die vervolgens bij dagvaarding van 1 augustus 2005 is aangevangen.

e) Van de zijde van [appellant] zijn de volgende medische beoordelingen ingebracht:

1. een brief van 10 juni 1999 van huisarts W.P.C.W. Boersma (prod. 28 inl. dagv.);

2. een brief van 30 november 1999 van neuroloog A.J.H. van Diepen, ingeschakeld door verzekeringsmaatschappij RVS in verband met de ongevallenverzekering van [appellant] (prod. 37 inl. dagv.);

3. een brief van 28 november 2000 van huisarts M. Dirckx (prod. 40 inl. dagv.).

Van de zijde van het AZM zijn de volgende medische beoordelingen ingebracht:

4. een brief van 30 november 1999 van orthopedisch chirurg prof. dr. R.G.T. Geesink van het AZM (prod. 4 cva), gevolgd door brieven van 20 april 2000 (prod. 9 cva) en 2 mei 2002 (prod. 25 cva);

5. een brief van 20 februari 2000 van orthopedisch chirurg prof. dr. B. van Linge, als medisch adviseur ingeschakeld door Cunningham Boschman BV (prod. 7 cva);

6. een brief van 29 mei 2002 van verzekeringsarts J. van Duinkerken, als medisch adviseur ingeschakeld door Cunningham Boschman BV (prod. 26 cva).

4.2 In deze procedure stelt [appellant] dat het AZM toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de tussen partijen gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst. Bij de behandeling van de beenbreuk heeft het AZM volgens [appellant] fouten gemaakt, waardoor voor hem blijvende schade is ontstaan. Op grond daarvan vordert [appellant], kort gezegd, een verklaring voor recht dat het AZM aansprakelijk is en veroordeling van het AZM tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, een voorschot van € 25.000,= op de schadevergoeding en € 5.000,= aan buitengerechtelijke advocaatkosten, met rente en kosten.

4.3 Het AZM heeft de vorderingen van [appellant] gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de behandelend artsen niet als redelijk bekwaam en redelijk handelend artsen hebben gehandeld en op grond hiervan de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.4 Voor de duidelijkheid zal het hof eerst aangeven wat partijen verstaan onder een compartimentsyndroom. In de brief van stichting Mebaz van 19 juli 2000 wordt dit als volgt omschreven:

"Uit de medische informatie blijkt dat uw cliënt [[appellant]] als gevolg van een breuk in het onderbeen heeft geleden aan een partieel compartimentsyndroom. Dit compartimentsyndroom is ontstaan door bloeding en weefselzwelling in de omgeving van de breuk. De druk in een deel van de compartimenten van het onderbeen, waarin de spieren en zenuwen liggen, is zo hoog geweest, dat de doorbloeding van zenuwen en spieren gedurende enige tijd onvoldoende is geweest. Hierdoor is, naar later is gebleken, ernstige schade ontstaan aan de nervus tibialis en nervus peroneus profundus. Een compartimentsyndroom ontwikkelt zich altijd zeer kort na letsel, dat wil zeggen in de uren en dagen aansluitend."

De raadsman van [appellant] heeft deze omschrijving in zijn brief van 31 januari 2002 (prod. 43 mvg) met instemming geciteerd, zodat van deze omschrijving verder wordt uitgegaan.

4.5 In de inleidende dagvaarding stelt [appellant] dat hij na het ingipsen pijnklachten had en de volgende dag is teruggekeerd bij de EHBO. Op dat moment was geen sprake van gevoelloosheid. [appellant] werd verwezen naar de polikliniek orthopedie, waar hij zich op 20 of 21 maart 1997 meldde met aanhoudende pijnklachten en inmiddels ontstane gevoelloosheid in de voet onder het gips. Ondanks deze klachten werd niets ondernomen, aldus [appellant]. Door het niet verwijderen van het gips is volgens hem het compartimentsyndroom ontstaan. Het AZM heeft hem onvoldoende gewezen op de risico's van de medische situatie en het medisch beleid en niet gehandeld als van een arts mag worden verwacht.

4.6 Bij de comparitie van partijen is door [appellant] verklaard dat de visite van 9 maart (1997) op 8 maart is afgesproken. Van de visite op 11 maart weet hij het niet meer. Vanaf 11 maart had hij pijnklachten en na twee weken een doof gevoel. Hij heeft aangegeven dat het gips strak zat, maar daar is niets mee gedaan. Van al zijn klachten leest hij niets terug in zijn dossier, aldus de verklaring van [appellant].

4.7 In de memorie van grieven stelt [appellant] dat hij op 9 maart dusdanige ernstige onhoudbare pijnklachten had dat hij naar de EHBO is teruggegaan om het gips te laten onderzoeken. Naast de pijnklachten heeft hij al op 9 maart gemeld dat zich in de voet een doof punt ontwikkelde. Op 11 maart is hij met dezelfde klachten teruggekeerd en op 25 maart heeft hij aangegeven dat zijn voet geheel gevoelloos was geworden. Een en ander is niet aangetekend, hetgeen volgens [appellant] betekent dat aan de verslaglegging van het AZM geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

4.8 [appellant] verwijt het AZM dat het heeft nagelaten op de klachten van [appellant] het gips te verwijderen en de klachten te onderzoeken teneinde een compartimentsyndroom te kunnen uitsluiten. Deze diagnose is ten onrechte niet op dag 1, 2 of 3 of twee weken later gesteld. Ook had een gips aangelegd kunnen worden dat ruimte heeft om uit te zetten. Door niet de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen is het gevolg, het afknellen van bloedvaten en zenuwen, volgens [appellant] in overwegende mate aan dit medisch nalaten te wijten (mvg punt 25-27).

4.9 Ter onderbouwing van zijn stellingen beroept [appellant] zich op de brieven van de artsen Boersma, Van Diepen en Dirckx (hiervoor als nrs. 1-3 vermeld onder 4.1 bij e). Boersma vermeldt in zijn brief dat er vermoedelijk destijds toch iets mis is gegaan bij het plaatsen van het gips.

Van Diepen vermeldt als conclusie onder meer:

'dat de toestand ontstaan is door foute behandelingswijze van de opgetreden onderbeenfractuur. De toestand is dus niet rechtsreeks een gevolg van het ongeval maar indirect door een foute behandeling. Direct na het melden van pat. dat hij een doof gevoel had in de voet, had gipsverwijdering moeten plaatsvinden.'

Volgens Dirckx is het nog maar de vraag of de zenuwuitval is ontstaan door de fractuur of door het gips. Hij vervolgt:

"Of het de oorzaak is is onduidelijk, echter de controlerend Orthopeed had wel actiever moeten reageren op de klachten van patiënt (bv 09031997), bijvoorbeeld door het gips te verwijderen. Al met al zit er een te ruim tijdsverloop tussen presentatie van de klachten en het punt waarop de afdeling Orthopedie actie heeft ondernomen."

4.10 Het AZM betwist dat [appellant] in de periode volgend op het plaatsen van het gips klachten heeft geuit over pijn, een doof gevoel en te strak zittend gips. Uit de medische aantekeningen blijkt niets van dergelijke klachten, terwijl deze normaal gesproken worden genoteerd wanneer zij worden geuit. Pas op 4 september 1977 wordt melding gemaakt van 'tintelingen'. De afspraak voor controle op 9 maart 1997 is op 8 maart gemaakt en bij die gelegenheid is expliciet gezocht naar aanwijzingen voor een compartimentsyndroom. Dit blijkt uit de vermelding 'geen aanw. compartimentsyndroom' in de aantekeningen. Tevens is daarin vermeld dat twee dagen later een controle zou plaatsvinden. Bij de aantekeningen van die afspraak, 11 maart, is vermeld 'neurovasc goed', hetgeen betekent dat er ook toen geen aanwijzingen waren voor een compartimentsyndroom en dat er wel op gecontroleerd is. Ook in de aantekeningen van de daarop volgende bezoeken op 25 maart, 8 april, 22 april, 6 mei, 5 juni, 4 juli en 11 augustus is niets te lezen over klachten. Bovendien is volgens het AZM het compartimentsyndroom een gevolg van de fractuur en ontwikkelt het zich onmiddellijk na het letsel. Optreden tegen het compartimentsyndroom dient binnen 24 uur na het ontstaan ervan te geschieden. Ook indien [appellant] in een later stadium klachten zou hebben geuit (die niet zouden zijn aangetekend), zou dit de gevolgen van het compartimentsyndroom niet hebben kunnen voorkomen. Ook het verwijderen van het gips is in dat stadium niet zinvol meer.

4.11 Ter onderbouwing van zijn verweer beroept het AZM zich op de brieven van de artsen Geesink, Van Linge en Van Duinkerken (hiervoor als nrs. 4-6 vermeld onder 4.1 bij e).

Geesink schrijft in zijn eerstgenoemde brief onder meer:

"Concluderend heeft dus een subklinisch diep compartimentssyndroom bestaan na een onderbeensfractuur. Het probleem was dus dat de klinische symptomatologie aanvankelijk minimaal tot afwezig was en waarbij mede gezien de aard van het trauma, laag energetisch letsel, de waarschijnlijkheid op een compartimentssyndroom ook minimaal was. De effecten zijn later aan het licht gekomen en op dat moment is oorzakelijke behandeling niet mogelijk meer. (...) Patiënt is adequaat gecontroleerd zowel direct na repositie alsook de eerste dag en vierde dag na het letsel waarbij expliciet vermeld is dat de neurovasculaire status goed was en er dus geen klinische aanwijzingen voor een compartimentssyndroom waren."

In beide latere brieven bevestigt Geesink zijn beoordeling van de situatie.

Van Linge schrijft onder meer dat bij het onderzoek op 9 en 11 maart naar aanwijzingen voor een compartimentsyndroom is gezocht en dat dit zich aan een vaststelling bij klinisch onderzoek heeft onttrokken omdat het slechts partieel was. Een partieel compartimentsyndroom is volgens hem uitzonderlijk. Hij concludeert dat [appellant] na de breuk van zijn rechter onderbeen op de gebruikelijke wijze op het bestaan van een compartimentsyndroom is gecontroleerd en dat het AZM in dezen dan ook geen verwijt treft.

Van Duinkerken schrijft onder meer:

"De stellingen van de belangenbehartiger:

- na een fractuur ontstaat er een risico op compartimentsyndroom.

- er is later een compartimentsyndroom aangetoond. zijn juist.

Zijn verbindende conclusie dat er dus niet juist is gehandeld is echter onzin."

4.12 Van de hiervoor vermelde stukken waarop [appellant] zich beroept, biedt de brief van Boersma geen steun voor zijn standpunt nu in die brief alleen een vermoeden wordt uitgesproken zonder dat daarbij wordt aangegeven waarop dit vermoeden is gebaseerd en in hoeverre daarbij aan het AZM iets te verwijten valt. Met betrekking tot beide andere brieven stelt het hof vast dat deze beide uitgaan van het vroegtijdig uiten door [appellant] van klachten die zouden kunnen wijzen op het bestaan van een compartimentsyndroom. Het staat evenwel in het geheel niet vast dat door [appellant] in dat stadium dergelijke klachten zijn geuit. Het hof merkt hierbij op dat [appellant] in de verschillende stadia van deze procedure uiteenlopende versies van zijn klachten en meldingen daarvan te kennen geeft, zoals blijkt uit de weergave ervan onder 4.5, 4.6 en 4.7, zonder dat daarvoor een (afdoende) verklaring wordt gegeven. Wanneer van zijn laatste versie uitgegaan dient te worden (4.7), moet worden vastgesteld dat daarvan in het geheel niets is terug te vinden in de medische aantekeningen. [appellant] heeft op zichzelf gelijk dat het ontbreken van aantekeningen over het uiten van klachten niet zonder meer meebrengt dat die klachten niet zijn geuit, maar waar voor het overige de juistheid van de aantekeningen niet in twijfel is getrokken, is het niet bijzonder waarschijnlijk te achten dat juist deze klachten keer op keer veronachtzaamd, genegeerd of verzwegen zijn. Daar komt bij dat zo specifieke klachten als nu in hoger beroep aangegeven, door [appellant] in ieder geval ook niet persoonlijk bij de comparitie van partijen in eerste aanleg (4.6) naar voren zijn gebracht. Het hof acht het thans door [appellant] ingenomen standpunt om deze reden weinig geloofwaardig. Met betrekking tot de eerdere versies stelt het hof vast dat ook deze door het AZM gemotiveerd zijn betwist en dat [appellant] een en ander hiertegenover onvoldoende heeft onderbouwd en in ieder geval terzake ook geen (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod heeft gedaan. Zijn suggestie een deskundige aan te wijzen kan in ieder geval niet als zodanig gelden, aangezien het hier gaat om feitelijke omstandigheden in de stellingen van [appellant] en niet om omstandigheden die zich lenen voor deskundige voorlichting.

4.13 [appellant] merkt op de voorlaatste bladzijde van de memorie van grieven op dat op verzoek van de (ongevallen) verzekeringsmaatschappij een bindende expertise heeft plaatsgevonden die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat zodat de aansprakelijkheid vaststaat. [appellant] heeft hierbij kennelijk het oog op de brief van Van Diepen van 30 november 1999. Zijn standpunt met betrekking tot deze brief kan niet worden gevolgd. Voor zover de brief aangemerkt kan worden als een bindende expertise, heeft dat voor de onderhavige kwestie geen betekenis aangezien de expertise niet in verband met het geschil tussen [appellant] en het AZM is uitgebracht en dus ten opzichte van het AZM niet als bindend kan gelden. Afgezien daarvan is deze brief, zoals hiervoor uiteengezet, niet zo overtuigend als [appellant] kennelijk meent.

4.14 Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat het AZM klachten van [appellant] die zouden kunnen wijzen op een compartimentsyndroom heeft genegeerd. Verder stelt het hof vast dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat het AZM vanaf de aanvang bedacht is geweest op het kunnen ontstaan van een compartimentsyndroom en daarnaar gericht onderzoek heeft gedaan. Ten slotte stelt het hof vast dat uit de verschillende medische rapportages genoegzaam blijkt dat een compartimentsyndroom zich bij een beenbreuk kan voordoen zonder dat de behandelend arts het tijdig opmerkt en zonder dat hem daarvan een verwijt gemaakt kan worden. De behandelend arts dient zich bewust te zijn van de mogelijkheid, gericht onderzoek te doen en adequaat te reageren op aanwijzingen, bijvoorbeeld in de vorm van specifieke klachten. Dat het AZM op een of meer van deze punten tekortgeschoten is, is niet gebleken.

4.15 [appellant] stelt zich op de voorlaatste bladzijde van de memorie van grieven verder op het standpunt dat het bewijsrisico en de kosten van verder onderzoek ten laste van het AZM gebracht dienen te worden. Voor zover [appellant] hiermee beoogt te betogen dat de bewijslast van zorgvuldig handelen op het AZM rust, kan hij daarin niet worden gevolgd. [appellant] stelt een aantal vorderingen in tegen het AZM en bij gemotiveerde betwisting van zijn stellingen door het AZM rust op [appellant] overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van die stellingen. Voor bewijslevering aan de kant van het AZM is geen grond; aan bewijslevering aan de zijde van [appellant] komt het hof, zoals gezegd, niet toe. Voor nader onderzoek door deskundigen ziet het hof bij deze stand van zaken geen aanleiding zodat de vraag voor wiens rekening dat onderzoek zou moeten komen niet relevant is.

4.16 Het hof komt op grond van vorenstaande overwegingen tot het zelfde oordeel als de rechtbank, namelijk dat de vorderingen van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking komen. De grieven worden verworpen en het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van het AZM begroot op € 900,= aan verschotten en op € 1.158,= aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Meulenbroek en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 april 2008.