Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC9997

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
04/01147
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL1957, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht belanghebbende niet toegestaan een vervangingsreserve te vormen ter zake van de met de vervreemding van het perceel in 1999 behaalde boekwinst. Daargelaten of het perceel door belanghebbende ten behoeve van de uitoefening van haar bedrijf in gebruik is genomen en derhalve kan worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel, heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, met hetgeen zij heeft aangevoerd tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan het einde van 1999 ter zake van het perceel een vervangingsvoornemen had. [..]

Naar het oordeel van het Hof zijn de vliegtuigmotoren van belanghebbende aan te merken als zelfstandige bedrijfsmiddelen dan wel vormen zij een belangrijk zelfstandig onderdeel van het bedrijfsmiddel vliegtuig. Het maakt daarbij geen verschil of sprake is van nieuwe motoren of van gereviseerde motoren van hetzelfde type als de vervangen motoren. Uit de stellingen van partijen volgt naar het oordeel van het Hof immers dat er een zelfstandige markt voor ruilmotoren bestaat. De kosten die gemoeid zijn met de aanschaffing van de motoren moeten derhalve worden geactiveerd. Dit brengt mee dat, indien de motoren, zoals in het onderhavige geval, worden vervangen door andere motoren de ter zake van die vervanging gemaakte kosten eveneens als kosten van aanschaffing dienen te worden geactiveerd. Nu de motoren zijn vervangen door andere motoren, kan - anders dan belanghebbende betoogt - niet meer worden gezegd dat slechts sprake is geweest van kosten in verband met de revisie van de motoren. [..]

Het Hof stelt daarnaast vast dat belanghebbende, nu zij in het verleden de aanschafkosten van vliegtuigmotoren steeds heeft geactiveerd en afgeschreven en dit ook in de jaren na 1999 heeft gedaan, door de onderhavige kosten in het onderhavige jaar niet te activeren ter zake van de ruilmotoren bij het bepalen van haar belastbare winst niet een bestendige gedragslijn heeft gevolgd. Aldus heeft belanghebbende in het onderhavige jaar naar het oordeel van het Hof in strijd met goed koopmansgebruik gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 795
FutD 2008-0919
V-N 2008/41.1.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01147

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 677.143,=. Het tegen deze aanslag ingestelde bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van € 273,=. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn op 1 december 2006 in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 december 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst ten einde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen binnen vier weken op de pleitnota van belanghebbende en op de door de belanghebbende voor de zitting ingezonden stukken te reageren.

1.7. De Inspecteur heeft zijn reactie ingediend bij brief van 10 januari 2007. Belanghebbende heeft bij brief van 27 januari 2007 geantwoord. Beide brieven behoren tot de stukken van het geding.

1.8. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op

6 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.10. Van de zittingen van 14 december 2006 en 6 september 2007 zijn processen-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteert het vliegveld "A" te Y. Voorts bestaat de exploitatie door belanghebbende uit de volgende activiteiten:

- het geven van vlieglessen en het verzorgen van vliegopleidingen,

- de verhuur van vliegtuigen en bemanning,

- het uitvoeren van rondvluchten,

- het uitvoeren van zakelijke vluchten zoals fotovluchten etc.,

- het uitvoeren van reparaties en onderhoud aan vliegtuigen,

- het leveren van brandstof aan vliegtuigen,

- de exploitatie van een restaurant.

2.2. Belanghebbende heeft op 28 april 1995 voor ƒ 235.392,= een aan B te Y gelegen perceel landbouwgrond gekocht (hierna: het perceel). Het perceel had de bestemming van bedrijventerrein.

2.3. Belanghebbende heeft op 30 oktober 1998 met de gemeente C, waartoe Y behoort, een exploitatieovereenkomst met betrekking tot het perceel gesloten. Daarbij heeft de gemeente zich ertoe verplicht bedrijfsbebouwing toe te staan en het perceel bouwrijp te maken. Belanghebbende heeft zich verplicht tot het betalen van een exploitatiebijdrage van ƒ 101.680,=.

2.4. Het perceel is in november 1998 voor ƒ 701.812,50 verkocht aan B.V D te Y. Het perceel is op 6 juli 1999 geleverd. Bij de verkoop heeft belanghebbende een boekwinst behaald van ƒ 364.741,=.

2.5. Op 10 oktober 2002 heeft belanghebbende een gesprek met wethouder E van de gemeente Y gevoerd, waarin onder meer aan de orde is geweest de mogelijkheid tot het aankopen van een perceel industriegrond ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw.

2.6. Belanghebbende bezat in het onderhavige jaar (1999) zes vliegtuigen. Van twee van deze vliegtuigen heeft zij in 1999 de motoren vervangen door zogenoemde ruilmotoren, zijnde gebruikte, maar gereviseerde motoren van hetzelfde type als de vervangen vliegtuigmotoren. De vervanging vloeide voort uit het door de Nederlandse luchtvaartautoriteiten aan belanghebbende voorgeschreven onderhoudsschema. De vervangen motoren zijn in het kader van de vervanging in eigendom overgedragen aan de leverancier van de ruilmotoren. De kosten van de vervanging beliepen ƒ 75.042,=.

2.7. In de jaren vóór 1999 alsook in de jaren na 1999 heeft belanghebbende de kosten van de in die jaren aangeschafte ruilmotoren voor de heffing van vennootschapsbelasting steeds geactiveerd en afgeschreven.

2.8. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1999 ter zake van de in 2.4 genoemde boekwinst een vervangingsreserve gevormd. Zij heeft voorts in deze aangifte het in 2.6 genoemde bedrag ten laste van haar winst gebracht. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag deze beide bedragen gecorrigeerd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft - na de zitting van 14 december 2006 - uitsluitend nog het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Mag belanghebbende een vervangingsreserve vormen ter zake van de door haar bij de verkoop van het perceel grond behaalde boekwinst, hetgeen belanghebbende verdedigt en de Inspecteur bestrijdt.

3.1.2. Mag belanghebbende de in verband met de vervanging van de vliegtuigmotoren gemaakte kosten ineens ten laste van de winst brengen, gelijk zij betoogt, of moeten die kosten, zoals de Inspecteur verdedigt, worden geactiveerd?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hebben toegevoegd tijdens de onderzoeken ter zitting wordt verwezen naar de processen-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar bedrag van fl. 213.864,=. De Inspecteur concludeert - na wijziging van zijn standpunt tijdens het onderzoek ter zitting - tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag naar een belastbaar bedrag van fl. 646.143,= (€ 293.206,91).

4.Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ter zake van het geschilpunt omschreven onder 3.1.1 overweegt het Hof als volgt.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht belanghebbende niet toegestaan een vervangingsreserve te vormen ter zake van de met de vervreemding van het perceel in 1999 behaalde boekwinst. Daargelaten of het perceel door belanghebbende ten behoeve van de uitoefening van haar bedrijf in gebruik is genomen en derhalve kan worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel, heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, met hetgeen zij heeft aangevoerd tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan het einde van 1999 ter zake van het perceel een vervangingsvoornemen had.

4.2. Ter zake van het geschilpunt omschreven onder 3.1.2 overweegt het Hof als volgt.

Naar het oordeel van het Hof zijn de vliegtuigmotoren van belanghebbende aan te merken als zelfstandige bedrijfsmiddelen dan wel vormen zij een belangrijk zelfstandig onderdeel van het bedrijfsmiddel vliegtuig. Het maakt daarbij geen verschil of sprake is van nieuwe motoren of van gereviseerde motoren van hetzelfde type als de vervangen motoren. Uit de stellingen van partijen volgt naar het oordeel van het Hof immers dat er een zelfstandige markt voor ruilmotoren bestaat. De kosten die gemoeid zijn met de aanschaffing van de motoren moeten derhalve worden geactiveerd. Dit brengt mee dat, indien de motoren, zoals in het onderhavige geval, worden vervangen door andere motoren de ter zake van die vervanging gemaakte kosten eveneens als kosten van aanschaffing dienen te worden geactiveerd. Nu de motoren zijn vervangen door andere motoren, kan - anders dan belanghebbende betoogt - niet meer worden gezegd dat slechts sprake is geweest van kosten in verband met de revisie van de motoren.

4.3. Het Hof stelt daarnaast vast dat belanghebbende, nu zij in het verleden de aanschafkosten van vliegtuigmotoren steeds heeft geactiveerd en afgeschreven en dit ook in de jaren na 1999 heeft gedaan, door de onderhavige kosten in het onderhavige jaar niet te activeren ter zake van de ruilmotoren bij het bepalen van haar belastbare winst niet een bestendige gedragslijn heeft gevolgd. Aldus heeft belanghebbende in het onderhavige jaar naar het oordeel van het Hof in strijd met goed koopmansgebruik gehandeld.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot beide in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur gedurende de procedure nader het standpunt heeft ingenomen dat de correctie inzake de brandstoffen vervalt dient het belastbare bedrag nader vastgesteld te worden op fl. 646.143,= (€ 293.206,91).

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Kosten bezwaar

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar bij de Inspecteur redelijkerwijs heeft moeten maken. De belanghebbende heeft in de bezwaar- en beroepsfase om vergoeding van die kosten gevraagd en de Inspecteur heeft zich in de beroepsfase niet verzet tegen vergoeding van die kosten.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punt) x € 161,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 241,50.

7. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.449,=.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag naar een belastbaar bedrag van fl. 646.143,= (€ 293.206,91);

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,=;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar en het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op respectievelijk € 241,50 en € 1.449,=; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht, de kosten van het bezwaar en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 20 maart 2008 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.