Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC9474

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
20-002366-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Toevoegen aan opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee van het woord “racist” onder de gegeven omstandigheden beledigend.

2. Beroep op rechtvaardigingsgrond artikel 266, tweede lid, Sr faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-002366-07

Uitspraak : 1 april 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 18 juni 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-628180-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, werd veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van EUR 220,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van EUR 220,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat:

- primair de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

- subsidiair de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van het feit, in verband met het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

- meer subsidiair zal worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2006 te Roosendaal opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] (opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten een controle op de naleving van de bepalingen in of bij de Vreemdelingenwet 2000, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "racist", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast.

Op 11 september 2006 heeft verdachte op het station in Roosendaal tegen [verbalisant 1], opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, het woord "racist" toegevoegd. [Verbalisant 1] was op dat moment belast met de uitoefening van een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.1

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat slechts zou kunnen worden bewezen verklaard "eenvoudige belediging" zoals omschreven in artikel 266 Wetboek van Strafrecht en niet de gekwalificeerde belediging zoals omschreven in artikel 267 Wetboek van Strafrecht (kort gezegd: belediging van een ambtenaar in functie). Daartoe is aangevoerd dat verdachte weliswaar [verbalisant 1] het woord "racist" heeft toegevoegd, maar dat deze [verbalisant 1] toen niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, omdat de door hem uitgevoerde controle discriminatoir van aard was. Allereerst was verdachte, een neger, de enige van de personen die uit de trein stapten die werd gecontroleerd. Voorts vroeg [verbalisant 1], terwijl daarvoor geen enkele reden bestond, bij de controle nadere informatie omtrent verdachte op.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Het verweer ontbeert feitelijke grondslag. Anders dan de verdediging stelt, is niet gebleken dat verdachte op het moment van de onderhavige controle als enige werd gecontroleerd. Uit de getuigenverklaring van [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de getuige met vijf collega's verschillende treinreizigers, en hijzelf in het bijzonder naast verdachte circa drie personen, controleerde en bovendien dat de verdachte, kort voor het moment dat hij werd gecontroleerd, een omtrekkende beweging maakte op het perron. Dit opvallende gedrag was onder de gegeven omstandigheden reeds voldoende reden om verdachte te vragen om een identiteitsbewijs, aangezien het erop kon duiden dat de verdachte probeerde om controle door de Koninklijke Marechaussee te ontlopen.

Voorts is een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee bevoegd om in het kader van een controle als voornoemd bij de meldkamer informatie omtrent de te controleren persoon op te vragen. Geen rechtsregel staat daaraan in de weg. Het is volstrekt niet aannemelijk geworden dat de verbalisant enkel om discriminerende redenen een controle uitvoerde.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep voorts ten verweer betoogd dat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat het woord "racist" niet beledigend is en het een neutrale, feitelijke lading heeft, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [verbalisant 1] beledigd heeft in de zin van de artikelen 266 en 267 Wetboek van Strafrecht. Subsidiair is aan dit verweer ten grondslag gelegd dat verdachte geen opzet had op het beledigende karakter van zijn uitlating.

Het hof overweegt als volgt.

Het woord "racist" kan in zijn algemeenheid weliswaar als een neutraal woord worden aangemerkt, doch de beoordeling van de uiting van dat woord dient te geschieden met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Blijkens het proces-verbaal2 en de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van getuige [naam verbalisant 1]3 heeft verdachte op een perron waar zich andere reizigers en collega's van [verbalisant 1] bevonden van een afstand van circa 30 meter het woord "racist" geroepen naar die [verbalisant 1]. De uitlating was daarmee niet alleen voor verbalisant, maar ook voor anderen hoorbaar. Daarmee kan het niet anders zijn dan dat het woord "racist" de strekking had [verbalisant 1] in zijn eer of goede naam aan te randen of hem in een ongunstig daglicht te stellen. Immers de verdachte wilde kennelijk publiekelijk aan [verbalisant 1] het verwijt maken dat deze, in zijn werk als politieman, jegens de verdachte discriminerend of racistisch was opgetreden in verband met de voorafgaande controle. Dit is niet meer te zien als een feitelijke discussie tussen verdachte en verbalisant over die controle. Gelet daarop kon het woord "racist" als beledigend worden opgevat. Uit het feit dat verdachte het woord "racist" over een afstand en luidkeels toevoegde aan [verbalisant 1], blijkt naar het oordeel van het hof eveneens de opzet van verdachte op het beledigende karakter van de uitlating. Het feit dat de [verbalisant 2] als getuige in hoger beroep dit ter terechtzitting niet meer kon herinneren doet aan het gestelde in het ambtsedig proces-verbaal naar het oordeel van het hof niet af.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2006 te Roosendaal opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten een controle op de naleving van de bepalingen in of bij de Vreemdelingenwet 2000, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "racist".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 267, aanhef en onder 2, juncto artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte [verbalisant 1] in gepaste bewoordingen wilde duidelijk maken dat hij zich racistisch bejegend voelde door het openbaar gezag.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt het verweer aldus dat daaraan ten grondslag is gelegd dat verdachte in het kader van een gesprek een oordeel wilde geven over het overheidsoptreden jegens hem. Het hof is, zoals hiervoor reeds overwogen, evenwel van oordeel dat de gewraakte uitlating van verdachte waarvoor proces-verbaal is opgemaakt niet heeft plaatsgevonden in het kader van een gesprek, doch dat verdachte dit van een afstand over het perron heeft geroepen naar [verbalisant 1]. Het hof kan dit niet zien als het geven van een oordeel over de behartiging van openbare belangen dat er niet op gericht is onnodig grievend te zijn, maar als het publiekelijk beschimpen van een politieman omdat deze hem, verdachte, heeft gecontroleerd. Derhalve is naar het oordeel van het hof ten aanzien van de ten laste gelegde uiting geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Ten aanzien van verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit een geldboete ter hoogte van

EUR 220,00 subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als de eerste rechter.

De verdediging heeft het hof - mocht het tot een veroordeling komen - verzocht geen straf of maatregel op te leggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten bezware van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het verbale geweld gericht is tegen een militair van de Koninklijke Marechaussee, en dat verdachte dit verbale geweld heeft gebezigd zonder daartoe redelijke grond te hebben gehad, terwijl voorts militairen van de Koninklijke Marechaussee evenals ambtenaren van politie bij de uitoefening van hun werkzaamheden in het bijzonder bescherming tegen dergelijke feiten verdienen;

- de omstandigheid dat voornoemd verbaal geweld een ondermijning van het openbaar gezag betekent en dat de verbalisant door dit handelen in zijn eer en goede naam is aangetast, waarvan verdachte zich kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven.

Ten voordele van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2008, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten door een strafrechter is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van de gevorderde geldboete in dit geval een passende reactie.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende en terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 220,00 (tweehonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. E.F.G.M. Gelderman,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 1 april 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof d.d. 31 januari 2008 ("Ik heb op 11 september 2006 op het perron van het station te Roosendaal tegen een beambte van de Koninklijke Marechaussee gezegd dat ik hem een racist vond"), in combinatie met de verklaring van getuige [naam verbalisant 1], zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof d.d. 18 maart 2008.

2 Zie het ambtsedig proces-verbaal van Brigade KMAR Hoogerheide, d.d. 5 oktober 2006, pvb-nr. 11.09.2006.1335.1357, opgemaakt door [verbalisant 1], opperwachtmeester, en [verbalisant 2], wachtmeester, voor zover inhoudende het relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen.

3 Zie de verklaring van getuige [naam verbalisant 1], zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2008.