Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC9201

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
06/00381
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Staat is - in al zijn onderdelen - gebonden aan de door hem gesloten verdragen. Wanneer de opsteller van de Regeling dan ook opmerkt dat de in de Regeling gebruikte termen moeten worden uitgelegd conform de betekenis die zij hebben in de betreffende verdragen, is die opmerking in zoverre overbodig, dat ook zonder deze opmerking de Regeling verdragsconform dient te worden geïnterpreteerd. Dit houdt in, dat ofschoon in de Toelichting op de Regeling slechts ten aanzien van de diplomatenvrijstellingen wordt opgemerkt dat de terminologie van "de Weense verdragen" (zie 4.5) moet worden gehanteerd, ook voor de militaire vrijstelling moet worden aangenomen dat de gebruikte termen in overeenstemming zijn met het toepasselijke verdrag. Met andere woorden: voor de toepassing van de militaire vrijstelling moet het begrip "duurzaam verblijf" worden uitgelegd conform het NAVO Statusverdrag.

Niet in geschil is dat belanghebbendes echtgenote behoort tot de civiele dienst van de Amerikaanse krijgsmacht in Nederland als bedoeld in artikel I van het NAVO Statusverdrag. Volgens de aldaar gegeven definitie kan een persoon, die duurzaam zijn verblijfplaats pleegt te hebben in Nederland, niet behoren tot die civiele dienst. Het Hof is van oordeel dat de woorden "verblijfplaats plegen te hebben" dezelfde betekenis hebben als de woorden "duurzaam verblijf houden". Dit brengt mee, dat zolang belanghebbendes echtgenote onderdeel uitmaakt van de civiele dienst van de Amerikaanse krijgsmacht in Nederland, zij geacht wordt niet duurzaam verblijf te houden in Nederland, ook niet indien haar verblijf de periode van 10 jaar overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/38.1.4
FutD 2008-0870
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00381

Uitspraak van de vierde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y, hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Maastricht (hierna: de Rechtbank) van 22 augustus 2006, nummer 05/2192 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Z,

hierna: de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 wegens het gebruik van de onroerende zaak (woning met aanhorigheden) gelegen aan de A-straat 5 te Y (hierna: de onroerende zaak) een aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Z opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar.

1.5. Belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Belanghebbende heeft voorts de verblijfsvergunningen van hemzelf en zijn echtgenote aan het Hof getoond. De bode heeft hiervan kopieën gemaakt ten behoeve van het Hof en van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken, zodat het Hof deze kopieën tot de stukken van het geding rekent.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote waren op 1 januari 2005 gebruiker van de onroerende zaak. Zij hebben de Amerikaanse nationaliteit en wonen sedert juli 1989 in Nederland. De echtgenote van belanghebbende is werkzaam als lerares bij de AFNORTH-school in C.

2.2. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken over door het Ministerie van Justitie afgegeven verblijfsvergunningen. Deze vergunningen bevatten de aantekening "Verblijf als Navo vreemdeling. Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht."

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende heeft ter zitting zijn beroep op artikel X van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (NAVO Statusverdrag) uitdrukkelijk ingetrokken.

Het geschil betreft na deze intrekking uitsluitend nog het antwoord op de vraag

Heeft belanghebbende op grond van de Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 (hierna: de Regeling) recht op vrijstelling van gemeentelijke onroerende zaakbelastingen?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, welke aan partijen is toegezonden.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de heffingsambtenaar, en vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard zich voor het Hof uitsluitend te beroepen op artikel 5 van de Regeling in samenhang met artikel I, lid 1, letter b, van het NAVO Statusverdrag.

4.2. Artikel 5 van de Regeling luidt, voor zover hier van belang:

"1. Van de in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en c, genoemde belastingen zijn vrijgesteld:

a. leden van een krijgsmacht, een civiele dienst en hun gezinsleden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, letters a, b, en c van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

(...)

2. Personen die Nederlander zijn, en personen die in Nederland duurzaam verblijf houden, zijn van de vrijstelling, genoemd in het eerste lid, uitgezonderd."

Artikel I, lid 1, letter b, van het NAVO Statusverdrag luidt:

"In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking:

(...)

(b) "civiele dienst": het burgerpersoneel, hetwelk een krijgsmacht van een Verdragsluitende Partij vergezelt en dat in dienst is bij een der strijdkrachten van die Verdragsluitende Partij, met uitzondering van staatloze personen of onderdanen van de Staat, waarin de krijgsmacht zich bevindt, of personen, die aldaar hun verblijfplaats plegen te hebben".

4.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt, dat het begrip "duurzaam verblijf houden in Nederland" zoals gebruikt in artikel 5, lid 2, van de Regeling, beoogt aan te sluiten bij de zojuist geciteerde definitie van artikel I van het NAVO Statusverdrag. Aangezien belanghebbende en zijn echtgenote in Nederland - blijkens de door belanghebbende overgelegde verblijfsvergunningen - worden aangemerkt als NAVO-vreemdelingen en aldus voor toepassing van artikel I van het NAVO Statusverdrag "niet [in Nederland] hun verblijfplaats plegen te hebben", zou het ongerijmd zijn om voor toepassing van de Regeling wel aan te nemen dat belanghebbende duurzaam in Nederland zou verblijven. De heffingsambtenaar betoogt daarentegen dat hij zelfstandig kan toetsen of belanghebbende duurzaam in Nederland verblijft, en dat deze toets een feitelijke aangelegenheid betreft. De heffingsambtenaar hanteert bij deze toets onder andere het criterium van een verblijf langer dan 10 jaar, hetgeen zou betekenen, dat een lid van de (civiele dienst van de) Amerikaanse krijgsmacht die naar Nederland wordt uitgezonden, vanaf het 11e jaar van uitzending geacht wordt duurzaam in Nederland te verblijven.

4.4. Artikel 3, lid 2, van de Regeling bepaalt, voor zover hier van belang:

"Van de [gemeentelijke onroerende zaakbelasting] zijn vrijgesteld de leden van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere mogendheden, met uitzondering van de honoraire consulaire ambtenaren, mits zij geen Nederlander zijn en niet duurzaam verblijf houden in Nederland."

4.5. In de Toelichting bij de Regeling wordt het volgende opgemerkt.

"1. Algemeen

De Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentebelasting 1997 is gebaseerd op artikel 243 Gemeentewet. Dit artikel geeft de ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën de bevoegdheid om nadere regels te geven over vrijstelling van gemeentelijke belastingen wanneer het volkenrecht of het internationale gebruik naar hun oordeel tot zo 'n vrijstelling noodzaakt.

Voor de diplomatieke vrijstellingen is met name het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van belang. De vrijstellingen die gelden voor consulaire vertegenwoordigingen en hun leden, vinden hun grondslag in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. (...) Begrippen die in de regeling gebruikt worden, komen overeen met de terminologie van de Weense verdragen.

Naast de diplomatieke en consulaire vrijstellingen noemt de regeling een aantal bijzondere internationale vrijstellingen. Deze vrijstellingen vinden hun grond niet in een rechtstreekse werkende internationale overeenkomst, maar zijn in samenhang met een dergelijke overeenkomst of op grond van internationaal gebruik gerechtvaardigd.

2. Artikelsgewijs

Artikel 3

(...)

Het tweede lid bepaalt dat de leden van vertegenwoordigingen van andere mogendheden zijn vrijgesteld van onroerende-zaakbelasting en belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten, beide terzake van het feitelijk gebruik (...). Zij mogen voor de toepassing van de vrijstelling geen Nederlander zijn en geen duurzaam verblijf houden in Nederland.

Artikel 5

(...)

Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, geeft het tweede lid aan dat de vrijstelling niet geldt voor personen die Nederlander zijn, dan wel duurzaam verblijf houden in Nederland."

4.6. Kortheidshalve zal het Hof de vrijstelling van artikel 3, lid 2, van de Regeling aanduiden als de diplomatenvrijstelling, en de vrijstelling van artikel 5 van de Regeling (waarop belanghebbende een beroep doet) als de militaire vrijstelling. Deze aanduidingen dekken niet volledig de lading, maar dienen slechts ertoe het lezen te vergemakkelijken en zijn in dat kader toereikend.

4.7. De Staat is - in al zijn onderdelen - gebonden aan de door hem gesloten verdragen. Wanneer de opsteller van de Regeling dan ook opmerkt dat de in de Regeling gebruikte termen moeten worden uitgelegd conform de betekenis die zij hebben in de betreffende verdragen, is die opmerking in zoverre overbodig, dat ook zonder deze opmerking de Regeling verdragsconform dient te worden geïnterpreteerd. Dit houdt in, dat ofschoon in de Toelichting op de Regeling slechts ten aanzien van de diplomatenvrijstellingen wordt opgemerkt dat de terminologie van "de Weense verdragen" (zie 4.5) moet worden gehanteerd, ook voor de militaire vrijstelling moet worden aangenomen dat de gebruikte termen in overeenstemming zijn met het toepasselijke verdrag. Met andere woorden: voor de toepassing van de militaire vrijstelling moet het begrip "duurzaam verblijf" worden uitgelegd conform het NAVO Statusverdrag.

4.8. Niet in geschil is dat belanghebbendes echtgenote behoort tot de civiele dienst van de Amerikaanse krijgsmacht in Nederland als bedoeld in artikel I van het NAVO Statusverdrag. Volgens de aldaar gegeven definitie kan een persoon, die duurzaam zijn verblijfplaats pleegt te hebben in Nederland, niet behoren tot die civiele dienst. Het Hof is van oordeel dat de woorden "verblijfplaats plegen te hebben" dezelfde betekenis hebben als de woorden "duurzaam verblijf houden". Dit brengt mee, dat zolang belanghebbendes echtgenote onderdeel uitmaakt van de civiele dienst van de Amerikaanse krijgsmacht in Nederland, zij geacht wordt niet duurzaam verblijf te houden in Nederland, ook niet indien haar verblijf de periode van 10 jaar overschrijdt.

4.9. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat hij zelfstandig bevoegd zou zijn te toetsen of belanghebbende duurzaam in Nederland verblijft, stuit af op de omstandigheid dat de heffingsambtenaar gebonden is aan de Regeling en de daarin opgenomen begrippen, welke begrippen, zoals hiervoor uiteengezet, verdragsconform dienen te worden uitgelegd.

4.10. Uit het voorgaande volgt, dat belanghebbende, als gezinslid van een lid van de civiele dienst van de Amerikaanse krijgsmacht, is vrijgesteld van de gemeentelijke onroerende zaakbelastingen op grond van artikel 5 van de Regeling.

4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende en dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard.

5. Griffierecht

De gemeente Z dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 respectievelijk € 105 te vergoeden.

6. Proceskosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 4 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.932 vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zittingen, berekend naar de kosten van openbaar vervoer 2de klasse,

ad € 9,52 (naar de Rechtbank Maastricht) en € 28,81 (naar het Hof), ofwel in totaal € 1.960,33.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag;

- gelast dat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 142 wordt vergoed;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.960,33, en

- wijst de gemeente Z aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 12 februari 2008 door J. Swinkels, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en S. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.