Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC8338

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
HV 103.008.516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vrouw is niet-ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep gedane verzoek om de termijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 1:157 lid 4 BW te verlengen, nu dit verzoek is gedaan na het verstrijken van de termijn van 3 maanden van art. 1:157 lid 5 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/90
RFR 2008, 72

Uitspraak

BSU

27 maart 2008

Sector civiel recht

ReISnummer HV 103.008.516

Zaaknummer eerste aanleg 131809/FA RK 05-3613

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats] (Aruba),

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna: de man,

procureur: mr. B. van den Anker.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2003 voor wat betreft de daarin vastgestelde door de man te betalen partneralimentatie aldus te wijzigen, dat die bijdrage met ingang van 6 september 2005 nader wordt vastgesteld op € 511,51 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en de door het hof te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2007, heeft de man verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen, en de vrouw te veroordelen in de proceskosten van het onderhavige geding.

Tevens heeft de man hierbij incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw in eerste aanleg af te wijzen, althans de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op een bedrag dat het hof juist en redelijk acht.

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ter griffie ingekomen op 13 november 2007, heeft de vrouw verzocht het verzoek van de man af te wijzen en het door de man ingestelde incidenteel appel ongegrond te verklaren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift, het incidenteel beroepschrift en het verweerschrift in het incidenteel appel;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 november 2006;

- de brief d.d. 2 januari 2008 van de advocaat van de man.

2.5. De mondelinge behandeling was aanvankelijk vastgesteld op 10 januari 2008, maar is op verzoek van de advocaat van de vrouw aangehouden tot 21 februari 2008. Op laatstgenoemde datum zijn de vrouw en haar advocaat gehoord. De man is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.

Mr. Van den Anker, die al bij haar voormelde brief van 2 januari 2008 in haar hoedanigheid van procureur van de man aan het hof had bericht dat de man haar niet in staat stelde om nog langer als advocaat voor hem op te treden en dat zij om die reden niet ter zitting van 10 januari 2008 aanwezig zou zijn, is op 21 februari 2008 evenmin verschenen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het incidenteel beroepschrift.

4. De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep.

4.1. Partijen zijn op 22 juli 1983 gehuwd. Dit huwelijk is op 2 april 1985 door echtscheiding ontbonden. Op 27 juni 1988 zijn partijen opnieuw met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 14 juli 1994 is tussen partijen opnieuw de echtscheiding uitgesproken en is, voor zover thans van belang, de door de man te betalen bijdrage in het levensonder- houd van de vrouw vastgesteld op ƒ 250,-- per maand. Deze beschikking is op 23 augustus 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Voormelde onderhoudsbijdrage is daarna een aantal keren bij rechterlijke uitspraak gewijzigd. Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2003 is de door de man voor de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juni 2002 vastgesteld op nihil.

4.3. Bij op 6 september 2005 ter griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking van het gerechtshof Amsterdam te wijzigen in die zin, dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 september 2005 nader wordt vastgesteld op € 811,51 per maand. De man heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd. Bij de beschikking, waarvan beroep, heeft de rechtbank de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2003 aldus gewijzigd dat de partneralimentatie met ingang van 6 september 2005 en eindigende op 23 augustus 2006 nader wordt bepaald op € 511,51 per maand, waarbij de rechtbank onder meer heeft overwogen dat de onderhoudsverplichting van de man op grond van het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 BW met ingang van 23 augustus 2006 van rechtswege is geëindigd.

4.4. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij berust in die beschikking voorzover daarbij de door de man te betalen bijdrage in haar levens¬onderhoud is vastgesteld op € 511,51 bruto per maand, maar de vrouw kan zich niet verenigen met beëindiging van de onderhoudsverplichting per 23 augustus 2006.

Naar de mening van de vrouw is de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid van artikel 1:157 BW bedoelde termijn van zó ingrijpende aard dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

Hoewel de vrouw zich realiseert dat een verzoek tot verlenging van de termijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW moet worden ingediend voordat 3 maanden sinds de beëindiging zijn verstreken en die termijn inmiddels is verstreken, is de vrouw van mening dat zij alsnog aan het hof kan verzoeken een (langere) termijn vast te stellen nu de beschikking, waarvan beroep, dateert van 15 december 2006.

4.5. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep. Hij is van mening dat de vrouw niet voor het eerst in hoger beroep al dan niet bij wege van wijziging of vermeerdering van het in eerste aanleg gedane verzoek tot wijziging van de alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de man, verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting kan verzoeken en dat bovendien dat verzoek tot verlenging buiten de in artikel 1:157 lid 5 BW voorgeschreven termijn van drie maanden is ingediend.

Subsidiair is de man van mening dat er voor verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting geen zwaarwegende redenen bestaan.

4.6. Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de man betoogt, vertoont het door de vrouw voor het eerst in hoger beroep gedane verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting van de man voldoende samenhang met het door haar in eerste aanleg gedane verzoek tot nadere vaststelling van de door de man voor de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage. Nu de man in hoger beroep inhoudelijk heeft gereageerd op het gewijzigde verzoek van de vrouw, zal het hof de tegen de wijziging van het verzoek gerichte bezwaren verwerpen nu er geen strijd is met een goede procesorde.

4.7. Het vorenstaande kan de vrouw echter niet baten. De verplichting van de man om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van de rechtbank Arnhem van 14 juli 1994 en derhalve na de inwerkingtreding op 1 juli 1994 van de Wet limitering alimentatie. Op grond van het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat de beschikking tot echtscheiding op 23 augustus 1994 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat de verplichting van de man om bij te dragen in het levensonderhoud van rechtswege is geëindigd op 23 augustus 2006.

Nu de vrouw haar op artikel 1:157 lid 5 BW gebaseerde verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting op 6 maart 2007 en derhalve niet binnen de in dat artikel voorgeschreven termijn van drie maanden heeft gedaan, moet de vrouw niet-ontvankelijk worden verklaard in haar desbetreffende verzoek. Het betreft hier een vaste termijn met als achterliggend idee dat er rechtszekerheid en rechtsgelijkheid dient te bestaan waar het de duur c.q. het voortbestaan van de verplichting tot levensonderhoud betreft. In dit verband dient tevens te worden bedacht dat, naar het oordeel van de wetgever, onderhoudsuitkeringen na scheiding niet een onbeperkt karakter behoren te hebben (K.19295, nr. 70).

4.8. Voor een veroordeling van de vrouw in de proceskosten, zoals door de man verzocht, acht het hof geen termen aanwezig, hetgeen temeer geldt nu de man van zijn kant incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel tussen partijen compenseren.

4.9. In dat incidenteel appel heeft de man de behoefte van de vrouw aan aanvullende alimentatie en zijn draagkracht tot betaling van de vastgestelde bijdrage van € 511,51 per maand ter discussie gesteld.

De behoefte:

4.10. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 811,51 bruto per maand en heeft in dit verband aangevoerd dat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet blijkt in hoeverre zij arbeidsongeschikt is en dat hij van mening is dat de vrouw om die reden in staat geacht moet worden deel te nemen aan het arbeidsproces en daarmee in haar eigen behoefte te voorzien.

De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

4.11. Het hof stelt voorop dat zowel door het gerechtshof Arnhem in zijn beschikking van 21 oktober 1997, als door het gerechtshof Amsterdam in zijn beschikking van 20 maart 2003 is overwogen dat de man de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud niet heeft betwist. De man betwist die behoefte nu wel, maar hetgeen hij ter toelichting hierop heeft aangevoerd, rechtvaardigt - gelet op hetgeen het gerechtshof Arnhem en het gerechtshof Amsterdam als voormeld hebben overwogen - niet de conclusie dat de vrouw in staat is deel te nemen aan het arbeidsproces en met het daarmee te verwerven inkomen in haar behoefte te voorzien.

Als door de vrouw gesteld en door de man niet, althans onvoldoende, weersproken staat immers vast dat de vrouw gedurende de jaren 1996 tot en met 1999 een uitkering ingevolge de ziektewet heeft ontvangen en dat zij sinds het jaar 2000 voor 100% arbeidsongeschikt is en via het UWV een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt. Daarmee staat tevens vast dat de vrouw niet door het verrichten van arbeid in loondienst in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

4.12. De man heeft voorts aangevoerd dat de vrouw uit de nalatenschap van haar op 27 juni 2005 overleden moeder een aanzienlijk geldbedrag heeft ontvangen en dat de vrouw door deze nalatenschap over vermogen beschikt, waaruit zij inkomsten genereert die haar behoefte aan partneralimentatie verminderen. De vrouw heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat zij geld uit een nalatenschap heeft ontvangen. Nu de man zijn stellingen dienaangaande niet nader heeft onderbouwd en te dier zake ook geen bewijs heeft aangeboden, gaat het hof verder aan deze stelling voorbij.

4.13. De man heeft verder gesteld dat de vrouw terzake van kale huur een bedrag van € 802,64 per maand verschuldigd is, hetgeen er volgens de man op wijst dat de vrouw over een aanzienlijk hoger inkomen beschikt dan zij wil doen voorkomen. Daarnaast heeft de man aangevoerd dat de woonlasten van de vrouw niet (volledig) op hem afgewenteld mogen worden.

4.14. Aan de man kan worden toegegeven dat er sprake is van betrekkelijk hoge woonlast. De vrouw heeft evenwel een afdoende verklaring gegeven voor haar verhuizing naar een dure huurwoning in [woonplaats]. Deze verhuizing hield mede verband met de mogelijkheid van de zoon van partijen om bij PSV te komen voetballen en met de wens van de dochter van partijen om in [plaatsnaam] aan de Design Academy te gaan studeren. Daar komt nog bij dat de moeder van de vrouw aanvankelijk bij de vrouw heeft ingewoond en - naar het hof begrijpt - via haar AOW-uitkering bijdroeg in de woonlasten en in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en dat ook de beide kinderen via hun uitkering in het kader van de Wet studiefinanciering aan de huur meebetaalden. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage van de beide meerderjarige kinderen in de huur vastgesteld op in totaal € 300,-- per maand. Daartegen is door de man geen grief aangevoerd. Uitgaande van deze situatie kan niet worden gezegd dat er sprake is van een in verhouding tot het inkomen van de vrouw onredelijke woonlast en evenmin dat de vrouw een hoger inkomen heeft dan zij stelt te hebben.

4.15. In het kader van de bespreking van de behoefte van de vrouw heeft de man ook nog gesteld dat hij door de minimale inzage in de gegevens van de vrouw niet weet of een deel van de behoefte van de vrouw is toe te schrijven aan de kosten voor de kinderen en dat, mocht hiervan sprake zijn, deze kosten niet zonder meer op de man kunnen worden afgewenteld nu de zoon van partijen, die volgens de man al jarenlang op hoog niveau bij verschillende grote voetbalclubs speelt, thans onder contract staat bij Vitesse en daar een zodanig inkomen heeft dat hij volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. Bij gebreke van een nadere toelichting is deze stelling niet begrijpelijk en bovendien voor een deel onjuist, nu de vrouw in haar verweerschrift in het incidenteel appel heeft gesteld en door het niet-verschijnen van de man ter zitting onweersproken is gebleven, dat [zoon] slechts gedurende een korte periode bij PSV heeft gevoetbald, doch geblesseerd raakte en thans op amateurbasis bij Vitesse [plaatsnaam] speelt en slechts een vergoeding van de werkelijk gemaakte onkosten ontvangt.

4.16. Uit al het voorgaande volgt dat grief I moet worden verworpen.

4.17. In grief II stelt de man zijn draagkracht ter discussie en betwist hij uitdrukkelijk dat hij over voldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen.

De man heeft deze stelling echter niet met bescheiden gestaafd en is zijn toezegging om op korte termijn de ontbrekende stukken zo nodig met aanvullende toelichting en met een draagkrachtberekening na te sturen niet nagekomen, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.

Nu het hof niet in staat is gesteld de draagkracht van de man zelfstandig te beoordelen, dient ook deze grief te worden verworpen.

4.18. Uit het voorgaande volgt dat in het incidenteel appel de beschikking, waarvan beroep, wordt bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

In het principaal appel:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW;

wijst af het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten van het geding;

in het incidenteel appel:

bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep;

in het principaal en incidenteel appel:

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 maart 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.