Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC8291

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
20-000541-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Uitleg tenlastelegging: onder het verwijt in de tenlastelegging, dat de paarden en/of pony's niet werden bijgevoerd verstaat het hof dat de paarden en/of pony's niet voldoende werden (bij)gevoerd.

2. Op de parlementaire geschiedenis en de tekst van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) baseert het hof zijn oordeel dat genoemd artikel niet slechts van toepassing is op "productiedieren", maar op alle dieren die gehouden worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000541-06

Uitspraak: 12 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 januari 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-830319-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en de verdachte ter zake zal veroordelen tot de hierna te vermelden straffen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

In de tenlastelegging, zoals opgenomen in de inleidende dagvaarding, verwijt de steller hiervan onder andere (zakelijk weergegeven) dat de verdachte(n) de nodige verzorging heeft/hebben onthouden aan paarden en/of pony's. Dit verwijt wordt nader omschreven, onder meer, door te stellen dat niet is gezorgd voor voldoende (vers) drinkwater. Waar in de verdere nadere omschrijving van de gedraging wordt gesteld, dat de paarden en/of pony's niet bijgevoerd werden, heeft de steller, gelet op de opbouw van de tenlastelegging, kennelijk bedoeld te stellen dat verdachte(n) er niet voor gezorgd heeft/hebben dat de paarden en/of pony's voldoende werden (bij)gevoerd.

Het hof zal de tenlastelegging aldus verstaan. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Aan de verdachte is met inachtneming van het vorenstaande ten laste gelegd:

dat hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2004 tot en met 21 januari 2005

te Bladel, op een of meer perce(e)l(en) nabij de[adres 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als houder van een of meer dieren, te weten:

- 30 stuks, althans een of meer, pony's en/of paarden en/of

- 28 stuks, althans een of meer, schapen en/of

- 11 stuks, althans een of meer, geiten/bokken,

aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) er niet voor gezorgd dat:

- die paarden en/of pony's op (een van) voormeld(e) perce(e)l(en) droog

konden staan en/of liggen en/of konden schuilen tegen slechte weers-

omstandigheden;

- er voldoende (vers) drinkwater was in de (kennelijk) voor drinkwater bestemde

bakken;

- er een met (vers) hooi gevulde ruif was;

- die paarden en/of pony's voldoende (bij)gevoerd werden;

- die schapen en/of geiten/bokken op (een van) voormeld(e) perce(e)l(en)

droog konden staan en/of liggen;

- die schapen en/of geiten/bokken op (een van) voormeld(e) perce(e)l(en) niet op

een laag pure natte mest van circa één meter stonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 21 januari 2005 te Bladel, op een perceel nabij de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander, als houder van dieren, te weten:

- paarden en

- schapen en

- geiten,

aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers hebben verdachte en zijn mededader er niet voor gezorgd dat:

- die paarden op voormeld perceel droog konden staan en/of liggen en/of konden

schuilen tegen slechte weersomstandigheden;

- er voldoende (vers) drinkwater was;

- die paarden voldoende (bij)gevoerd werden;

- die schapen en geiten op voormeld perceel droog konden staan en/of liggen;

- die schapen en geiten op voormeld perceel niet op een laag natte mest

stonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A

Door de raadsman is aangevoerd dat de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD) en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur zien op de zorg voor productiedieren en dat, nu de in de tenlastelegging genoemde dieren geen productiedieren zijn, het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Ten laste is gelegd artikel 37 GWWD. In de parlementaire geschiedenis is ten aanzien van artikel 37 (destijds artikel 37d) GWWD onder meer het volgende opgemerkt:

"Deze verbodsbepaling is afgesplitst van bepalingen inzake dierenmishandeling van het Wetboek van Strafrecht. Vervallen zijn wel de zinsnede 'zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is' en de term 'nodeloos'. Wij menen dat er geen enkel doel is dat het onthouden van de nodige verzorging als middel heiligt. In de huidige redactie behoeft er derhalve geen afweging tussen doel en middel meer plaats te vinden en is het onthouden van de nodige verzorging aan een dier zonder meer strafbaar." (Kamerstukken II 1984/85, 16447, nr. 7, p. 31)

Gelet hierop en op de tekst van artikel 37 GWWD is het hof van oordeel dat genoemd artikel van toepassing op alle dieren die gehouden worden. Ook overigens is voor de stelling van de raadsman geen steun te vinden in het recht. Het verweer wordt derhalve verworpen.

B

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat het opsporingsonderzoek zodanig onzorgvuldig en onbehoorlijk is uitgevoerd, dat - zo begrijpt het hof - de resultaten daarvan niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs.

Het hof verwerpt dit verweer, nu niet is gebleken van een zodanig onzorgvuldig en/of onbehoorlijk opsporingsonderzoek, dat de resultaten daarvan - voor zover gebezigd tot het bewijs - daartoe niet als zodanig bruikbaar zouden zijn.

C

Door de raadsman is verder aangevoerd dat de getuigenverklaringen ter terechtzitting van het hof afgelegd, zodanig onjuist en inconsistent zijn dat deze als onbetrouwbaar moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof verwerpt ook dit verweer, nu ten aanzien van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van getuigen niet is gebleken van inconsistentie of onjuistheid, die deze getuigenverklaringen als zodanig voor het bewijs onbruikbaar maken. Deze verklaringen elk op zichzelf beschouwd vinden bevestiging en/of versterking in de overige bewijsmiddelen.

Hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling is aangevoerd doet aan het oordeel van het hof niet af.

D

Door de verdediging is tenslotte nog het verweer gevoerd dat de slechte lichamelijke conditie waarin de dieren zich op 21 januari 2005 bevonden verklaard kan worden door vergiftiging.

Het hof overweegt hieromtrent, dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit is gebleken of aannemelijk is geworden dat de slechte conditie van de aangetroffen dieren is veroorzaakt door vergiftiging. Derhalve faalt ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens voorzien bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en strafbaar gesteld bij artikel 122 (oud), eerste lid, van die wet, in verband met het bepaalde in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechter in eerste aanleg heeft de verdachte veroordeeld tot taakstraf, te weten een werkstraf, voor de duur van 180 uren, voor het geval de werkstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd te vervangen door 90 dagen hechtenis, en voorts tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf, te weten een werkstraf, voor de duur van 200 uren, voor het geval de werkstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede tot gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Door de verdediging is primair bepleit, voor het geval het hof mocht komen tot bewezen-verklaring van het ten laste gelegde, de verdachte op de voet van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder toepassing van straf of maatregel.

Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht aan de verdachte geen andere of zwaardere straffen op te leggen dan de straffen die de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

De verdachte heeft, samen met zijn echtgenote, de medeverdachte [medeverdachte 1], in ernstige mate de nodige verzorging onthouden aan paarden, schapen en geiten.

Anders dan door de raadsman bepleit acht het hof, gezien de ernstige mate van verwaarlozing van genoemde dieren, oplegging van een taakstraf, bestaande uit het verrichten van een werkstraf, aangewezen.

Met oplegging daarnaast van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de bepaling van deze straffen heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In aanmerking nemend dat het hof minder bewezen heeft verklaard dan hetgeen waarvan de advocaat-generaal in haar vordering is uitgegaan, ziet het hof aanleiding de duur van de werkstraf en de duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf enigszins te matigen en te bepalen op het hieronder te vermelden aantal uren en duur.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden dat de verdachte ter zake soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld en dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken en gedurende die tijd niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten als de onderhavige.

Beslag

Overeenkomstig de beslissing van de rechter in eerste aanleg heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof als bijkomende straf aan de verdachte zal opleggen dat de in beslag genomen 29 paarden, 25 schapen en 10 geiten worden verbeurd verklaard.

Door de verdediging is bezwaar gemaakt tegen de verbeurdverklaring van de in beslag genomen dieren.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven dieren, volgens opgave van verdachte mede aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het ten laste gelegde en bewezen verklaarde met betrekking tot deze dieren is begaan. Het hof heeft hierbij de in beslag genomen 29 paarden, 25 schapen en 10 geiten als een gezamenlijkheid van voorwerpen aangemerkt.

Bij het opleggen van de bijkomende straf van verbeurdverklaring heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37 en 122 (oud) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van

180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

90 (negentig) dagen hechtenis;

veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later

anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de navolgende dieren:

- 29 paarden;

- 25 schapen;

- 10 geiten.

Aldus gewezen door

mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 12 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.