Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC8101

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
20-002710-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 287 Sr. Doodslag in Rosmalen. Het slachtoffer is een dodelijke verwonding in de borst toegebracht. Het beroep op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht wordt verworpen. Rekening houdend met verdachtes sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid legt het hof vijf jaar gevangenisstraf op. De rechtbank had zeven jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-002710-07

Uitspraak : 31 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juli 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-845200-06 tegen:

[naam verdachte],

geboren in 1965,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos, te Heerhugowaard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] tot een bedrag van EUR 5.698,12 toegewezen. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen verdachte onder 1 (“Doodslag”) en onder 2 (“Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”) ten laste is gelegd en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] tot een bedrag van EUR 5.698,12 met dienovereenkomstige oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met beslissingen omtrent het beslag conform de beslissingen van de eerste rechter.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Rosmalen, althans in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [[naam slachtoffer]] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, met (grote) kracht (met) een (zwaar) voorwerp (met een zandloperachtig en/of H-vormig, althans met een min of meer vormgelijk uiteinde) in de borst en/of hals, althans in het (boven)lichaam, van die [naam slachtoffer]] gestoken en/of gestoten en/of gedreven en/of gebracht, waardoor

- (de kop van) het borstbeen van die [[naam slachtoffer]] is doorkliefd, en/of

- de halsspier(en) van die [[naam slachtoffer]] is/zijn verscheurd en/of verbrijzeld,

en/of

- de (rechter) halsader van die [[naam slachtoffer]] is doorkliefd, en/of

- de luchtpijp van die [naam slachtoffer]] is verscheurd en/of verbrijzeld,

tengevolge waarvan deze [[naam slachtoffer]] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 20 mei 2006 te Rosmalen, althans in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres pand]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 142 gram hennep en/of ongeveer 617 hennepplanten, althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 mei 2006 te Rosmalen opzettelijk een persoon genaamd [[naam slachtoffer]] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met grote kracht (met) een voorwerp in de borst van die [[naam slachtoffer]] gestoken of gestoten of gedreven, waardoor

- de rechter halsader van die [[naam slachtoffer]] is doorkliefd, en

- de luchtpijp van die [[naam slachtoffer]] is verscheurd of verbrijzeld,

tengevolge waarvan deze [[naam slachtoffer]] is overleden;

2.

hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 20 mei 2006 te Rosmalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres pand]

617 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar het oordeel van het hof komen uit het strafdossier en de behandeling op de terechtzitting geen aanknopingspunten naar voren om bewezen te achten dat verdachte een vooropgezet plan had om het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin is bewezen dat verdachte (de gelegenheid tot) een moment van kalm beraad of rustig overleg heeft gehad voorafgaande aan de levensberoving.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde aanwezig hebben van ongeveer 142 gram hennep niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij voormelde op 20 mei 2006 op de zolder van het pand aan de [adres pand] te Rosmalen aangetroffen hoeveelheid hennep.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde overweegt het hof nader als volgt.

Het delict

Op 20 mei 2006 om ongeveer 16.10 uur wordt [naam slachtoffer] half in de berm half op het fietspad aan de Graafsebaan te Rosmalen ernstig gewond aangetroffen. Ambulancepersoneel dat een kwartier later arriveert, kan slechts de dood constateren. Onderzoek wijst uit dat [naam slachtoffer] is komen lopen uit een woning aan de overkant van de straat en wel [nummer pand]. Hij is daar dwars door het raam aan de voorkant van dat huis gekomen. Hij heeft een diepe wond in de borst/halsregio, waaraan hij is overleden.

In de buurt wordt enige tijd later aangehouden [naam medeverdachte]. [naam medeverdachte] verklaart later in de woning aan de Graafsebaan te zijn geweest, maar geen relatie te hebben tot de dood van [naam slachtoffer].

Getuigen hebben enkele minuten nadat [naam slachtoffer] werd aangetroffen een auto weg zien rijden vanaf de Graafsebaan [nummer pand]. Via de kenmerken van die auto komt de politie terecht bij [naam verdachte}, wonende te [woonplaats verdachte] (hierna: verdachte). Verdachte wordt aldaar aangehouden op 21 mei 2006 te 02.45 uur.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op de zitting in hoger beroep betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Zij heeft daartoe op de eerste plaats aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit daderschap van verdachte blijkt. Volgens de verdediging is daderschap van een derde, onbekende, persoon niet geheel uit te sluiten. De verdediging wijst er daarbij op dat een onafhankelijke getuige een persoon heeft waargenomen die zich opmerkelijk gedroeg rondom de plaats delict. De getuige [naam getuige] heeft namelijk op 5 juni 2006 bij de politie verklaard dat zij op de bewuste dag bij het lint stond rondom de plaats delict, dat zij toen werd aangesproken door een man die een lift aan haar vroeg en dat zij die man later op de vluchtstrook van de A58 zag staan. Opvallend vond ze dat de man geen jas droeg terwijl het heel slecht weer was.

Maar, ook als zou worden aangenomen dat er geen derde betrokkene is geweest, is er volgens de verdediging onvoldoende bewijs om te kunnen concluderen dat verdachte de dader is geweest. Verdachte ontkent [naam slachtoffer] te hebben gestoken, het voorwerp waarmee [naam slachtoffer] is geraakt is nooit gevonden, er zijn geen getuigenverklaringen die ondersteunen dat verdachte de dader is geweest. Een ongelukkige val van [naam slachtoffer] in een voorwerp als oorzaak van de dodelijke verwonding kan niet worden uitgesloten.

Op de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om opzet van verdachte (ook in voorwaardelijke zin) op de dood van [naam slachtoffer] bewezen te kunnen verklaren. Er is teveel twijfel over de aard van het voorwerp dat de dodelijke verwonding bij [naam slachtoffer] heeft veroorzaakt en over de feitelijke toedracht bij het toebrengen van dit letsel om onvoorwaardelijk opzet bij verdachte aan te kunnen nemen. Voorts is er onvoldoende bewijs voor de gevolgtrekking dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden.

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft vele verklaringen afgelegd (bij de politie, de rechter-commissaris, ter zitting van de rechtbank en ter zitting van het hof). Als kern komt uit die verklaringen naar voren dat er lichamelijk contact is geweest tussen verdachte en [naam slachtoffer] en wel zodanig dat dit als een confrontatie zou kunnen worden aangemerkt. Verdachte heeft echter ontkend daarbij enig slag- of steekwapen te hebben gehanteerd. Verdachte heeft zich in een aantal verklaringen op het standpunt gesteld dat in de kamer waarin de confrontatie met [naam slachtoffer] plaatsvond, zich ook nog een “schaduw” bevond en gesuggereerd dat die “schaduw” de dodelijke verwonding moet hebben toegebracht. Verdachte heeft zijn aanvankelijke stelling dat in de betreffende voorkamer naast [naam slachtoffer] ook nog een “schaduw” aanwezig geweest zou zijn, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, niet gehandhaafd, immers heeft hij aldaar verklaard dat “de schaduw” [naam slachtoffer] was.

In andere verklaringen, zowel bij de politie als ter zitting, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er sprake moet zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden in zijn confrontatie met [naam slachtoffer].

Het oordeel van het hof

Het hof overweegt het volgende.

Daderschap

Betrokkenheid van een onbekende persoon

Verdachte is samen met [naam medeverdachte] naar de woning aan de Graafsebaan [nummer pand] in Rosmalen gereden en aldaar door [naam slachtoffer] binnengelaten. [naam slachtoffer] heeft na de komst van verdachte en [naam medeverdachte] de deur achter hen dichtgedaan. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat de woning geen braaksporen vertoonde.

Het hof is van oordeel dat noch uit het dossier noch uit de behandeling op de zitting enig aanknopingspunt naar voren komt voor de veronderstelling dat er ten tijde van het delict in de kamer waar de confrontatie tussen verdachte en [naam slachtoffer] plaatsvond, naast [naam slachtoffer] en verdachte nog iemand anders aanwezig is geweest die betrokken is geweest bij de dood van [naam slachtoffer].

Dat wordt niet anders doordat de getuige [naam getuige] ten tijde van het politieonderzoek - en dus niet ten tijde van het delict - een persoon heeft waargenomen die zich opmerkelijk gedroeg rondom de plaats delict.

Op grond van het voorgaande acht het hof de mogelijkheid dat een onbekende persoon de dader is geweest zo onwaarschijnlijk dat die mogelijkheid in redelijkheid kan worden uitgesloten.

Een ongelukkige val

Uit het bloedbeeld in de woning volgt dat [naam slachtoffer] de dodelijke verwonding in zijn kamer heeft opgelopen. Naar eigen zeggen van verdachte heeft er in die kamer een lichamelijke confrontatie tussen hem en [naam slachtoffer] plaatsgevonden. [naam medeverdachte], die door de rechtbank onherroepelijk is vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van [naam slachtoffer], heeft verklaard dat hij ruzieënde stemmen en een bonkend geluid hoorde nadat de verdachte voor de laatste maal naar beneden, naar de kamer van [naam slachtoffer], was gegaan. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof ervan uit dat slechts verdachte en [naam slachtoffer] aanwezig waren in de kamer waar de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld die tot de dood van [naam slachtoffer] hebben geleid.

Uit de bevindingen van de patholoog-anatoom dr. Van de Goot blijkt dat [naam slachtoffer] is overleden als gevolg van bloedverlies, weefselschade en bloedinademing. Dit was opgetreden door hevige geweldsinwerking op de borst/halsregio met verbrijzeling van de luchtpijp en weke delen, met klieving van de rechterhalsslagader. In een brief van 11 december 2007 antwoordt dr. Van de Goot op een desbetreffende vraag van de advocaat-generaal dat het letsel aan de hals het gevolg was van inwerking van uitwendig klievend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan worden opgeleverd door een harde slag met een voorwerp.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de op de zitting van het hof gehoorde deskundigen dr. Van de Goot en drs. Eikelenboom-Schieveld een val in een voorwerp als oorzaak van het bij [naam slachtoffer] geconstateerde letsel niet geheel uitsluiten. Evenwel is dit volgens dr. Van de Goot in voormelde brief van 11 december 2007, gezien de diepte van de wond, de scherpte van de randen en de richting, buitengewoon onwaarschijnlijk. Bij deze bevinding is dr. Van de Goot op de zitting in hoger beroep gebleven. Drs. Eikelenboom-Schieveld is van oordeel dat haar bevinding dat aanzienlijke kracht is gebruikt toen het dodelijke letsel ontstond, beter past bij het scenario van een stoot dan van een val. Verder zijn de deskundigen eensluidend in hun oordeel dat de dodelijke verwonding bij [naam slachtoffer] niet kan zijn veroorzaakt door aanraking met of een val in het glas van de verbroken ruit aan de voorzijde van de woning.

Op grond van het voorgaande acht het hof de mogelijkheid dat het dodelijke letsel bij [naam slachtoffer] is ontstaan ten gevolge van een val in een voorwerp zo onwaarschijnlijk dat die mogelijkheid in redelijkheid kan worden uitgesloten.

Conclusie

Het vorenstaande, in onderling verband bezien, levert naar het oordeel van het hof het wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte degene is geweest die bij [naam slachtoffer] de dodelijke verwonding aan de borst heeft veroorzaakt.

Opzet

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat verdachte met zijn handelen de dood van [naam slachtoffer] heeft beoogd, in die zin dat sprake zou zijn van “onvoorwaardelijk” opzet. Dit sluit echter niet uit dat het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin was gericht op de dood van [naam slachtoffer].

Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg - zoals hier de dood - zal intreden.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De verwonding aan de borst bij [naam slachtoffer] is toegebracht met grote kracht. De patholoog-anatoom spreekt in zijn rapport van 18 juli 2006 over “hevig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals kan optreden bij hard stoten of steken met een (…) voorwerp”. De aard van het letsel is zeer ernstig; er is sprake van klieving van het borstbeen en van de rechter halsader en van verbrijzeling van de luchtpijp.

Het hof is van oordeel dat uit de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht - in casu het met grote kracht steken of stoten met een voorwerp in een vitaal deel van het lichaam als de borst/halsregio – naar algemene ervaringsregels volgt dat de kans op de dood aanmerkelijk is. Elk weldenkend mens kan en dient zich deze aanmerkelijke kans te realiseren. Van omstandigheden waarom dit in casu niet zou gelden voor verdachte is niet gebleken.

De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten de dood, dat het - behoudens contra-indicaties waarvan in casu niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Dat wordt niet anders doordat er geen zekerheid bestaat over de aard van het voorwerp waarmee de dodelijke verwonding bij [naam slachtoffer] is toegebracht. In elk geval is het een voorwerp geweest dat geschikt was om [naam slachtoffer] dodelijk te verwonden op de wijze waarop het is geschied.

Het hof is van oordeel dat er minstgenomen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud), tweede lid, van die wet juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is op de zitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [naam slachtoffer] gericht tegen verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Verdachte zou meteen bij binnenkomst in de kamer van [naam slachtoffer] twee klappen tegen zijn hoofd hebben gekregen. Deze lezing van het gebeurde wordt naar de stelling van de verdediging ondersteund door het feit dat er bij verdachte verwondingen en hersenletsel zijn geconstateerd. Voorts zou uit bijna alle getuigenverklaringen blijken dat verdachte van nature geen agressief persoon is, terwijl er ten aanzien van [naam slachtoffer] door diverse getuigen, onder wie familieleden, wordt gesproken van agressief, paranoïde gedrag.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft wisselend verklaard over een aanval door [naam slachtoffer]. Weliswaar heeft hij in een aantal verklaringen gesteld dat hij toen hij de kamer van [naam slachtoffer] binnenkwam twee klappen op zijn hoofd kreeg, maar uit andere verklaringen van verdachte komt geenszins naar voren dat er van een zodanige aanranding sprake is geweest.

Voorts leidt het feit dat verdachte verwondingen en hersenletsel (blijkens een rapport

d.d. 19 maart 2007 van dr. J.P. ter Bruggen, neuroloog: een zeer lichte commotio cerebri) heeft opgelopen niet zonder meer tot de conclusie dat die verwondingen en dat letsel zijn veroorzaakt door een aanval van [naam slachtoffer]. Die verwondingen en dat letsel kunnen immers ook zijn ontstaan tijdens de confrontatie tussen verdachte en [naam slachtoffer], zonder dat die confrontatie is begonnen met een aanval van [naam slachtoffer] op verdachte.

Ook het feit dat verdachte en [naam slachtoffer] uit het dossier naar voren komen als niet agressief respectievelijk wel agressief is onvoldoende om aannemelijk te achten dat het [naam slachtoffer] is geweest die verdachte heeft aangevallen.

In het licht van het vorenstaande is het hof van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die erop duiden dat [naam slachtoffer] verdachte heeft aangevallen of dreigde aan te vallen.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Op de zitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat indien en voor zover verdachte bij de verdediging van zijn eigen lijf tegen de ogenblikkelijke, door [naam slachtoffer] ingezette, wederrechtelijke aanranding, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dit het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Nu het beroep op noodweer faalt op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door [naam slachtoffer] of van een onmiddellijk, dreigend gevaar voor zo een aanranding, faalt ook het beroep op noodweerexces.

Voorts is door de verdediging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er in de periode voorafgaande aan de bewuste dag problemen waren tussen verdachte en [naam slachtoffer] en dat hij bang was van [naam slachtoffer]. De psychische druk die daardoor op verdachte rustte is uiteindelijk, na een agressieve impulsdoorbraak bij [naam slachtoffer] vanuit diens paranoïde psychose, op een worsteling uitgelopen. Dat er bij [naam slachtoffer] die dag sprake is geweest van een paranoïde psychose leidt de raadsman af uit de bevindingen van de gedragsdeskundigen die over verdachte hebben gerapporteerd.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Van psychische overmacht - in de zin van een de strafbaarheid van de verdachte uitsluitende omstandigheid - kan worden gesproken indien de verdachte heeft gehandeld onder zodanige, (mede) door externe omstandigheden veroorzaakte, psychische drang dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon of behoorde te bieden.

Het hof wil er op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van uit gaan dat er in de periode voorafgaande aan de dag van het bewezenverklaarde problemen waren tussen verdachte en [naam slachtoffer]. Indien verdachte als gevolg daarvan bang was voor [naam slachtoffer] (daarvoor is overigens slechts verdachtes eigen verklaring beschikbaar) is de intensiteit van die angst niet vast te stellen. In elk geval was die angst niet dusdanig dat verdachte op de bewuste dag ervan heeft afgezien met het slachtoffer in contact te treden.

Met betrekking tot de door de verdediging aangevoerde agressieve impulsdoorbraak bij [naam slachtoffer] vanuit diens paranoïde psychose, zijn de gedragsdeskundigen die over verdachte hebben gerapporteerd op de zitting van het hof van 17 december 2007 als deskundigen gehoord. Zij hebben bij die gelegenheid verklaard dat zij hun uitlatingen in het rapport van 15 juni 2007 dat bij [naam slachtoffer] op de bewuste dag sprake is geweest van een psychotisch toestandsbeeld, met name hebben gebaseerd op de verklaringen van verdachte alsmede op een verklaring van de zus van [naam slachtoffer] en op de verklaring van een getuige dat [naam slachtoffer] veel cannabis gebruikte. De deskundige Van Toorn heeft daaraan toegevoegd dat achteraf (het hof begrijpt: als die persoon niet meer onderzocht kan worden) eigenlijk niet meer vast te stellen is in welke mate iemand op een bepaald moment psychotisch was.

Nu ook overigens uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten naar voren komen voor de veronderstelling dat het [naam slachtoffer] die dag in een paranoïde psychose heeft verkeerd, acht het hof niet aannemelijk geworden dat er bij [naam slachtoffer] sprake is geweest van een agressieve impulsdoorbraak. Het hof verwijst in dit verband ook naar de bespreking hiervoor van het beroep op noodweer, waar is overwogen dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die erop duiden dat [naam slachtoffer] verdachte heeft aangevallen of dreigde aan te vallen.

Aldus is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat angst van verdachte voor [naam slachtoffer] of een agressieve impulsdoorbraak bij [naam slachtoffer] of een combinatie van die beide, bij verdachte een zodanige psychische drang heeft veroorzaakt tot handelen zoals hij deed, dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon of behoorde te bieden.

Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van doodslag en medeplegen van telen, bewerken en verwerken van hennep veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

De advocaat-generaal heeft voor dezelfde feiten eveneens een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest, gevorderd.

De raadsman heeft ervoor gepleit om een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel maximaal 33 maanden bedraagt en waarbij aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact wordt verbonden. De raadsman heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat het geweld in eerste instantie van [naam slachtoffer] is uitgegaan, verdachtes nagenoeg blanco strafblad, zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en op een recent arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waaruit zou blijken dat het hof van oordeel is dat voor doodslag in het algemeen een gevangenisstraf van 6 jaar is geïndiceerd.

Het hof komt tot bewezenverklaring van doodslag en het telen van 617 hennepplanten.

Het hof hanteert als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf bij een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf van tussen de 6 en 10 jaar. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum (voor doodslag is dat strafmaximum 15 jaar gevangenisstraf) en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In deze straf die het hof als uitgangspunt neemt, is al rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

• Het benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven.

• Nabestaanden van het [naam slachtoffer] wordt onherstelbaar leed aangedaan. Hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Op geheel andere wijze wordt ook de familie van verdachte door de gebeurtenissen getroffen.

• Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. De meer directe omgeving (straat, buurt, dorp) wordt opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis. En in de samenleving als geheel wakkert het gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

In dit geval bestaan er naar het oordeel van het hof geen bijzondere omstandigheden die strafverhogend werken.

Als omstandigheid die strafverminderend werkt heeft het hof in aanmerking genomen dat de gedragsdeskundigen die over verdachte hebben gerapporteerd, concluderen dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

De omstandigheid dat verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, acht het hof in het licht van de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit geen strafverminderende omstandigheid. Wel aanwezige geweldsrecidive zou eerder een strafverhogende omstandigheid zijn geweest.

Dat het geweld in eerste instantie van [naam slachtoffer] is uitgegaan acht het hof niet aannemelijk geworden, zodat in zoverre evenmin sprake is van een strafverminderende omstandigheid.

Rekening houdend met verdachtes sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid is het hof van oordeel dat in dit geval voor het onder 1 bewezen verklaarde een gevangenisstraf van 5 jaar passend en geboden is. Een verdergaande matiging als door de raadsman bepleit acht het hof niet aangewezen. Het onder 1 bewezen verklaarde feit is daarvoor is te ernstig. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf komt het hof aan de vraag of een deel voorwaardelijk dient te worden opgelegd, niet toe.

Het onder 2 bewezen verklaarde legt naar verhouding dusdanig weinig gewicht in de schaal dat het hof geen reden ziet daarom de straf van 5 jaar nog te verhogen.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen door het hof, gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet junctis de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht worden onttrokken aan het verkeer.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.698,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 5.698,12. De rechtbank heeft de wettelijke rente niet toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.

De vordering duurt voor zover zij is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Doodslag.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

hennep (bakje met hennep (woonkamer), zakje met hennep (trapkast), hennep (trapkast), hennep in aluminiumkleurige zak, en hennep (slaapkamer verdachte)).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

schoenen Nike (hal woning), mes (hal woning), schoenen (schuur), shirt (wasmand), broek (wasmand), broek (gedragen tijdens aanhouding), sokken (gedragen tijdens aanhouding), sokken (12 stuks; wasmand), trainingsbroek (2 stuks; wasmand), aantal bonnetjes, catalogus en kladbriefjes (auto verdachte, jack (kapstok woning), broek (kast slaapkamer).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] toe.

Veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 5.698,12 (vijfduizend zeshonderdachtennegentig euro en twaalf cent).

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [naam benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 5.698,12 (vijfduizend zeshonderdachtennegentig euro en twaalf cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.A. van Zon, voorzitter,

mr. J.P.F. Rijken en mr. J.J. van der Kaaden,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, griffier,

en op 31 maart 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.J. van der Kaaden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.