Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC8037

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
R200700824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellabiliteit tussenbeschikking. het feit dat de rechtbank in de overwegingen de peildatum vaststelt en de te benoemen deskundige opdracht geeft te taxeren naar die datum te waarderen, is onvoldoende voor hoger beroep. Weliswaar is zo'n taxatie tegen een mogelijk verkeerde datum een voldongen feit, maar daarmee nog niet onherroepelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

20 februari 2008

Sector Civiel recht

Zevende kamer

Rekestnummer R07/00824

Zaaknummer eerste aanleg 158284 FA RK 06-1318

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

de vrouw,

advocaat: mr. M.A. de Voort te Breda,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

advocaat en procureur: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 01 mei 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 31 juli 2007, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de voorvermelde be-schikking te vernietigen:

1. voor zover daarbij de peildatum voor de waardering van de gemeenschap is vastgesteld op het tijdstip waarop de verdeling plaatsvindt;

2. voor zover daarbij een deskundigenonderzoek is gelast om de vraagpunten te beantwoorden, vast te stellen de waarden van de onroerende zaak te [plaatsnaam A.], gemeente [gemeentenaam] aan de [adres B.], van de onroerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres D.], van de onroerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres E.];

3. voor zover daarbij is bepaald dat partijen een aanvullend voorschot dienen te betalen indien dat door de deskundige nodig wordt geoordeeld;

4. voor zover de zaak is verwezen naar de rol van dinsdag 22 mei 2007 teneinde partijen zich in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de voorgestelde vraagpunten, eventuele andere door hen gewenste vraagpunten en over de voorgestelde deskundige;

en opnieuw recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. vast te stellen als peildatum voor de waardering van de aandelen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yanoyo Holding B.V. en voor de waardering van de aandelen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] Makelaardij B.V. 31 december 2005;

2. te verklaren voor recht, dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan met betrekking tot de onroerende zaken te [plaatsnaam A.], gemeente [gemeentenaam] aan de [adres B.], van de onroerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres D.], van de onroerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres F.], van de onroerende zaak aan de [adres G.] en van de onroerende zaak aan de [adres H.]

3. te bepalen, dat

- de opbrengst van de onroerende zaak aan de [adres H.] aan de man wordt toegescheiden onder de verplichting om de helft van het bedrag ad € 340.000,-, derhalve een bedrag ad € 170.000,-, aan de vrouw te betalen;

- in het kader van de waardering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yanoyo B.V., die 100% aandeelhoudster is van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Building Care Beheer B.V., de waarde van de onroerende aan de [adres G.] wordt vastgesteld op een bedrag ad € 1.015.000,-.

4. vast te stellen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap de waarde van de onroerende zaak te [plaatsnaam A.], gemeente [gemeentenaam] aan de [adres B.] op € 720.000,-, vast te stellen de waarde van de on-roerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres D.]op € 145.000,-, vast te stellen de waarde van de onroerende zaak te [plaatsnaam C.] aan de [adres E.] op € 365.000,-.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2007, heeft de man ver-zocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar grieven, althans de grieven van de vrouw te verwer-pen, met de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank Breda d.d. 1 mei 2007. Kosten rechtens.

2.3. Bij brief van 15 november 2007 van de griffier van het hof zijn partijen uitgeno-digd hun visie te geven over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in het licht van HR 15 december 2006, LJN AY9681.

2.4. In de brief van 12 december 2007 van mr. de Voort wordt de visie van de vrouw gegeven.

2.5. In de brief van 3 januari 2008 verwoordt mr. Sliepenbeek de visie van de man.

2.4. De mondelinge behandeling – die is beperkt tot de vraag naar de ontvankelijkheid - heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar advocaat alsmede mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, namens mr. Sliepenbeek gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1. Partijen zijn op 8 juli 1988 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In de beschikking waarvan beroep is onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 8 augustus 2007.

4.2. De beschikking van 1 mei 2007, waarvan beroep, is een zogenoemde deelbeschikking nu in het dictum daarvan, naast nog andere niet zijnde eindbeslissingen, de verzochte echtscheiding is uitgesproken, en in zoverre aan enig deel van het geschil een einde wordt gemaakt. In het dictum zijn mede beslissingen genomen ten aanzien van de kinderen, is een deskundigenonderzoek gelast naar de waarde van 3 panden per datum taxatie en is de zaak verwezen naar de rol ten einde partijen in de gelegen-heid te stellen zich uit te laten onder meer over de waarde van de aandelen van Yanayo Holding b.v. en [X.] Makelaardij b.v.

4.3. Het hof dient ambtshalve te onderzoeken of van zodanige beslissing hoger beroep openstaat, artikel 358 lid 4 Rv sluit immers tussentijds hoger beroep van een tussenbeschikking uit.

4.4. Het hof stelt vast dat de grieven, en daarmee de omvang van het geschil in hoger beroep, geen betrekking hebben op de echtscheiding of de beslissingen ten aanzien van de kinderen. Alleen aspecten van de boedelverdeling zijn aan de orde gesteld.

4.5. Naar het oordeel van het hof dienen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de boedelverdeling aangemerkt te worden als interlocutoir van aard. Tegen het interlocutoire gedeelte van een deelbeschikking staat slechts tussentijds hoger beroep open hetzij indien daarvoor door de rechter in eerste aanleg toestemming is verleend, hetgeen niet het geval is, hetzij indien mede grieven zijn gericht tegen in het dictum opgenomen beslissingen die als eindbeschikkingen moeten worden aangemerkt, en ook dat is niet het geval. Het hof leidt deze regel af uit genoemd arrest van de Hoge Raad (Zie ook Wendels/Snijders, Civiel appel, 2003, nr 62).

4.6. De vrouw heeft aangevoerd dat in casu wel hoger beroep openstaat eerstens omdat in het dictum van de beschikking een deskundigenonderzoek wordt gelast naar de waarde van de panden ‘per datum taxatie’. Ten aanzien van die peildatum heeft de rechtbank in de overwegingen van de beschikking beslist en daarbij de standpunten van de vrouw – dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen op grond waarvan taxatie al heeft plaats gevonden althans dat van een andere peildatum moet worden uitgegaan – verworpen. Zulks is verwoord in het dictum van de beschikking door de deskundige opdracht te geven de onroerende zaken te waarderen naar datum taxatie. De rechtbank heeft aldus omtrent enig deel van het gevorderde in het dictum een einde gemaakt, aldus de vrouw.

4.6.1. Het hof deelt het standpunt van de vrouw niet. De rechtbank is verzocht, als nevenvoorziening ex art. 827 lid 1 en onder b Rv, de verdeling van de huwelijksgoede-rengemeenschap vast te stellen. De vrouw heeft daartoe, onder meer in het petitum van het inleidend verzoekschrift, voorstellen geformuleerd. Naar het oordeel van het hof kan van de gestelde beslissingen van de rechtbank zoals verwoord in het dictum – om taxaties tegen een bepaalde peildatum te laten uitvoeren – niet worden gezegd dat daarmee een (partiële) verdeling tot stand wordt gebracht. De beslissing in de over-wegingen van de beschikking omtrent de peildatum, en in het dictum dat daarop voortbouwt, beogen in het onderhavige geval niet aan het geschil (de boedelverdeling) een einde te maken. De beslissing met betrekking tot de peildatum is voorbereidend, preparatoir van aard.

4.7. De vrouw beroept zich in de tweede plaats op HR 23 november 2007, LJN BB6910. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tussenbeschikking houdende een voorlopige omgangsregeling appellabel is omdat die beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De vrouw beroept zich op het onherroepelijke karakter van de taxaties van de onroerende zaken. Als achteraf zou blijken dat het onderzoek niet nodig was of indien achteraf zou blijken dat getaxeerd is naar een onjuiste peildatum, dan is het onderzoek op onjuiste basis verricht, aldus de vrouw.

4.7.1. Het hof verwerpt ook dit standpunt van de vrouw. Een eenmaal geëffectueerde omgangsregeling valt, naar haar aard, niet meer ongedaan te maken. Een verdeling gebaseerd op een, naar achteraf gebleken onjuiste peildatum of een onnodige taxatie, kan later, bijvoorbeeld in hoger beroep, worden gecorrigeerd.

4.8. De conclusie is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

verwijst de zaak naar de rechtbank Breda voor verdere afdoening;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Pouw, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.