Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7807

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
20-001480-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN4319, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN4319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de verklaring van verdachte inhoudende dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van verdovende middelen in zijn kamer en in de keuken, ongeloofwaardig. Het hof leidt uit de in het arrest weergegeven feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien ook met hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de bewezen verklaarde verdovende middelen in zijn kamer en in de keuken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-001480-07

Uitspraak : 20 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 maart 2007 in de strafzaak met parketnummer 01/825053-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2, 3 en 4 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden zal opleggen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave aan verdachte zal gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen genoemd onder de nummers 35, 37 en 39 van de beslaglijst, de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) zal gelasten van de overige op de beslaglijst genoemde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen en de onttrekking aan het verkeer zal gelasten van de bij verdachte aangetroffen en onder verdachte inbeslaggenomen verdovende middelen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd en voorts, omdat de eerste rechter onder 2 bewezen heeft verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan “opzetheling”, maar dit heeft gekwalificeerd als “schuldheling”, omdat de bewezen verklaarde opzetheling onvoldoende met bewijsmiddelen is ondersteund, omdat de in de bewijsvoering opgenomen bewijsmiddelen deels niet redengevend zijn, zoals de onder A weergegeven verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en de uitkomst van het dactyloscopisch onderzoek, en omdat de eerste rechter niet heeft gereageerd op een in eerste aanleg door de verdediging gevoerd bewijsverweer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 36,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of ongeveer 205 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, en/of ongeveer

25 tabletten/pillen, in elk geval een hoeveelheid tabletten/pillen van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MMDA, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of MMDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 29 januari 2007 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een horloge en/of een mobiele telefoon (merk Sagem) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat horloge en/of die mobiele telefoon wist, dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 29 januari 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat het onder 3 genoemde horloge van misdrijf afkomstig is en voorts kan niet worden bewezen dat verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de onder 3 genoemde mobiele telefoon (merk Sagem) wist, dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 29 januari 2007 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 205 gram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 25 tabletten/pillen bevattende MDMA, zijnde heroïne en cocaïne en amfetamine en MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 29 januari 2007 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met het voor de onder 2 en 4 ten laste gelegde misdrijven vereiste opzet heeft gehandeld, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren:

- Verdachte huurde op 29 januari 2007 op de [adres] in Eindhoven sinds ongeveer 4 jaren een kamer;

- Verdachte deelde de keuken, het toilet en de badkamer met een huisgenote, die een kamer bewoonde op de verdieping gelegen boven de kamer van verdachte;

- Op 29 januari 2007 zijn in de kamer van verdachte, die bij hem zowel als woon- en als slaapkamer in gebruikt was, en in de keuken op diverse plaatsen verdovende middelen aangetroffen, welke middelen op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel op de bij de Opiumwet behorende lijst II worden genoemd;

- Verdachte verbleef in de onderwerpelijke periode, naar eigen zeggen in verband met zijn gezondheid (longemfyseem), vrijwel permanent in zijn kamer en verliet het pand vrijwel niet en maakte gebruik van de keuken en de vriezer die in de keuken stond, welke vriezer verdachtes eigendom was;

- Verdachte gebruikte destijds zelf een halve gram tot een gram heroïne per dag en heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven geen mededelingen te willen doen over de wijze waarop hij in zijn drugsgebruik werd voorzien.

Uit deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien ook met hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af het niet anders kan zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de bewezen verklaarde verdovende middelen in zijn kamer en in de keuken. Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van verdovende middelen in zijn kamer en in de keuken, ongeloofwaardig. Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij artikel 2 aanhef en onder C en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet.

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 aanhef en onder C en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 31 januari 2008 reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof minder bewezen heeft verklaard dan waarvan de advocaat-generaal in de vordering is uitgegaan.

Het hof acht de hierna op te leggen straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, genoemd onder nummer 35 van de beslaglijst, moet worden teruggegeven aan verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de overige op de beslaglijst genoemde inbeslaggenomen goederen is niet duidelijk wie rechthebbende(n) is/zijn. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan (een) met name te noemen perso(o)n(en) te gelasten. Het hof zal van die goederen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.

De in de beslissing als zodanig te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen zijn middelen genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I of II.

Op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet zullen deze voorwerpen daarom aan het verkeer worden onttrokken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b (oud), 36c, en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder

2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 en 4 bewezen verklaarde oplevert:

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meemalen gepleegd.

4.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1 gsm, merk Panasonic, genoemd onder nummer 35 van de beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1 horloge, merk Formula, genoemd onder nummer 4 van de beslaglijst;

- 1 gsm, merk SAGEM, genoemd onder nummer 31 van de beslaglijst;

- 1 gsm, merk LG, genoemd onder nummer 32 van de beslaglijst;

- 2 gsm's, merk SIEMENS, genoemd onder nummer 33 van de beslaglijst;

- 3 gsm's, merk NOKIA, genoemd onder nummer 34 van de beslaglijst;

- 1 gsm, merk MOTOROLA, genoemd onder nummer 34 van de beslaglijst;

- 1 adapter, merk TOSHIBA, genoemd onder nummer 36 van de beslaglijst;

- 1 spelcomputer, merk NINTENDO, genoemd onder nummer 37 van de beslaglijst;

- 1 computer, merk ACES, genoemd onder nummer 38 van de beslaglijst;

- 1 autocompactdiscspeler, merk AV CARAUDIO, genoemd onder nummer 39 van de beslaglijst;

- 1 compactdiscwisselaar, merk PIONNEER, genoemd onder nummer 40 van de beslaglijst;

- 1 autocompactdiscspeler, merk JVC, genoemd onder nummer 41 van de beslaglijst;

- 1 projectiescherm, merk LCD, genoemd onder nummer 42 van de beslaglijst.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 205, 14 gram amfetamine;

- 23 pillen XTC;

- 36,9 gram cocaïne;

- 24 gram heroïne;

- 5,5 gram stof met de aanwezigheid van opiaten;

- 1,3 gram stof met de aanwezigheid van opiaten;

- 2 gram stof met de aanwezigheid van MDMA;

- 47,3 gram hasjiesj (aanwezigheid van THC);

- 2 pillen XTC.

Aldus gewezen door mr. M.J.H.J. de Vries - Leemans, voorzitter, mr. H. Eijsenga en

mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 20 maart 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.