Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
R200701114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘Family life’ in het kader van omgang; geen verschil jongste kind en oudste kind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 358
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WvR

10 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701114

Zaaknummer eerste aanleg 156863/FA RK 07-1194

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. H.H.C. van de Kerkhof,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. L.A.M. van den Eeden.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 juli 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2007, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader alsnog in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige kinderen van partijen niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat het verzoek van de man alsnog wordt afgewezen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 november 2007, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar dit te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van de Kerkhof;

- de vader, bijgestaan door mr. Van den Eeden;

- mevrouw Y.C.J. Schmeets namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 juli 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben vanaf 1992 een affectieve relatie gehad. Deze relatie is medio 2004 definitief verbroken. Uit deze relatie zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten:

- [het kind X.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [het kind Y.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

De vader heeft de kinderen niet erkend. De moeder heeft het ouderlijk gezag over de kinderen die tevens hun hoofdverblijf bij haar hebben.

4.2. De vader heeft in eerste aanleg verzocht een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen in die zin dat hij een weekend per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en een aaneengesloten periode van drie weken in de zomervakantie omgang heeft met de kinderen.

De moeder heeft hiertegen in eerste aanleg verweer gevoerd.

4.3. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de vader ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op de grond dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de kinderen in de zin van artikel 1:377f BW.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat vaststaat dat partijen een jarenlange affectieve relatie hebben gehad. Over de frequentie van de contacten tussen partijen verschillen zij van mening, maar de moeder heeft ter zitting verklaard dat de vader na de geboorte van [het kind X.] eenmaal per week op bezoek kwam en dat de vader na de geboorte van [het kind Y.] eerst na een langere periode is gekomen. De moeder heeft tevens verklaard dat de vader eenmaal een weekendje weg is geweest met [het kind X.] en dat de moeder aanvankelijk mee zou gaan, maar dat zij vanwege ziekte niet mee kon. De rechtbank heeft daarnaast en in samenhang met het biologisch vaderschap van de vader van belang geacht dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat partijen zouden gaan samenwonen, waaruit naar het oordeel van de rechtbank kan worden afgeleid dat het in de bedoeling van partijen lag om de kinderen samen op te voeden. Het tussen de vader en de kinderen ontstane family life is niet verloren gegaan door de nadien verstreken langdurige contactloze periode, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er geen belemmeringen zijn voor omgang en heeft een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld inhoudende dat de vader vanaf het laatste weekend van augustus 2007 gerechtigd is iedere week omgang te hebben, gedurende de eerste twee weken twee uren, de daarop volgende vier weken drie uren en vervolgens vier uren, welke omgang zal plaatsvinden bij oma van vaderszijde, waar de moeder de kinderen brengt en ophaalt.

4.4. De moeder kan zich met voornoemde beschikking niet verenigen en komt hiertegen op.

Ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep

4.5.1. De vader is blijkens zijn verweerschrift van mening dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij voert daarbij aan dat zij in hoger beroep is gekomen van een tussen-beschikking, terwijl op grond van artikel 358 lid 4 Rv tegen een tussenbeschikking slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

4.5.2. Het hof heeft partijen ter zitting gewezen op de recente beschikking van de Hoge Raad van 23 november 2007 (NJ 2007, 623). Uit deze beschikking volgt dat ten aanzien van de ontvankelijkheid van een hoger beroep tegen een voorlopige beslissing doorslaggevend is of de – bij voorraad uitvoerbaar verklaarde – voorlopige beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof voldoet in de onderhavige zaak de bestreden beschikking aan dit criterium. Bij de bestreden beschikking is immers door de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, waardoor sprake is van een onherroepelijke beslissing en derhalve van een deelbeslissing. Dit brengt mee dat de moeder van deze beschikking in hoger beroep kon komen. De advocaat van de vader heeft ter zitting het voorgaande beaamd en heeft daarop het verweer van de vader ten aanzien van de ontvankelijkheid van de moeder ingetrokken.

Ontvankelijkheid van de vader op grond van artikel 1:377f BW

4.6.1. De moeder is in haar eerste grief van mening dat geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de kinderen, zodat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Volgens haar heeft de vader het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking onvoldoende aannemelijk gemaakt en heeft de rechtbank miskend dat op grond van de geldende jurisprudentie niet te lichtvaardig en niet te snel het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking mag worden aangenomen. De moeder stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte mee heeft laten wegen dat partijen een jarenlange affectieve relatie hebben gehad. Zij meent dat, zeker gelet op het feit dat partijen nimmer hebben samengewoond, niet de duur van de relatie bepalend is, maar de wijze waarop de vader tijdens deze relatie invulling heeft gegeven aan de contacten met de kinderen. De vader heeft, aldus de moeder, geen althans nauwelijks enige verzorgings- en opvoedingshandeling verricht betreffende de kinderen en de contacten die er zijn geweest waren feitelijk alleen gericht op de moeder.

Bovendien is de moeder van mening dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het onderscheid in de duur van de contacten tussen de vader en [het kind X.] en tussen de vader en [het kind Y.]. Ten aanzien van [het kind Y.] staat volgens de moeder vast dat zij in [geboortejaar] is geboren en dat de vader voor het eerst met haar contact heeft gehad in januari 2004, welk contact in juli 2004 definitief werd verbroken.

Tenslotte brengt de moeder naar voren dat de rechtbank ten onrechte enige waarde heeft toegekend aan de vermeende opmerking van de moeder dat het in de bedoeling van partijen lag om te gaan samenwonen. Zij betwist dat uit een bedoeling het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking kan worden opgemaakt, zeker niet uit een bedoeling waaraan partijen nooit uitvoering hebben gegeven.

In haar tweede grief stelt de moeder dat, voor zover er tussen de vader en de kinderen al een nauwe persoonlijke betrekking zou hebben bestaan, deze betrekking gezien de aard van de contacten die hebben plaatsgevonden, de leeftijd van de kinderen en de duur van de periode waarin geen contact is geweest, thans niet meer bestaat.

4.6.2. De vader is van mening dat hij terecht ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek, nu is komen vast te staan dat een aantal stellingen van de moeder met betrekking tot de aard en omvang van de contacten tussen partijen en van de contacten tussen de vader en de kinderen in strijd met de waarheid zijn. Dit blijkt volgens de vader uit de door hem overgelegde foto’s. Daarnaast blijkt uit een door de vader overgelegd schrijven van de moeder dat het de moeder is geweest die plotseling niet meer aan omgang tussen de vader en de kinderen wilde meewerken. De vader brengt voorts naar voren dat partijen wel enige tijd hebben samengeleefd en dat het inderdaad de uitdrukkelijke bedoeling van partijen is geweest om (formeel) te gaan samenwonen. De vader stelt zich tenslotte op het standpunt dat het niet zo kan zijn dat de persoonlijke betrekking tussen hem en de kinderen is komen te vervallen, doordat de vrouw de omgang heeft verhinderd.

4.7. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt.

4.7.1. De vader kan ingevolge artikel 1:377f BW slechts worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen, indien tussen hen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Het begrip ‘nauwe persoonlijke betrekking’ is op één lijn te stellen met het begrip ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Weliswaar staat vast dat de vader de biologische vader is van [het kind X.] en [het kind Y.], maar dit feit brengt niet zonder meer mee dat de vader met [het kind X.] en [het kind Y.] een nauwe persoonlijke betrekking heeft zoals bedoeld in artikel 1:377f BW. Tevens zal, zoals ook door de rechtbank is overwogen, moeten blijken van concrete en feitelijke bijkomende omstandigheden die het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking benadrukken, wil er sprake zijn van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM.

4.7.2. De moeder betwist dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de kinderen en heeft in dat kader verwezen naar diverse uitspraken van de Hoge Raad. Het hof overweegt allereerst dat uit de betreffende uitspraken weliswaar enkele algemene uitgangs-punten voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 1:377f BW af te leiden zijn, maar dat het in de in cassatie bestreden uitspraken voornamelijk gaat om een waardering van de feiten en omstandigheden, welke waardering feitelijk van aard is en waarover de Hoge Raad zich over het algemeen niet inhoudelijk heeft uitgelaten, anders dan het oordeel of het op de feitelijke waardering gebaseerde oordeel van het hof al dan niet blijk geeft van een onjuiste rechts-opvatting. Om die reden kan niet zonder meer op grond van voornoemde uitspraken worden geconcludeerd of er in de onderhavige zaak al dan niet een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de vader en de kinderen. Met name kan uit de beschikking van de Hoge Raad van 4 januari 1991, NJ 1991, 253, anders dan de moeder meent, niet de conclusie worden getrokken dat daarin een minimumvereiste is neergelegd voor wat betreft de duur en de aard van de contacten, alvorens geconcludeerd kan worden tot het bestaan van family life.

4.7.3. Voor het hof staat vast dat partijen een langdurige affectieve relatie met elkaar hebben gehad, te weten vanaf 1992 tot medio juli 2002 toen de moeder net in verwachting was van [het kind Y.]. Partijen hebben gedurende hun relatie nooit met elkaar samengewoond. Voorts is komen vast te staan dat de vader vanaf de geboorte van [het kind X.] tot aan de breuk tussen partijen in juni 2002 wekelijks op bezoek kwam bij de moeder en [het kind X.]. Tussen juni 2002 en januari 2004 is het contact tussen de ouders en tussen de vader en [het kind X.] geheel verbroken geweest. Na de geboorte van [het kind Y.] is in januari 2004 het wekelijkse bezoek van de vader aan de woning van de moeder op initiatief van de moeder hervat. In juni 2004 is het contact opnieuw verbroken, waarna in het geheel geen omgang meer heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen.

Partijen verschillen van mening omtrent de frequentie van de bezoeken van de vader aan de moeder en de kinderen. Volgens de vader kwam hij zeker drie maal per week bij de moeder en de kinderen en bleef hij ook geregeld slapen, terwijl de moeder stelt dat het bezoek van de vader slechts eenmaal per week plaatsvond. Het hof gaat ervan uit dat de vader de kinderen tenminste eenmaal per week gedurende een aantal uren zag. Partijen verschillen voorts van mening omtrent de aard van het contact tussen de vader en de kinderen. Volgens de moeder had de vader tijdens zijn bezoeken geen aandacht voor de kinderen en kwam hij enkel voor haar, hetgeen door de vader is betwist. Het hof leidt uit de verklaringen van partijen ter zitting af dat de vader tijdens zijn bezoeken wel degelijk (tevens) gericht was op de kinderen. Zo heeft de moeder ter zitting beaamd dat de vader samen met de moeder en [het kind X.] en later ook met [het kind Y.] regelmatig uitstapjes heeft gemaakt, onder meer naar het zwembad en naar de bossen. In de zomer van 2002 is de vader samen met [het kind X.] een weekend weggeweest. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de moeder hen zou vergezellen, maar in verband met ziekte is zij uiteindelijk thuisgebleven. De moeder heeft ter zitting tevens erkend dat de vader tijdens zijn bezoeken spelletjes speelde met de kinderen, vooral met [het kind X.], en dat hij aanwezig was bij de viering van de eerste verjaardag van [het kind Y.].

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat zij er bewust voor heeft gekozen om samen met de vader kinderen te krijgen. Daarnaast heeft zij verklaard dat het contact tussen de vader en de kinderen op haar initiatief in januari 2004 is hersteld, omdat zij het van belang vond dat de vader en de kinderen elkaar zagen. Het hof leidt uit het voorgaande af dat het destijds de intentie van de moeder was om de vader een plek in het leven van de kinderen te geven. Anders dan de moeder meent, kan hieraan wel degelijk betekenis worden toegekend (vgl. HR 30 november 2007, R06/183HR).

Bovenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat in ieder geval tussen de vader en [het kind X.] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan. Hetzelfde geldt naar het oordeel van het hof ten aanzien van [het kind Y.], ondanks het feit dat er tussen de vader en [het kind Y.] beduidend minder contact heeft plaatsgevonden – de vader heeft slechts omgang met [het kind Y.] gehad gedurende de periode vanaf januari 2004 tot medio 2004 – dan tussen de vader en [het kind X.]. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat partijen een zeer langdurige affectieve relatie met elkaar hebben gehad en dat de moeder voor de tweede maal bewust heeft gekozen voor de vader als vader van haar kind ([het kind Y.]), waarmee de vader heeft ingestemd. Kennelijk voorzagen zij beiden ook in het leven van [het kind Y.] een functie voor de vader, hetgeen later tot uiting is gekomen in het verzoek van de moeder aan de vader in januari 2004 om weer op bezoek te komen bij haar en de kinderen. Gelet hierop zou naar het oordeel van het hof zelfs kunnen worden geoordeeld dat reeds vóór de geboorte van [het kind Y.] een nauwe persoonlijke betrekking tussen haar en de vader is ontstaan (vgl. HR 30 november 2007, R06/183HR).

Bovendien kan het niet zo zijn dat in een geval zoals het onderhavige, waarin de vader twee kinderen bij dezelfde moeder heeft, tussen de vader en het ene kind wel een nauwe persoonlijke betrekking en derhalve in beginsel recht op omgang bestaat en tussen de vader en het andere kind niet.

De eerste grief van de moeder treft aldus geen doel.

4.7.4. In haar tweede grief heeft de moeder gesteld dat, voor zover al sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de kinderen, deze betrekking thans inmiddels niet meer bestaat. Weliswaar is niet uitgesloten dat een als ‘family life’ te kwalificeren betrekking door latere gebeurtenissen wordt verbroken, maar dit kan zich slechts voordoen onder buitengewone omstandigheden. Gelet op hetgeen de moeder in het kader van deze stelling heeft aangevoerd en hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, blijft als voornaamste argument van de moeder over, het feit dat er reeds sinds medio 2004 geen contact is geweest tussen de vader en de kinderen. Deze omstandigheid acht het hof evenwel onvoldoende om aan te nemen dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de kinderen thans niet meer bestaat. Dit geldt naar het oordeel van het hof temeer, nu is komen vast te staan dat het de moeder is geweest die het contact tussen de vader en de kinderen heeft verbroken. De moeder heeft ter zitting erkend dat zij de vader in juni 2004 door middel van een briefje heet laten weten dat zij niet meer toestaat dat de vader de kinderen nog ziet. Het hof neemt daarnaast in aanmerking dat de vader nadien, zo heeft hij onvoldoende weersproken gesteld, schriftelijk en via zijn moeder - die de kinderen nog wel ziet - heeft getracht de moeder te bewegen tot herstel van het contact en dat hij dit de tijd heeft willen geven.

De tweede grief van de moeder faalt derhalve eveneens.

Inhoudelijke beoordeling

4.8.1. De moeder stelt in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte het mondelinge standpunt van de raad, inhoudende dat er geen belemmeringen bestaan voor omgang tussen de vader en de kinderen, zonder nadere motivering heeft overgenomen. Volgens de moeder kan een dergelijk standpunt gezien de onderhavige omstandigheden pas worden ingenomen, indien daaraan een gedegen onderzoek ten grondslag ligt, hetgeen in casu niet het geval is.

4.8.2. De vader brengt tegen het voorgaande in dat de raad op grond van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg tot een afgewogen advies heeft kunnen komen en dat het uiteindelijk de rechtbank is geweest die de afweging gemaakt heeft. De moeder wil, aldus de vader, nog altijd niet meewerken aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde voorlopige omgangsregeling, ook niet na het kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 september 2007, waarbij zij veroordeeld is om aan de regeling haar medewerking te verlenen op verbeurte van een dwangsom.

4.9.1. Het hof overweegt als volgt.

Nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat tussen de vader enerzijds en [het kind X.] en [het kind Y.] anderzijds sprake is van ‘family life’ en dus van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377f BW, heeft de vader in beginsel recht op omgang met [het kind X.] en [het kind Y.]. Dit is alleen anders, indien het belang van [het kind X.] en [het kind Y.] zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat omgang met de vader niet in het belang van [het kind X.] en [het kind Y.] is, omdat de vader niet te vertrouwen is en steeds leugens vertelt en omdat hij niet in staat is de kinderen op een veilige en verantwoorde wijze op te vangen. De moeder heeft naar haar zeggen van een vriend van de vader, wiens naam ze niet kan noemen, vernomen dat de vader zich nog altijd begeeft in de drugsscene en dat hij thans meer drugs gebruikt dan ooit. De vader heeft het voorgaande nadrukkelijk betwist. Hij heeft voorts onvoldoende weersproken verklaard dat hij zijn leven op de rails heeft, dat hij werkzaam is in de logistiek en dat hij een vriendin heeft. Het hof overweegt dat de moeder haar stelling geenszins onderbouwd heeft en derhalve onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, terwijl dit gezien de betwisting van de stelling door de vader wel op haar weg gelegen had. De moeder heeft overigens erkend verder niets over het huidige leven van de vader te kunnen verklaren, aangezien zij sedert juni 2004 geen contact meer met elkaar hebben gehad. Daarnaast is het hof gebleken dat de reden waarom de moeder het contact met de vader in juni 2004 heeft verbroken niet is gelegen in de wijze waarop de vader met de kinderen omging, maar in een beweerdelijke affaire van de vader in het begin van hun relatie. Ook anderszins is het hof niet gebleken van enige belemmeringen in de persoon van de vader, dan wel zijn omgeving voor omgang tussen hem en de kinderen. Het hof ziet, evenals de rechtbank en de raad, dan ook geen reden om aan te nemen dat het belang van de kinderen zich verzet tegen omgang met de vader.

Voor zover de moeder van mening is dat eerst een gedegen onderzoek dient plaats te vinden, voordat beoordeeld kan worden of omgang tussen de vader en de kinderen mogelijk is, gaat het hof hieraan voorbij. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn er geen concrete aanwijzingen dat omgang tussen de vader en de kinderen mogelijk in strijd met het belang van de kinderen is. Daar komt bij dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling een voorlopig karakter heeft en dat om die reden een raadsonderzoek zonder meer niet aan de orde is, mede gelet op de tijd die een dergelijk onderzoek in beslag neemt.

De derde grief van de moeder slaagt evenmin.

4.9.2 Gebleken is dat de vader de rechtbank in oktober 2007 heeft verzocht de behandeling van zijn omgangsverzoek te hervatten, omdat de moeder weigerde gevolg te geven aan de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling. Het kort geding vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 september 2007, waarbij de moeder is veroordeeld tot nakoming van de in de bestreden beschikking opgenomen omgangsregeling, heeft hierin geen verandering gebracht. Voorts is gebleken dat de rechtbank de behandeling van het verzoek van de vader heeft aangehouden in afwachting van de beslissing van het hof op het hoger beroep van de moeder. Het hof heeft ter zitting aan partijen de mogelijkheid geopperd om eerst een beslissing te nemen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek en om vervolgens, indien het hof van oordeel is dat de vader ontvankelijk is, de moeder in de gelegenheid te stellen een voorstel te doen omtrent de invulling van de voorlopige omgangsregeling tot de definitieve beslissing van de rechtbank op het omgangsverzoek. Partijen hebben hiermee ingestemd. Het hof zal daarom de moeder verzoeken om binnen twee weken na de datum van deze beschikking, derhalve uiterlijk 24 januari 2008, schriftelijk een voorstel te doen met betrekking tot de invulling van de voorlopige omgang. Hierbij zou de optie van omgang via het omgangshuis in [vestigingsplaats] en/of de optie van omgang bij de moeder thuis meegenomen kunnen worden. De vader zal in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na ontvangst van het voorstel van de moeder, derhalve uiterlijk 7 februari 2008, hierop schriftelijk te reageren.

4.10. Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden beschikking niet kan worden vernietigd op de grond dat ten onrechte is vastgesteld dat sprake is van family life. Het hof zal de beslissing ten aanzien van de voorlopige omgangsregeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanhouden.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 juli 2007 voor wat betreft de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling;

verzoekt de moeder om binnen twee weken na de datum van deze beschikking, derhalve uiterlijk 24 januari 2008, het hof schriftelijk te berichten omtrent een voorstel tot invulling van de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen van partijen, [het kind X.] en [het kind Y.], onder gelijktijdige verzending van een afschrift van dit voorstel naar de advocaat van de vader;

verzoekt de vader om binnen twee weken na ontvangst van het voorstel van de moeder, uiterlijk 7 februari 2008, schriftelijk hierop te reageren onder gelijktijdige verzending van een afschrift van deze reactie naar de advocaat van de moeder;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 7 februari 2008 PRO FORMA.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.