Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7297

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
C0601186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen de curator en [geïntimeerden] bestond voorafgaand aan de bespreking van 6 oktober 2004 een potentieel geschil met betrekking tot de inbreng van [geïntimeerden] in de c.v. Indien de partijen dat geschil niet onderling hadden kunnen oplossen en ter beslechting van dat geschil het voeren van een procedure noodzakelijk zou zijn geweest, zou aan [geïntimeerden] jegens de curator een beroep op het arbitragebeding zijn toegekomen.

Het hof moet op grond van de stellingen van partijen echter concluderen dat het potentiële geschil op 6 oktober 2004 is beëindigd doordat de partijen op die datum een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW hebben gesloten. Die overeenkomst hield - naar door [geïntimeerden] niet is bestreden - in dat zij aan de curator tegen finale kwijting € 7.500,-- zouden betalen, en dat daarmee het geschil tussen de curator en [geïntimeerden] beëindigd was. Van een geschil als bedoeld in het arbitragebeding was na het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst dus geen sprake meer.

De vaststellingsovereenkomst zelf kan zonder nadere toelichting, die door [geïntimeerden] niet is gegeven, niet worden gezien als een overeenkomst die het "gevolg" is van de oprichtingsakte, zoals bedoeld in het arbitragebeding. Bij een dergelijke onder de werking van het arbitragebeding vallende "gevolg-overeenkomst" valt veeleer te denken aan overeenkomsten waarin nadere afspraken zijn gemaakt omtrent bijvoorbeeld de wijze van samenwerking in de c.v.

Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn geschillen tussen de curator en [geïntimeerden] die onder het arbitragebeding hadden kunnen vallen juist beëindigd.

Het beroep van [geïntimeerden] op het arbitragebeding moet om de bovenstaande redenen worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. YH

rolnr. HD 103.004.094

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 18 maart 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [PERSOON 1],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna aan te duiden als de curator,

procureur: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2]

beiden wonende te [plaats],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden],

procureur: mr. F.L.L. Vermeeren,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 september 2006 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 juni 2006, gewezen tussen [appellant] als eiser in de hoofdzaak, tevens verweerder in het incident, en [geïntimeerden] als gedaagden in de hoofdzaak, tevens eisers in het incident.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109455/HA ZA 06-311)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de curator de gronden van zijn eis aangevuld, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.2. [geïntimeerden] hebben bij akte bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van de gronden van de eis.

2.3. Bij beslissing van de eerste enkelvoudige kamer van dit hof van 10 april 2007 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.4. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] vervolgens de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis.

2.5. De partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a) Bij onderhandse akte van 31 oktober 2002 hebben de heer [persoon 1] (hierna [persoon 1]) en [geïntimeerden] met ingang van 1 november 2002 een commanditaire vennootschap (hierna: c.v.) opgericht met als doel de exploitatie van een restaurantbedrijf.

[persoon 1] trad hierbij op als beherend vennoot en [geïntimeerden] als commanditaire vennoten.

b) Per 1 april 2004 is de c.v. ontbonden door opzegging overeenkomstig artikel 9 van de oprichtingsakte.

c) Op 4 augustus 2004 is [persoon 1] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van appellant tot curator.

d) Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de curator aan [geïntimeerden] onder meer meegedeeld:

- dat de c.v. ondanks de ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van het vennootschappelijk vermogen nodig is;

- dat [geïntimeerden] hun commanditaire inbreng hebben teruggenomen terwijl zij daartoe nog niet gerechtigd waren.

De curator heeft vervolgens voorgesteld de situatie met [geïntimeerden] in aanwezigheid van hun raadsman te bespreken.

e) Op 6 oktober 2004 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen:

- de in het faillissement benoemde rechter-commissaris en zijn secretaris;

- de curator;

- [geïntimeerden] en hun toenmalige raadsman.

f) Bij brief van 21 oktober 2004 heeft de curator aan de rechter-commissaris een bevestiging gezonden van het op 6 oktober 2004 besprokene. In deze brief staat onder meer:

"Gezien o.a. het gehele vorenstaande zijn [geïntimeerden] en ondergetekende overeengekomen dat [geïntimeerden] (...) op de door de curator geopende faillissementsrekening (...) zullen voldoen een bedrag groot € 7.500,--, na betaling van welk bedrag [geïntimeerden] jegens opgemelde failliete boedel rechtsgeldig gekweten zijn en wel met name met betrekking tot de problematiek van de commanditaire inbreng (...).

Het hiervoor bedoelde bedrag van € 7.500,-- zal door [geïntimeerden] vóór 6 oktober 2005 dienen te worden voldaan. (...)

Tijdens de bespreking van 6 oktober j.l. deelde U mede zich met het tussen [geïntimeerden] en de curator overeengekomene te kunnen instemmen, waarbij U verzocht het besprokene schriftelijk vast te leggen en ter schriftelijke accordering door U aan U voor te leggen.

Middels deze moge ik U verzoeken mij aan te geven of ik het besprokene en het overeengekomene op juiste wijze weergegeven heb en of U zich met het vorenstaande accoord kunt verklaren."

g) De rechter-commissaris heeft de brief van 21 oktober 2004 voor akkoord ondertekend.

h) [geïntimeerden] hebben het bedrag van € 7.500,-- niet aan de curator betaald.

4.2. In de onderhavige procedure vordert de curator veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling aan de curator van voormeld bedrag van € 7.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 oktober 2005 en met veroordeling van het [geïntimeerden] in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft de curator de stelling ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] op grond van de op 6 oktober 2004 gesloten overeenkomst tot betaling van het bedrag verplicht zijn.

4.3. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg bij incidentele conclusie een beroep gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank. Zij hebben dat beroep gebaseerd op artikel 11.1 van de oprichtingsakte van 31 oktober 2002.

Dat artikel luidt als volgt:

"Alle geschillen, welke tussen vennoten mochten ontstaan naar aanleiding van of in verband met de uitvoering van deze overeenkomst of van andere overeenkomsten welke daarvan het gevolg mochten zijn, zullen aan drie arbiters ter beslissing worden voorgelegd."

4.4. Na door de curator in het incident gevoerd verweer heeft de rechtbank in het beroepen vonnis:

- het in het incident gevorderde toegewezen;

- zich in de hoofdzaak onbevoegd verklaard om van de vordering van de curator kennis te nemen;

- de curator in de kosten van het incident en van de hoofdzaak veroordeeld.

4.5.1. Het hof zal eerst grief II behandelen. Deze grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren.

4.5.2. In de toelichting op deze grief heeft de curator aangevoerd dat de door hem tegen [geïntimeerden] ingestelde vordering niet gebaseerd op de overeenkomst van 31 oktober 2002 waarbij de c.v. is opgericht of op een andere overeenkomst die daarvan het gevolg is, maar op de door hem op 6 oktober 2004 met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst. Het arbitragebeding is volgens de curator op die laatstgenoemde overeenkomst niet van toepassing.

4.5.3. Het hof oordeelt als volgt over deze grief.

Tussen de curator en [geïntimeerden] bestond voorafgaand aan de bespreking van 6 oktober 2004 een potentieel geschil met betrekking tot de inbreng van [geïntimeerden] in de c.v. Indien de partijen dat geschil niet onderling hadden kunnen oplossen en ter beslechting van dat geschil het voeren van een procedure noodzakelijk zou zijn geweest, zou aan [geïntimeerden] jegens de curator een beroep op het arbitragebeding zijn toegekomen.

Het hof moet op grond van de stellingen van partijen echter concluderen dat het potentiële geschil op 6 oktober 2004 is beëindigd doordat de partijen op die datum een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW hebben gesloten. Die overeenkomst hield - naar door [geïntimeerden] niet is bestreden - in dat zij aan de curator tegen finale kwijting € 7.500,-- zouden betalen, en dat daarmee het geschil tussen de curator en [geïntimeerden] beëindigd was. Van een geschil als bedoeld in het arbitragebeding was na het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst dus geen sprake meer.

4.5.4. De vaststellingsovereenkomst zelf kan zonder nadere toelichting, die door [geïntimeerden] niet is gegeven, niet worden gezien als een overeenkomst die het "gevolg" is van de oprichtingsakte, zoals bedoeld in het arbitragebeding. Bij een dergelijke onder de werking van het arbitragebeding vallende "gevolg-overeenkomst" valt veeleer te denken aan overeenkomsten waarin nadere afspraken zijn gemaakt omtrent bijvoorbeeld de wijze van samenwerking in de c.v.

Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn geschillen tussen de curator en [geïntimeerden] die onder het arbitragebeding hadden kunnen vallen juist beëindigd.

4.5.5. Het beroep van [geïntimeerden] op het arbitragebeding moet om de bovenstaande redenen worden verworpen. Dit betekent dat grief II doel treft.

4.6.1. Het voorgaande betekent dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, het door [geïntimeerden] in het incident gevorderde afwijzen en in het incident verklaren dat de rechtbank Maastricht bevoegd is om van de vordering van de curator kennis te nemen.

4.6.2. Het hof zal, zoals door de curator gevorderd, de (hoofd)zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 76 Rv ter verdere behandeling zal terugverwijzen naar de rechtbank Maastricht.

4.6.3. De grieven III en IV, voor zover met het voorgaande nog niet behandeld, zijn gericht tegen de veroordeling van de curator in de kosten van het incident en van de hoofdzaak. Ook in zoverre slagen de grieven. Nu [geïntimeerden] in het incident in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof hen in de kosten van het incident in eerste aanleg veroordelen. Omtrent de kosten van de hoofdzaak zal beslist moeten worden na inhoudelijke behandeling daarvan.

4.6.4. Grief I behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

4.6.5. Het hof zal [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Voorts zal het hof, zoals door de curator gevorderd, dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de rechtbank Maastricht tussen partijen gewezen vonnis van 21 juni 2006, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

wijst het in het incident gevorderde af;

verklaart dat de rechtbank Maastricht bevoegd is om kennis te nemen van de door de curator tegen [geïntimeerden] ingestelde vordering en verwijst de zaak ter verdere behandeling terug naar die rechtbank;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 384,-- voor salaris procureur;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 71,32 aan dagvaardingskosten, € 296,-- aan vast recht en € 632,-- aan salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Groot-Van Dijken en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 maart 2008.