Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7263

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06/00207
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu vaststaat dat de begrafeniskosten ten bedrage van € 5.245 eerst zijn opgekomen en betaald na het overlijden van de erflater kunnen deze niet worden geacht op de erflater te drukken in de zin van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001. Dientengevolge kunnen deze kosten niet op het inkomen van de erflater in mindering worden gebracht als persoongebonden aftrek.

Het standpunt van belanghebbenden dat het recht op persoonsgebonden aftrek het gehele kalenderjaar omvat en niet beperkt wordt door het overlijden van de erflater, vindt geen steun in de wet noch in de jurisprudentie (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 36 211, BNB 2002/318).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/56.2.4
Vp-bulletin 2008, 23
FutD 2008-0689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00207

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven van X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbenden

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 mei 2006, nummer AWB 05/2007, in het geding tussen

Belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 22 april 2005 is aan belanghebbenden een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2004 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 13.167. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 105,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 december 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Met bericht is namens belanghebbenden niemand verschenen.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. De heer X (hierna: de erflater) is op 6 september 2004 overleden. De erflater was tot die datum woonachtig op het adres A-straat 12 te B. De kosten van de begrafenis van de erflater bedragen € 5.245 en zijn op 19 november 2004 door afschrijving van een tot de nalatenschap behorende bankrekening van de C-bank Y-B met nummer 0000.00.000 voldaan.

2.2. De heer D, broer van de erflater, heeft voor het onderhavige jaar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering gedaan naar een verzamelinkomen van € 13.167,=. De Inspecteur heeft de aanslag conform de ingediende aangifte vastgesteld.

2.3. Belanghebbenden hebben bij schrijven met dagtekening 22 april 2005 bezwaar ingediend tegen de onderhavige aanslag. In dit bezwaar hebben zij verzocht de eerdergenoemde begrafeniskosten ten bedrage van € 5.245 aan te merken als buitengewone uitgaven in de zin van artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en in dit verband de persoonsgebonden aftrek met vorengenoemd bedrag te verhogen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de in verband met de begrafenis van de erflater gemaakte kosten ten bedrage van € 5.245 in aanmerking kunnen worden genomen als persoongebonden aftrek op de voet van artikel 6.1 Wet IB 2001.

Belanghebbenden zijn van oordeel, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van het verzamelinkomen tot een bedrag van € 7.922. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001, is het volgende bepaald:

"Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en

(...)"

In artikel 6.16, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 is voorts bepaald dat buitengewone uitgaven zijn de uitgaven wegens overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27-jarige kinderen.

4.2. Nu vaststaat dat de begrafeniskosten ten bedrage van € 5.245 eerst zijn opgekomen en betaald na het overlijden van de erflater kunnen deze niet worden geacht op de erflater te drukken in de zin van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001. Dientengevolge kunnen deze kosten niet op het inkomen van de erflater in mindering worden gebracht als persoongebonden aftrek.

4.3. Het standpunt van belanghebbenden dat het recht op persoonsgebonden aftrek het gehele kalenderjaar omvat en niet beperkt wordt door het overlijden van de erflater, vindt geen steun in de wet noch in de jurisprudentie (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 36 211, BNB 2002/318).

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 28 februari 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W. Verstraate en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van A.R Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.