Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7056

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
20-001481-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:BA1539, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 287/289, 242, 282 Sr: voorwaardelijk opzet/voorbedachte rade.

Opnieuw 15 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor onder meer het verkrachten en ombrengen van een 15-jarig meisje. Ook het hof acht voorbedachte rade niet aanwezig (zie ook: ljn BA1539).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 157
NBSTRAF 2008/157

Uitspraak

Parketnummer: 20-001481-07

Uitspraak : 19 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch

in de strafzaak met parketnummer 01/839291-06 tegen:

(verdachte)

geboren te (geboorteplaats),

thans gedetineerd te PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 EBI,

waarbij verdachte ter zake van:

“doodslag”, “verkrachting”, “wederrechtelijke vrijheidsberoving” en een woninginbraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede terbeschikkingstelling met dwangverpleging t.a.v. feiten 1, 2 primair en 3, met een beslissing op de vordering van de benadeelde partijen, met een beslissing omtrent het beslag en met vrijspraak van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep richt zich tegen het gehele vonnis, met uitzondering van de beslissing op feit 4.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij) is in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 4.876,91.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij)l is in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 199,--, vermeerderd met wettelijke rente.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het genoemde vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. C.J.P.M. Revis en van hetgeen door verdachte en namens de verdachte door mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te

‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en verdachte ter zake van 1. moord, 2. verkrachting, meermalen gepleegd, 3. opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en 5. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek en terbeschikkingstelling met dwangverpleging, met het verzoek in het arrest op te nemen dat de TBS-maatregel eerst zal aanvangen nadat tweederde van de vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd, met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen conform de beslissing van de eerste rechter en met beslissing op het in beslaggenomene conform de beslissing van de eerste rechter.

Door of namens verdachte zijn geen verweren gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de geldigheid van de dagvaarding.

Door of namens de verdachte is het navolgende bepleit:

- vrijspraak van de feiten 1 en 2 , met referte aan het oordeel van het hof met betrekking tot de feiten 3 en 5;

- een kortere duur van de gevangenisstraf, met referte ten aanzien van de vraag of TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd, met referte voorts ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het genoemde vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Bovendien geeft het hof er de voorkeur aan de vorm van zijn uitspraak in overeenstemming te brengen met de aanbevelingen in het Rapport Toetsingscommissie PROMIS II (Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen) van september 2007.

Tenlastelegging

Voor zover thans nog van belang is aan verdachte - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in de periode van 7 september 2006 tot en met 22 september 2006 te Geldrop, althans in de gemeente(n) Geldrop-Mierlo en/of Someren, althans in het arrondissement ’s-Hertogenbosch, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, zijn hand(en), in elk geval een of meer lichaamsdelen en/of (een) voorwerp(en) op en/of om de mond en/of neus en/of keel/hals van die (slachtoffer) geduwd/gebracht en/of gehouden , terwijl hij, verdachte (met zijn volle gewicht) op de rug van die (slachtoffer) zat (terwijl zij op haar buik op de grond lag) en/of hij, verdachte, (daarbij) voorover leunde en/of (daarbij) (tegen) het (achter)hoofd van die (slachtoffer) duwde en/of drukte tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 7 september 2006 tot en met 22 september 2006 te Geldrop, althans in de gemeente(n) Geldrop-Mierlo en/of Someren, althans in het arrondissement ‘'s-Hertogenbosch, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (slachtoffer) (geboren: geboortedatum) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de mond van die (slachtoffer) gebracht/geduwd/gehouden

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- die (slachtoffer) heeft vastgebonden/vastgehouden door zogenaamde tie-rips om/aan de armen en/of handen en/of polsen van die (slachtoffer) te binden, in elk geval vast te maken en/of

- het T-shirt en/of de BH van die (slachtoffer) heeft losgeknipt en/of losgetrokken en/of (aldus) voor die (slachtoffer) (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 7 september 2006 tot en met 22 september 2006 te Geldrop, althans in de gemeente(n) Geldrop-Mierlo en/of Someren, althans in het arrondissement ‘'s-Hertogenbosch, met (slachtoffer), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de mond van die (slachtoffer) gebracht/geduwd/gehouden en/of is verdachte (daarbij) klaargekomen in de mond van die (slachtoffer);

3.

hij in of omstreeks de periode van 7 september 2006 tot en met 22 september 2006 te Geldrop, althans in de gemeente(n) Geldrop-Mierlo en/of Someren, althans in het arrondissement ‘'s-Hertogenbosch, opzettelijk (slachtoffer) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte toen daar opzettelijk en wederrechtelijk

- die (slachtoffer) in een auto meegenomen naar een loods (plaats) en/of (vervolgens)

- de polsen van die (slachtoffer) vastgebonden/vastgemaakt met tie-rips en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer) in de kofferbak van een auto geduwd/gebracht en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer) in een auto vervoerd naar een bosgebied (in de gemeente Someren) en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer) op de grond geduwd/gebracht en/of (vervolgens)

- (nadat hij op die (slachtoffer) is gaan zitten) zijn hand(en), in elk geval een of meer lichaamsde(e)l(en) en/of (een) voorwerp(en) op en/of om de mond en/of neus en/of keel/hals van die (slachtoffer) geduwd/gebracht en/of gehouden, en aldus die (slachtoffer) belet zich vrijelijk te bewegen;

5.

hij op of omstreeks 03 april 2006 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (adres) heeft weggenomen een elektriciteitsmeter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (eigenaar), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming door een achterraam te forceren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring feit 5

5.

Op grond van de bekennende verklaring van de verdachte alsmede op grond van de inhoud van de aangifte acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 3 april 2006 te Geldrop, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (adres) heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming door een achterraam te forceren.

De vaststaande feiten ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Het hof stelt de volgende feiten vast.

1.

Op vrijdag 22 september 2006 werd omstreeks 9.30 uur op een bosperceel aan de (weg) te Someren het stoffelijk overschot van een meisje aangetroffen , dat, naar later is vastgesteld, het stoffelijk overschot bleek te zijn van (slachtoffer) (hierna ook te noemen), geboren (geboortedatum) .

Het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna ook: NFI) vermeldt als doodsoorzaak:- dat door de afwezigheid van structuren als het strottenhoofd en het tongbeen en de afwezigheid van huid/weke delen in hals en gelaat, uitwendig mechanisch samendrukkend/smorend geweld op het hoofd/halsgebied, met als gevolg verstikking en overlijden hierdoor, niet is uit te sluiten.

Verdachte heeft (slachtoffer) op 7 september 2006 gedood.

Bij de doorzoeking verricht in een bedrijfshal, gelegen aan (adres) te Geldrop, in welke loods een caravan stond van het merk Adria, voorzien van het kenteken (kenteken), werd op een bed/bank in de genoemde caravan een spermavlek aangetroffen . Deze spermavlek bevatte DNA-materiaal dat zowel overeenkwam met dat van het slachtoffer als van dat van verdachte, terwijl de kans dat een willekeurig gekozen man het DNA-profiel van verdachte heeft, kleiner is dan één op één miljard, en, terwijl de kans dat een willekeurig gekozen persoon een combinatie van DNA-kenmerken heeft die past binnen de afgeleide DNA-kenmerken van het DNA-nevenprofiel van het slachtoffer kleiner is dan één op zesendertig miljoen.

Wat is er op 7 september 2006 met (slachtoffer) gebeurd?

Het hof stelt vast dat verdachte in de loop van de tijd drie, elkaar uitsluitende versies heeft gegeven van de gebeurtenissen op 7 september 2006. In hoger beroep ging de discussie over de vraag of de eerste versie van verdachte de juiste is (standpunt van de advocaat-generaal) of de derde versie (standpunt van de verdachte).

De tweede versie, die kort gezegd inhield dat (een vriend) degene was die (slachtoffer) in de bossen van Someren gedood heeft, is onjuist gebleken: uit onderzoek is vastgesteld dat (naam vriend) op genoemde datum in Egypte was. Het hof zal die versie dan ook niet nader bespreken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Verdachte heeft op 24, 27, 28 september en 5 oktober in de ochtend, alsmede op 25 en 26 oktober 2006 verklaringen afgelegd (hierna te noemen: “versie 1”) waarvan de advocaat-generaal betoogt dat die weergeven hetgeen in werkelijkheid gebeurd is.

Deze versie van de gebeurtenissen van verdachte houdt kort gezegd het volgende in:

Op 7 september 2006 heeft verdachte (slachtoffer) met een smoes naar het Avia-station te Geldrop gelokt zodat hij op een andere plaats seks met haar kon hebben.

Hij heeft haar vervolgens meegenomen naar een loods, gelegen aan (adres) te Geldrop.

In die loods heeft hij (slachtoffer) met geweld in de caravan geduwd die in de loods stond.

Hij heeft haar handen achterop de rug met tie-rips vastgemaakt. Vervolgens heeft hij (slachtoffer) uitgekleed deels door haar bovenkleding met een schaar kapot te knippen, zodat het bovengedeelte van haar lichaam helemaal ontkleed was. Daarna heeft verdachte zijn stijve penis in de mond van (slachtoffer) gebracht en haar drie of vier keer gedwongen hem te pijpen. Daarbij is hij deels in haar mond klaargekomen en deels op een bed/bank van die caravan. Nadat verdachte in (slachtoffer) mond was klaargekomen heeft zij het sperma uitgespuugd op die bank.

(slachtoffer) kleedde zich vervolgens weer aan waarop verdachte haar levend, geboeid met

tie-rips, in de kofferruimte van zijn auto gelegd heeft. Toen is hij met die auto naar een bos in Someren gereden. In die bossen heeft hij de auto neergezet en de handen van (slachtoffer) losgemaakt, zodat zij achter de auto kon plassen. Samen liepen verdachte en (slachtoffer) daarna verder de bossen in.

Op een gegeven moment hoorde verdachte de stemmen van twee mannen. Hij zag dat (slachtoffer) haar mond wilde open doen. Verdachte raakte daarop in paniek en legde zijn hand op haar mond en drukte haar naar de grond. Hij ging met zijn volle gewicht van 100 kg op haar zitten.

Hij voelde haar spartelen en ze probeerde onder hem uit te komen, maar met zijn schouders ging hij op haar hangen, drukte haar naar beneden, zodat ze minder bewegingen kon maken.

(slachtoffer) lag op dat moment met haar buik op de grond en haar gezicht naar beneden. Verdachte is op haar rug gaan zitten en heeft steeds zijn hand op haar mond gehouden, zodat ze zeker geen geluid kon maken en niet kon gaan schreeuwen. Hij is op haar onderrug gaan zitten en is voorover gaan hangen.

Verdachte heeft de stemmen zeker een paar minuten gehoord. Nadat de stemmen weg waren richtte verdachte zich weer op (slachtoffer) en bemerkte dat zij niet meer leefde.

Het standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende betoogd, waarbij het hof de door verdachte aangehaalde verklaring duidt als “versie 3”.

Sinds begin juli 2006 had verdachte met (slachtoffer) een seksuele relatie waarbij zij onder meer gemeenschap met elkaar hadden.

Op een gegeven moment zei (slachtoffer) tegen verdachte dat ze zwanger was van verdachte.

Ze vroeg hem om geld voor een abortus. Hierop heeft verdachte (slachtoffer) 2500 Euro gegeven om een abortus te ondergaan. Daarna is verdachte op vakantie gegaan met zijn vriendin (naam vriendin).

Na terugkeer van die vakantie had verdachte een ontmoeting met (slachtoffer) op 5 september 2006, tussen 18.00 en 19.00 uur. Bij die gelegenheid hadden ze seks met elkaar. Daarna heeft verdachte aan (slachtoffer) gevraagd hoe het met de abortus gegaan was. Hij vreesde namelijk dat (slachtoffer) de 2500 Euro niet aan een abortus had uitgegeven maar aan een scooter die zij sinds kort in gebruik had.

Op 7 september 2006 sprak verdachte met (slachtoffer) af om bijeen te komen bij het Avia-station in Geldrop. (Slachtoffer) is toen met verdachte naar de loods gegaan aan (adres) te Geldrop.

In de loods stond een caravan. Verdachte heeft (slachtoffer) de caravan ingeduwd. Daar heeft hij haar gevraagd waar zij de 2500 Euro aan besteed had. Hij heeft haar handen op haar rug vastgebonden met tie-rips en haar bovenkleding kapot geknipt, zodat haar bovenlichaam ontbloot werd.

Toen bonsde er iemand op de deur van de loods. Verdachte was bang dat (slachtoffer) zou gaan gillen; daarom heeft hij zijn hand op haar mond gelegd en haar lichaam omlaag gedrukt.

Na een tijdje merkte hij dat ze dood was. Vervolgens heeft verdachte het dode lichaam van (slachtoffer) in zijn auto gelegd en is naar de bossen bij Someren gereden. Daar heeft hij het dode lichaam van (slachtoffer) in het bos neergelegd en achtergelaten.

Het oordeel van het hof

Voor wat betreft de feitelijke toedracht gaat het hof – met de advocaat-generaal en de rechtbank – uit van die verklaringen van verdachte die hiervoor benoemd zijn als versie 1.

De redenen daarvoor zijn de volgende.

Naar het oordeel van het hof past alleen deze versie in het DNA-spoor dat gevonden is op het bed/de bank in de caravan, zoals hierboven onder de vaststaande feiten genoemd. Daar komt bij dat verdachte zichzelf met deze versie heeft belast op een moment dat hij niet op de hoogte was van dat gevonden DNA-spoor: dat werd immers eerst op 26 september 2006 te 11.30 uur aangetroffen , terwijl verdachte al op 24 september verklaart over het uitspugen door (slachtoffer) van het sperma van verdachte op het bed/de bank van de caravan.

In versie 3 verklaart verdachte weliswaar dat hij is klaargekomen in de caravan, maar dat dit gebeurd is doordat hij zich heeft afgetrokken. Aldus blijft in die versie een raadsel hoe in de aangetroffen spermavlek zowel DNA-sporen van verdachte als van (slachtoffer) aangetroffen zijn.

Door de raadsman is weliswaar aangevoerd dat het aangetroffen mengprofiel afkomstig kan zijn van seks waarover verdachte verklaart dat hij die op 5 september 2006 tussen 18.00 uur en 19.00 uur met (slachtoffer) gehad heeft, maar het hof acht het niet aannemelijk dat verdachte op die datum en tijd seks gehad heeft met (slachtoffer) in de caravan.

De reden is dat zowel (broer slachtoffer) als zijn zus (naam zus slachtoffer) verklaren dat zij op 5 september 2006, respectievelijk om 17.45 uur en om 18.15 uur thuis kwamen, en dat (slachtoffer) op die datum en dat tijdstip thuis was. Voorts verklaren zij dat ze samen (vader slachtoffer, slachtoffer, zus en broer slachtoffer) gegeten hebben en dat aansluitend (broer slachtoffer) met (slachtoffer) naar de kermis in Geldrop gegaan is en dat zij daarvan tussen 22.00 en 23.00 uur weer thuis kwamen. Deze verklaringen sluiten de versie van verdachte uit dat hij met (slachtoffer) seks heeft gehad op op 5 september tussen 18.00 en 19.00 uur.

Het hof acht de verklaringen van (naam broer slachtoffer) en (naam zus slachtoffer) geloofwaardig. Daar doet niet aan af dat deze verklaringen eerst zijn afgelegd nadat verdachte op 15 maart 2007 bij de rechtbank verklaarde dat hij op 5 september 2006 tussen 18.00 en 19.00 uur seks met (slachtoffer) heeft gehad.

Het hof overweegt in dit verband, dat de verdediging weliswaar heeft aangevoerd dat de verklaringen van (naam broer slachtoffer) en (naam zus slachtoffer) niet betrouwbaar zijn, omdat ze op de hoogte waren van de inhoud van de verklaring van de verdachte van 15 maart 2007 en zo versie 3 van de verdachte met hun verklaring welbewust ongeloofwaardig doen lijken, maar deze stelling bevat slechts een suggestie en is niet met feiten onderbouwd. Bovendien heeft het hof geen enkele aanwijzing, dat beide getuigen hun verklaring op elkaar hebben afgestemd en daarin niet in overeenstemming met de waarheid zouden hebben verklaard.

Ten slotte stelt het hof zich op het standpunt dat versie 3 - die uitgaat van een vaste seksuele relatie tussen verdachte en (slachtoffer) - niet aannemelijk is geworden, gezien onder meer de verklaringen van familieleden en vrienden van (slachtoffer) van oktober 2007.

Feit 1.

Opzet op de dood

Het hof stelt voorop dat (slachtoffer) is gedood door verstikking. Dit op grond van het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, in combinatie met de verklaring van de verdachte in versie 1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal voert aan dat op grond van versie 1 geconcludeerd moet worden dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van (slachtoffer).

Het standpunt van de verdediging

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2006, LJN: AZ 1658 betwist de verdediging dat sprake is van opzet, in welke vorm dan ook. Immers het enkele feit dat verdachte met zijn hand de mond van (slachtoffer) heeft dichtgehouden en niet tevens de neus, betekent niet dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg – zoals hier de dood – zou intreden. Daarbij komt dat de conclusie van het NFI-rapport louter inhoudt dat niet uit te sluiten valt dat verstikking de doodsoorzaak is en niet dát verstikking de doodsoorzaak is.

Het hof oordeelt als volgt.

Op grond van de volgende feiten omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd komt het hof tot het oordeel dat sprake is van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van (slachtoffer).

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de kans aanmerkelijk is dat het slachtoffer door de in versie 1 omschreven handelingen het leven zou verliezen.

De aard van deze gedragingen van verdachte is, mede gelet op de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden, reeds naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de levensberoving van het slachtoffer dat hieruit valt af te leiden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich hiervan bewust moet zijn geweest en dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg willens en wetens heeft aanvaard. Daarbij slaat het hof met name ook acht op de omstandigheden dat verdachte met zijn volle gewicht van 100 kilo op haar is gaan zitten, gedurende zeker een paar minuten de mond van (slachtoffer) heeft dichtgehouden en met beide schouders op haar is gaan hangen om haar naar beneden te drukken, zodat zij minder bewegingen kon maken, waarbij hij bovendien met zijn linkerhand op haar achterhoofd heeft geduwd zodat zij niet met haar hoofd omhoog kon duwen en zijn rechterhand op haar mond bleef zitten.

De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dat verdachte alleen de mond van (slachtoffer) heeft dichtgehouden en niet tevens de neus, maar dat doet aan het vorenstaande niet af, zeker ook in het licht van de omstandigheid dat (slachtoffer) onder de zojuist geschetste omstandigheden met haar buik op de grond en haar gezicht naar beneden lag.

Voorbedachte raad

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal betoogt dat op grond van versie 1 geconcludeerd moet worden dat verdachte gehandeld heeft met voorbedachte raad. Hij voert daartoe de volgende feiten en omstandigheden aan:

Verdachte verklaart weliswaar in versie 1 dat hij op verschillende momenten in paniek gehandeld heeft. Echter, als in de loods de telefoon gaat dan reageert verdachte volgens de advocaat-generaal adequaat op die telefoon.

Voorts verklaart verdachte dat hij in paniek raakt op het moment dat (slachtoffer) zegt dat zij naar huis moet omdat het eten klaar staat. Die paniek is volgens de advocaat-generaal ook niet zo erg omdat verdachte vervolgens de handen van (slachtoffer) weer vastbindt en haar achter in zijn auto legt.

Vervolgens verklaart verdachte dat hij in paniek raakte toen hij met (slachtoffer) in het bos was en hij (naam) aan de telefoon kreeg. Verdachte heeft toen met haar gesproken en op haar verzoek de vader van (slachtoffer) gebeld met de mededeling dat hij, verdachte, (slachtoffer) niet gezien had. Ook deze reactie getuigt volgens de advocaat-generaal niet van paniek.

Verdachte verklaart ook dat hij gedacht heeft dat, als hij haar alleen achter zou laten in het bos, hij, verdachte, nog tijd zou hebben om weg te komen en dat hij (slachtoffer) niet vertrouwde dat zij haar belofte zou nakomen dat ze hem, verdachte, niet zou verraden.

Verdachte besluit daarop, aldus de advocaat-generaal, om (slachtoffer) niet te laten gaan en loopt met haar een donker bos in. Dit besluit kan in de visie van de advocaat-generaal alleen maar betekenen dat hij haar het zwijgen wilde opleggen.

Verdachte verklaart ook nog dat hij vervolgens in paniek raakt als hij stemmen hoort en haar dan doodt. De advocaat-generaal stelt op grond van dit deel van de verklaring van verdachte dat het mogelijk is dat verdachte in die paniek zijn voornemen om (slachtoffer) te doden al eerder heeft uitgevoerd dan aanvankelijk gepland.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betwist dat op grond van versie 1 de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van voorbedachte raad.

Het hof oordeelt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is slechts sprake van voorbedachte raad op de dood van een persoon indien de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit die persoon te doden, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Naar het oordeel van het hof dwingen de door de advocaat-generaal gestelde feiten en omstandigheden noch ieder voor zich, noch in onderlinge samenhang beschouwd tot de conclusie dat sprake is van voorbedachte raad. Deze feiten en omstandigheden weerleggen immers niet de verklaring van verdachte dat hij het bos in ging om (slachtoffer) daar achter te laten op een plaats die het voor hem, verdachte, mogelijk zou maken om met succes te vluchten en onder te duiken.

Dit betekent dat het hof het bestanddeel voorbedachte raad niet bewezen oordeelt en verdachte derhalve vrijspreekt van de onder 1. impliciet primair ten laste gelegde moord.

Feit 2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal betoogt dat op grond van versie 1 sprake is van verkrachting van (slachtoffer).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak en verwijst naar de verklaringen van verdachte, hiervoor door het hof als “versie 3” aangemerkt.

Het oordeel van het hof

Hierboven heeft het hof al geoordeeld dat niet versie 3 van verdachte geloof verdient, maar versie 1. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar.

Versie 1 houdt onder meer in dat verdachte (slachtoffer) drie tot vier keer gedwongen heeft hem te pijpen. Op grond van deze verklaring, in samenhang met de andere genoemde bewijsmiddelen komt het hof tot het oordeel dat verdachte (slachtoffer) verkracht heeft.

Bewezenverklaring feit 1 en 2

Uit al het bovenstaande volgt dat het hof wettig en overtuigend bewezen oordeelt dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. impliciet subsidiair

hij op 7 september 2006 te Someren, opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet zijn hand op de mond van die (slachtoffer) gebracht en gehouden, terwijl hij, verdachte met zijn volle gewicht op de rug van die (slachtoffer) zat terwijl zij op haar buik op de grond lag en hij, verdachte, daarbij voorover leunde en daarbij tegen het achterhoofd van die (slachtoffer) duwde en/of drukte tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

2. primair

hij op tijdstippen op 7 september 2006 te Geldrop, telkens door geweld of een andere feitelijkheid (slachtoffer) (geboren: datum) telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte telkens

- zijn penis in de mond van die (slachtoffer) gebracht/geduwd/gehouden

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte

- die (slachtoffer) heeft vastgebonden/vastgehouden door zogenaamde tie-rips om de handen of polsen van (slachtoffer) te binden en

- het T-shirt en de BH van (slachtoffer) heeft losgeknipt

en aldus voor (slachtoffer) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Bewezenverklaring feit 3

Het hof stelt voorop dat van algemene bekendheid is dat de plaats Geldrop ligt in de gemeente Geldrop-Mierlo.

Op grond van dit feit van algemene bekendheid, alsmede op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van het proces-verbaal van technisch onderzoek met betrekking tot het aantreffen van een fragment van een groene kunststof

tie-rip in de loods aan de (adres) , en voormeld proces-verbaal voor zover betrekking hebbende op het op aanwijzing van verdachte aantreffen van gebruikte en ongebruikte tie-rips in een bosperceel te Mierlo en de peilingen van de telefoon van verdachte, waaruit volgt dat verdachte ongeveer vijf uren in de buurt van “(adres) te Geldrop en/of in het bosperceel te Someren moet zijn geweest, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

3.

op 7 september 2006 in de gemeenten Geldrop-Mierlo en/of Someren opzettelijk (slachtoffer) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte toen daar opzettelijk en wederrechtelijk

- de polsen van (slachtoffer in een loods (aan (adres) te Geldrop)

vastgebonden/vastgemaakt met tie-rips en vervolgens

- die (slachtoffer) in de kofferbak van een auto gebracht en vervolgens

- (slachtoffer) in een auto vervoerd naar een bosgebied (in de gemeente Someren) en

vervolgens

- (slachtoffer) op de grond geduwd/gebracht en vervolgens

- nadat hij op (slachtoffer) is gaan zitten zijn hand op de mond van (slachtoffer) geduwd/gebracht

en gehouden, en aldus (slachtoffer) belet zich vrijelijk te bewegen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof acht niet bewezen, dat verdachte (slachtoffer) opzettelijk en wederrechtelijk heeft meegenomen naar de in de tenlastelegging vermelde loods, nu niet is komen vast te staan dat (slachtoffer), die met een smoes werd bewogen in de auto van verdachte te stappen, tegen haar wil is meegegaan naar die loods. Naar het oordeel van het hof is het bewezen verklaarde feit 3 aangevangen in voormelde loods.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het sub 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het sub 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het sub 3 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het sub 5 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5e van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 310 van dat wetboek.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Op 7 maart 2007 is door psycholoog H.A. van Kempen en psychiater P.K.J. Ronhaar een rapport over verdachte uitgebracht, waarin onder meer wordt gesteld dat ten tijde van het aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde – indien bewezen – betrokkene weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, maar hij in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. Ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 was hij lijdende aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens dat deze feiten – indien bewezen – hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Deze conclusies worden gedeeld door de latere rapportages van de psycholoog Zwegers en de zenuwarts Boeykens.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, verkrachting, meermalen gepleegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving en een inbraak.

De rechtbank heeft verdachte daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest en heeft voorts onvoorwaardelijk de maatregel van ter beschikking stelling met bevel tot verpleging opgelegd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede een onvoorwaardelijke ter beschikking stelling met dwangverpleging, zulks ter zake van moord, verkrachting, meermalen gepleegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving en een inbraak.

De advocaat-generaal heeft daarbij aangevoerd dat, mocht het hof doodslag in plaats van moord bewezen achten, de langdurige doodsangst waarin (slachtoffer) heeft verkeerd en de wijze waarop zij aan haar einde is gekomen, redenen zijn om te besluiten tot een hogere straf dan de rechtbank heeft opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – subsidiair - gepleit voor een lagere strafmaat.

De raadsman constateert dat de rechtbank 15 jaar heeft opgelegd met ter beschikking stelling.

Hij betoogt vervolgens dat voor een doodslag met voorwaardelijk opzet oplegging van een gevangenisstraf van tussen de 4 en 8 jaar gebruikelijk is.

Verder voert hij aan dat uitgaande van die visie dan voor de andere 3 feiten door de rechtbank in totaal minimaal 7 jaren is opgelegd; dit nu acht de raadsman in het licht van de rechtspraak een te hoge straf. Daar komt dan nog bij dat in deze zaak door de rechtbank niet slechts een gevangenisstraf van 15 jaren is opgelegd maar ook nog een ter beschikking stelling met dwangverpleging.

De conclusie van de raadsman is dan ook dat een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van aanmerkelijk kortere duur dan de door de rechtbank opgelegde 15 jaar.

Ten slotte refereert de raadsman zich met betrekking tot de vraag of ter beschikking stelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Het oordeel van het hof

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een van de zwaarste misdrijven die in het Wetboek van Strafrecht voorkomen. Niet alleen heeft verdachte het leven van (slachtoffer) opzettelijk beëindigd, hij heeft haar daaraan voorafgaande seksueel misbruikt en haar van haar vrijheid beroofd.

Met betrekking tot feit 1

De wetgever heeft het strafmaximum voor het misdrijf doodslag op vijftien jaren bepaald.

Op grond van eerdere rechterlijke uitspraken hanteert het hof als uitgangspunt bij de discussie over de hoogte van de op te leggen straf bij doodslag een gevangenisstraf tussen de 4 en 8 jaren. Dit op grond van de aard en de ernst van het feit.

Het hof acht de navolgende feiten en omstandigheden relevant bij de bepaling van de hoogte van de straf binnen voormelde bandbreedte:

- de omstandigheid dat het onder 1 bewezen verklaarde door verdachte is gepleegd in een - in juridische termen te benoemen - voorwaardelijke opzetvorm;

- het gegeven dat verdachte door zijn handelen het 15-jarige slachtoffer (slachtoffer) heeft beroofd van haar meest kostbare bezit: haar leven, waardoor aan familie, vrienden en kennissen van het slachtoffer onpeilbaar leed is toegebracht;

- de ernstig geschokte rechtsorde.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden acht het hof de keuze voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf binnen voormelde bandbreedte van 7 jaren in beginsel passend.

Deze straf zal het hof verhogen op grond van het feit dat de doodslag plaatsvond onder de volgende omstandigheden:

? verdachte heeft het slachtoffer op een wrede wijze gedood; het slachtoffer is door het handelen van verdachte gestikt, waarbij zij kennelijk langdurig in doodsangst heeft verkeerd en een doodsstrijd heeft geleverd. Zij heeft immers enkele minuten onder zijn zware lichaam gesparteld, in een poging om onder hem uit te komen;

? verdachte heeft het slachtoffer neergelegd in een bos en haar blootgesteld aan de invloeden van de natuur;

? verdachte heeft niet aangegeven waar het stoffelijk overschot van (slachtoffer) gevonden kon worden, zodat het veertien dagen geduurd heeft voor zij gevonden werd;

? als gevolg daarvan heeft de familie van (slachtoffer) haar niet meer in de kist mogen zien liggen, hetgeen als traumatiserend is ervaren;

? verdachte heeft door het verbergen van het lichaam van het slachtoffer extra leed aan de nabestaanden toegevoegd, nu die nabestaanden gedurende geruime tijd in onzekerheid hebben verkeerd over de vraag of hun dierbare nog in leven was;

? de verdachte heeft tot op de zitting van het gerechtshof in hoger beroep voortdurend wisselende verklaringen omtrent het gebeuren afgelegd, waardoor de nabestaanden steeds in onzekerheid zijn gebleven omtrent de werkelijke toedracht;

? verdachte is er niet voor teruggedeinsd om in een van zijn verklaringen een vriend (naam) de dood van (slachtoffer) in de schoenen te schuiven, terwijl verdachte wist dat hij zelf daarvoor verantwoordelijk was.

Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van zeer lange duur op zijn plaats is. Het hof zal daarom een strafverhoging toepassen voor de duur van 3 ½ jaar, hetgeen tot de slotsom leidt dat het hof voor feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van 10 ½ jaar passend en geboden acht.

Met betrekking tot feit 2

Volgens de in de strafrechtspleging ontwikkelde oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijk straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, kan voor een verkrachting als de onderhavige een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als passend worden beschouwd.

Op grond echter van de volgende feiten en omstandigheden zal het hof deze straf verhogen tot 36 maanden gevangenisstraf:

- verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde en heeft haar met een smoes meegelokt;

- verdachte heeft fors geweld gebruikt jegens het jeugdige slachtoffer dat een gemakkelijke prooi voor hem was; hij heeft (slachtoffer) vastgebonden met tie-rips en haar kleding losgeknipt;

- verdachte is in haar mond klaargekomen en de verkrachting is meermalen gepleegd, terwijl het slachtoffer gedurende relatief lange tijd aan de wil van verdachte onderworpen is geweest.

Omdat verdachte eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld is, waarbij aan hem

- onder meer - TBS met dwangverpleging is opgelegd, zal het hof een strafverhoging met een derde toepassen. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij het wettelijke systeem, waarin een verhoging bij strafverzwarende omstandigheden met een derde geenszins ongebruikelijk is.

Dit alles leidt tot de conclusie dat het hof voor feit 2 primair een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden (4 jaren) passend en geboden acht.

Met betrekking tot feit 3

Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan op grond van rechterlijke uitspraken een straf van 1 jaar als gebruikelijk worden beschouwd.

Verdachte heeft op dit gebied geen eerdere veroordeling, maar het hof rekent verdachte dit feit zwaar aan, temeer nu blijkens voormelde telefoonpeilingen het slachtoffer gedurende een substantiële tijd gedwongen in de macht van verdachte is geweest, waarbij zij zeer angstige momenten moet hebben doorgemaakt.

Het hof zal verdachte derhalve voor dit feit een gevangenisstraf van 1 jaar opleggen.

Met betrekking tot feit 5 en het ad informandum gevoegde feit

Bij de straftoemeting zal het hof geen rekening gehouden met de onder 5 bewezen verklaarde inbraak, nu dit feit in verhouding tot de andere veel zwaardere delicten qua strafmaat opgaat in de hoogte van de totaal op te leggen straf.

Zulks geldt evenzeer voor het ad informandum gevoegde feit, ten aanzien waarvan verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 15 1/2 jaar met zich brengt.

Het hof ziet in de hiervoor omschreven verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde aanleiding om de straf te matigen, en wel met een half jaar.

Conclusie ten aanzien van de straf

Dit leidt tot de conclusie dat het hof een gevangenisstraf zal opleggen van vijftien jaren.

De op te leggen maatregel

De inhoud van de uitgebrachte rapporten

De rapporten van de psycholoog H.A. van Kempen en psychiater P.K.J. Ronhaar over verdachte houden onder meer – zakelijk weergegeven - het navolgende in:

Bij betrokkene is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van psychopathie.

De kans op herhaling van feiten als de ten laste gelegde is groot. De stoornissen en cruciale elementen daarin zijn ernstig en onverminderd aanwezig. Deze stoornissen en elementen zijn onder meer zijn geneigdheid de spanning van verboden/criminele activiteiten te zoeken, het pathologisch liegen en het berekenend toewerken naar wat hij zich voor ogen heeft gesteld. Opnieuw kan betrokkene bij langdurige, voor anderen al dan niet herkenbare, tegenslagen komen tot seksueel gekleurde uitleving van macht, controle en vernedering. Ook op basis van meer algemene (statistische) risicofactoren is de kans op ernstige recidieven groot.

Niet vanwege de behandelbaarheid van betrokkene, maar vanwege de aanwezigheid van ernstige psychische stoornissen, hun relatie met de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 – indien bewezen – en het hoge recidivegevaar, adviseren de rapporteurs betrokkene de maatregel van een TBS met dwangverpleging op te leggen. Perspectief op een succesvolle behandeling van betrokkene achten de rapporteurs vanwege de ernst van de stoornissen en vanwege een reeds eerder gevolgd langdurig TBS-traject zeer beperkt.

Het hof heeft op verzoek van de verdediging en de verdachte een nieuw onderzoek naar de geestvermogens van verdachte gelast.

In opdracht van de rechter-commissaris heeft D.H.J. Boeykens, zenuwarts en vast gerechtelijk deskundige, na inzage van de gerechtelijke stukken een psychiatrisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte.

Het rapport van 11 januari 2008 houdt – onder meer – het navolgende in als conclusie en advies:

Bij betrokkene is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van psychopathie.

Op grond daarvan bestaat er een reële kans dat betrokkene in geval de hem nu ten laste gelegde feiten bewezen verklaard worden, opnieuw tot plegen van deze feiten komt. Omdat er geen therapeutische aanknopingspunten bestaan, of mogelijkheden om het herhalingsgevaar op een andere wijze dan via een TBS met dwangverpleging tot een aanvaardbaar laag risico te reduceren, kan ondergetekende niet anders dan de maatregel van TBS met dwangverpleging adviseren.

Met de mederapporteur, drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog, bestaat overeenstemming van inzicht en conclusie.

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusies en adviezen en maakt deze tot de zijne.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd, met het verzoek in het arrest op te nemen dat de TBS-maatregel eerst zal aanvangen nadat tweederde van de vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vraag of TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Het oordeel van het hof

De door verdachte begane feiten onder 1, 2 en 3 zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

De algemene veiligheid van personen eist oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling van de verdachte. Dit op grond van de conclusie van de rapporteurs dat verdachte aan stoornissen lijdt die de kans op herhaling van het plegen van soortgelijke ernstige feiten groot maakt, alsmede op grond van de bijzondere ernst van de bewezen verklaarde doodslag, verkrachtingen en vrijheidsberoving.

Het hof zal om genoemde redenen tevens bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelet op de bijzondere ernst van de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten zal het hof adviseren dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eerder dient aan te vangen dan na ommekomst van tweederde van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

De vordering van (naam benadeelde partij)

De vordering van de benadeelde partij (naam) is in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 4.876,51.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij (naam) als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag.

Het hof merkt daarbij op dat de kosten van beslaglegging, welke blijkens de bij de vordering gevoegde bijlagen bestaan uit een bedrag van EUR 114,24, bij de berekening van de totale schade zijn opgenomen als een bedrag van EUR 144,24. Het hof zal de vordering afwijzen met betrekking tot het – kennelijk abusievelijk - teveel gevorderde.

Voorts is in de berekening van de totale schade een bedrag van EUR 90,-- als kosten voor rechtsbijstand opgevoerd. Nu dit geen rechtstreekse schade betreft die is toegebracht als gevolg van het bewezen verklaarde zal het hof dit bedrag toewijzen bij de proceskosten.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van EUR 4.756,51 toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding terzake deze vordering de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van (naam benadeelde partij)

De vordering van de benadeelde partij (naam) is in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 199,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2006.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof omtrent de beslissing op de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij (naam) als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Beslissing op het beslag

De hierna in de beslissing te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen moeten worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 57, 60a, 242, 282, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 5 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Doodslag.

2.

Verkrachting, meermalen gepleegd.

3.

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

5.

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof adviseert dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eerder dient aan te vangen dan na ommekomst van tweederde van de opgelegde gevangenisstraf.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een personenauto Opel Vectra (kenteken); één stuk kleding en één horloge.

Wijst de vordering van de benadeelde partij (naam) voor een bedrag van EUR 4.756,51 (vierduizend zevenhonderd zesenvijftig euro en eenenvijftig cent) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 4.756,51 (vierduizend zevenhonderd zesenvijftig euro en eenenvijftig cent).

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij (naam) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op

EUR 90,--.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (naam), p.a. postbus 270 5400 AG Uden, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 4.756,51 (vierduizend zevenhonderd zesenvijftig euro en eenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij (naam) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 199,00 (honderd negenennegentig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2006.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij (naam) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (naam), wonende te (adres), aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 199,00 (honderd negenennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. W.E.C.A. Valkenburg,

in tegenwoordigheid van dhr. P.N.M. de Bruijn, griffier,

en op 19 maart 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.