Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
C0700056 en C0700213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten van sloop en asbestverwijdering

Vast staat dat de gemeente Laarbeek bij brief van 15 maart 2006 toepassing van bestuursdwang heeft aangezegd ten aanzien van de sloop van het uitgebrande pand [adres 1] en van de asbestverwijdering. Gelet hierop hebben de overige erven adequaat en in het belang van de boedel gehandeld door reeds op 21 maart 2005 opdracht te geven een aanvang te maken met de werkzaamheden, ondanks het bezwaar van [appellant] daartegen. Zij waren hiertoe ook bevoegd op grond van art. 3: 170 BW. Uit art. 3: 172 BW volgt dat [appellant] dient bij te dragen in de daarmee gemoeide kosten. Zijn bijdrage in deze kosten kan worden toegerekend op het aandeel dat hij te zijner tijd uit de nalatenschap zal ontvangen, zie art. 3: 184 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnrs. C0700056/HE en C0700213/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 29 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

rolnummer C07/00213:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], hierna: "[appellant]",

appellant bij exploten van dagvaarding van 14 juni 2006,

procureur: mr. M.J.A. Verhagen,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats],

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonende te [plaats], [gemeente],

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

wonende te [plaats],

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],

wonende te [plaats], en

6. GEÏNTMEERDE SUB 6],

wonende te [plaats], [gemeente],

hierna tezamen: "[geïntimeerde sub 1 c.s.]",

geïntimeerden bij voormelde exploten van dagvaarding,

procureur: mr. W.P.G. Berkers,

rolnummer C07/00056:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], hierna: "[appellant]",

appellant bij exploot van dagvaarding van 14 juni 2006,

procureur: mr. M.J.A. Verhagen,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], [gemeente],

hierna: "[geïntimeerde]",

geïntimeerde bij voormeld exploot,

procureur: mr. W.G.P. Berkers.

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 14 mei 2004 en 15 maart 2006 (in de zaak met nummer 63674 HAZA 01-632) tussen [geïntimeerde sub 1 c.s.] als eisers in conventie tevens verweerders in reconventie en [geïntimeerde] en [appellant] als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie, alsmede (in de zaak nummer 67983 HAZA 01-1499) tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

1. Het verloop van de gedingen in eerste aanleg

In beide zaken:

Voor het verloop van de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar de rolbeslissing van 25 januari 2006.

2. Het verloop van de gedingen in hoger beroep

In beide zaken:

2.1. Bij inhoudelijk gelijke memories van grieven, met producties, heeft [appellant] in beide zaken twee grieven aangevoerd tegen de vonnissen waarvan beroep. Hij heeft in beide zaken geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en na eiswijziging in hoger beroep, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

A. een andere boedelnotaris zal benoemen ter vervanging van notaris mr. H.J.M.G. Brants te Helmond;

B. voor recht zal verklaren dat [appellant] de in het vonnis van 15 maart 2006 opgelegde dwangsommen niet heeft verbeurd;

C. voor recht zal verklaren dat de overige erven zijn gehouden de sloopkosten van de woningen plaatselijk bekend [adres 1] [postcode] [plaats] te voldoen en dat [appellant] daaraan niet behoeft bij te dragen;

D. voor recht zal verklaren dat de overige erven zijn gehouden aan de nalatenschap de schade als gevolg van de vroegtijdige sloop van deze woningen te vergoeden;

E. voor recht zal verklaren dat [appellant] niet behoeft bij te dragen aan de kosten van notaris Brants tot nu toe;

met veroordeling van [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectieveljk [geïntimeerde] in de proceskosten in beide zaken.

2.2. [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectieveljk [geïntimeerde] hebben in beide zaken bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Het hof heeft deze bezwaren bij beschikking van 29 mei 2007 in beide zaken ongegrond verklaard.

2.3. Bij inhoudelijk gelijke memories van antwoord hebben [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde] in beide zaken de grieven bestreden en primair geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep en tot afwijzing van de in hoger beroep vermeerdere eis, subsidiair gevorderd dat het hof alsnog een dwangsom zal verbinden aan de veroordeling tot ontruiming van het [adres 2], [postcode] [plaats]), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

2.4. [appellant] heeft in beide zaken vervolgens nog een akte, met producties, genomen, waarop [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde] in beide zaken bij antwoordakte, met 1 productie, hebben gereageerd.

2.5. Partijen hebben daarna in beide zaken de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van hoger beroep, in beide zaken

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de afzonderlijke memories van grieven.

4. De beoordeling, in beide zaken

4.1. Het gaat in deze hoger beroepen om het volgende.

4.1.1. Op 12 maart 1998 is overleden te [plaats] [vader], geboren op [1912] te [plaats], niet hertrouwd weduwnaar van [persoon 1], hierna: "vader".

4.1.2. Op 20 september 2000 heeft mr. Johannes Andreas Jozef Beks, notaris te Gemert, een verklaring van erfrecht afgegeven inhoudende dat [geïntimeerde sub 1 c.s.] alsmede [geïntimeerde] en [appellant] ieder voor éénachtste gedeelte erfgenaam van vader zijn.

4.1.3. Tussen [geïntimeerde sub 1 c.s.] en [geïntimeerde] enerzijds (hierna tezamen: de "overige erven") en [appellant] anderzijds zijn geschillen gerezen omtrent de afwikkeling van de nalatenschap, waaronder de waardering en toedeling van tot de nalatenschap behorende registergoederen te [plaats], waaronder het perceel met daarop het woonhuis [adres 1] (kadastraal bekend [kadasternummer) en het [adres 2] (kadastraal bekend [kadasternummer]) en een aangrenzend perceel bouwland (kadastraal bekend [kadasternummer]), alsmede een perceel bouwland, kadastraal bekend [kadasternummer].

4.1.4. [geïntimeerde sub 1 c.s.] hebben bij exploot van dagvaarding van 8 maart 2001 voor zover thans nog van belang tegen [geïntimeerde] en [appellant] gevorderd - kort gezegd - dat zij hun medewerking verlenen aan de verdeling van de nalatenschap. [geïntimeerde] en [appellant] hebben ieder een eis in reconventie ingesteld. [geïntimeerde] heeft bij exploit van dagvaarding van 19 juni 2001 tegen [appellant] gevorderd - kort gezegd - dat hij zijn medewerking verleent aan verdeling van de nalatenschap. [appellant] heeft een eis in reconventie ingesteld.

4.1.5. De rechtbank heeft de zaken ter behandeling gevoegd. Nadat op 12 mei 2004 in beide zaken een tussenvonnis was gewezen heeft de rechtbank op 15 maart 2005 een comparitie van partijen gehouden.

4.1.6. Op 7 maart 2005 is het (leegstaande) pand [adres 1] afgebrand. Bij de brand is asbest vrijgekomen. Bij brief van 15 maart 2005 heeft de gemeente toepassing van bestuursdwang aangezegd ten aanzien van het afvoeren van asbest resten en het voorkomen van instortingsgevaar van het pand. Het pand is vervolgens gesloopt en de asbestresten zijn afgevoerd. De kosten hiervan bedragen in totaal € 47.494,72 (factuur J. Geurts d.d. 8 april 2005 van € 23.609,60 en factuur J. Geurts d.d. 13 mei 2005 van € 23.885,09).

4.1.7. [geïntimeerde] heeft bij akte van 16 november 2005 haar eis (in de zaak nummer 67983 HAZA 01-1499) aldus gewijzigd dat haar vorderingen gelijk zijn aan de (gewijzigde) vorderingen van [geïntimeerde sub 1 c.s.] (in de zaak nummer 63674 HAZA 01-632). Bij eindvonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank in beide zaken de (identieke) vorderingen in conventie van [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde] tegen [appellant] (grotendeels) toegewezen en in reconventie de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellant] afgewezen.

4.1.8. [appellant] kan zich niet met de vonnissen van 12 mei 2004 en 15 maart 2006 verenigen en komt in beide zaken daarvan in hoger beroep.

4.2. [appellant] heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 12 mei 2004, zodat hij in beide zaken niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep.

4.3. [appellant] heeft berust in de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap. Zijn tegen het vonnis van 15 maart 2006 aangevoerde grieven, alsmede zijn in hoger beroep ingestelde vorderingen stellen de volgende geschilpunten aan de orde:

- de dwangsom waarmee de veroordeling tot ontruiming van de registergoederen is versterkt, alsmede de vraag of dwangsommen zijn verbeurd;

- ontslag van mr. H.J.M.G. Brants, notaris te Helmond, als notaris ten overstaan van wie de verdeling plaats vindt;

- ieders draagplicht ten aanzien van de kosten van sloop van het uitgebrande pand [adres 1] en van de asbestverwijdering;

- ieders draagplicht ten aanzien van de door notaris Brants in rekening gebrachte kosten;

- aansprakelijkheid van de overige erven jegens de nalatenschap voor schade tengevolge van de sloop van de woonhuizen.

4.4. Dwangsom

4.4.1. [geïntimeerde sub 1 c.s.] hebben in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen alle aan hem in eigendom toebehorende zaken te verwijderen uit het pand [adres 1] op straffe van verbeurte van een dwangsom van NLG 500,- per dag. Nadat het pand in maart 2005 was afgebrand hebben [geïntimeerde sub 1 c.s.] bij akte van 16 november 2005 hun eis gewijzigd en de afgifte van een gerechtelijke bevel tot ontruiming van het [adres 2] door [appellant] gevorderd zonder het opleggen van een dwangsom te vorderen.

4.4.2. De rechtbank heeft in het vonnis van 15 maart 2006 [appellant] veroordeeld de hem toebehorende zaken die zich nog op of in de registergoederen die tot de nalatenschap behoren bevinden te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een boete (dwangsom).

4.4.3. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank aldus buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Immers, [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde] vorderden na de wijziging van eis bij akten van 16 november 2005 nog slechts een bevel tot ontruiming van de diepvriesruimte ([adres 2]) niet versterkt door een dwangsom. Grief 1 slaagt en het vonnis van 15 maart 2006 zal op dit punt worden vernietigd. [appellant] mist verder belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht dat geen dwangsommen zijn verbeurd.

4.4.4. [geïntimeerde sub 1 c.s.] en [geïntimeerde] hebben in hoger beroep ontruiming van het [adres 2] op straffe van verbeurte van een dwangsom gevorderd, met als tijdstip van ontruiming één maand vóór de leveringsdatum van de registergoederen. [appellant] heeft zich reeds op de comparitie van 15 maart 2005 er toe verplicht het [adres 2] te ontruimen. Hij heeft (in zijn memorie van grieven, nr 14) aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het opleggen van een dwangsom op de wijze als thans gevorderd.

4.4.5. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde] toewijzen als hierna vermeld.

4.5. Ontslag notaris

4.5.1. [appellant] herhaalt in hoger beroep zijn vordering tot benoeming van een andere notaris ten overstaan van wie de verkoop van de registergoederen en de verdeling van de netto-opbrengst zal plaatsvinden. Grief 2 heeft hierop betrekking. Hij voert aan dat notaris Brants niet heeft belet dat de overige erven kort na de brand, op of omstreeks 21 maart 2005, opdracht hebben gegeven tot sloop van het uitgebrande pand [adres 1] en tot verwijdering van asbestresten, ondanks zijn bezwaar daartegen. Voorts zou notaris Brants onvoldoende voortvarend zijn opgetreden.

4.5.2. Naar het oordeel van het hof bestaan geen termen notaris Brants te ontheffen van zijn in het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 maart 2005 vastgelegde opdracht van partijen (inclusief [appellant]) welke opdracht in het vonnis van 15 maart 2006 is bevestigd. Ten aanzien van de sloop en asbestverwijdering heeft notaris Brants terecht geen bemoeienis gehad: zijn opdracht was beperkt tot de verkoop bij inschrijving van de registergoederen; hij was niet belast met het beheer daarvan. Aan het hof is voorts niet gebleken dat het uitstel bij de verkoop van de registergoederen is te wijten aan onvoldoende voortvarend optreden van notaris Brants.

4.6. Kosten van sloop en asbestverwijdering

4.6.1. Vast staat dat de gemeente Laarbeek bij brief van 15 maart 2006 toepassing van bestuursdwang heeft aangezegd ten aanzien van de sloop van het uitgebrande pand [adres 1] en van de asbestverwijdering. Gelet hierop hebben de overige erven adequaat en in het belang van de boedel gehandeld door reeds op 21 maart 2005 opdracht te geven een aanvang te maken met de werkzaamheden, ondanks het bezwaar van [appellant] daartegen. Zij waren hiertoe ook bevoegd op grond van art. 3: 170 BW. Uit art. 3: 172 BW volgt dat [appellant] dient bij te dragen in de daarmee gemoeide kosten. Zijn bijdrage in deze kosten kan worden toegerekend op het aandeel dat hij te zijner tijd uit de nalatenschap zal ontvangen, zie art. 3: 184 BW.

4.6.2. De vordering van [appellant] op dit punt is niet toewijsbaar.

4.7. Notariskosten

4.7.1. [appellant] neemt het standpunt in dat hij niet behoeft bij te dragen in de door notaris Brants voor diens werkzaamheden in rekening gebrachte kosten op de grond dat hij bezwaar heeft tegen diens benoeming.

4.7.2. Het hof is van oordeel dat de door notaris Brants in rekening gebrachte kosten bevoegdelijk zijn gemaakt ten behoeve van de nalatenschap. Zijn benoeming is door partijen overeengekomen op de comparitie van partijen van 15 maart 2005, en nog eens bevestigd in het vonnis van 15 maart 2006. De door [appellant] tegen het optreden van notaris Brants geuite bezwaren brengen niet mee dat hij zich kan onttrekken aan zijn in art. 3: 172 BW vastgelegde wettelijke bijdrageplicht in deze kosten.

4.7.3. De vordering van [appellant] op dit punt wordt afgewezen.

4.8. Aansprakelijkheid voor schade

4.8.1. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de nalatenschap schade heeft geleden door de beslissing van de overige erven om op of omstreeks 21 maart 2005 opdracht te geven tot sloop van het uitgebrande pand en tot asbestverwijdering. Niet is gebleken dat hierdoor de mogelijkheid tot verhaal van de brandschade op de brandstichters bemoeilijkt is. Voor toelating tot de schadestaat procedure acht het hof geen termen aanwezig. De daartoe strekkende vordering van [appellant] wordt afgewezen.

4.9. Conclusie

4.9.1. Grief 1 slaagt voor zover deze de veroordeling van [appellant] tot verwijdering, op verbeurte van een dwangsom, van hem toebehorende zaken uit de registergoederen betreft. Op dit punt zal het vonnis van 15 maart 2006 worden vernietigd. [appellant] zal worden veroordeeld het [adres 2] te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom, als hierna vermeld.

4.9.2. Grief 2 faalt. De vonnissen waarvan beroep zullen voor het overige worden bekrachtigd. De vorderingen van [appellant] worden afgewezen. De proceskosten in beide zaken in hoger beroep zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

In beide zaken:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 mei 2004;

vernietigt het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 maart 2006 voor zover [appellant] daarin is veroordeeld de aan hem toebehorende zaken die zich nog op of in de registergoederen die tot de nalatenschap behoren bevinden binnen 7 dagen na betekening van dat vonnis te verwijderen en verwijderd te houden op verbeurte van een boete (dwangsom) van € 225,- voor iedere dag dat hij na het verstrijken van deze termijn niet aan deze veroordeling zal voldoen, met een maximum van € 10.000,-;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] uiterlijk één maand voor de levering van de percelen met kadastrale nummers [plaats] [nummer] en [nummer], maar niet eerder dan 14 dagen na betekening van dit arrest, het gebruik van het [adres 2] te [postcode] [plaats]) te staken en dit [adres 2] leeg en ontruimd aan de gezamenlijke erven op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 225,- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum bedrag aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis van 15 maart 2006 voor het overige;

compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigenkosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 januari 2008.